rechts|miniatuur|Verbeelding van een wolvenjacht, illustratie in Thomas Millers roman The British Wolf-Hunters uit 1859 De wolven in Groot-Brittannië zijn sinds 1680 uitgestorven, ze komen in het wild niet meer voor. De wolf is in Groot-Brittannië uitgeroeid.
Romeinse en Angelsaksische kronieken suggereren dat wolven ooit buitengewoon talrijk waren op het eiland. In tegenstelling tot andere dieren in Groot-Brittannië werden wolven niet getroffen door eiland-dwergvorming: skeletresten wijzen erop dat ze misschien wel zo groot konden worden als poolwolven. De wolf werd in Groot-Brittannië uitgeroeid door een combinatie van ontbossing en jacht met beloningssystemen. Er wordt aangenomen dat de laatste wolf in 1680 werd gedood, maar sommigen beweren dat er in Schotland tot in de 19de eeuw nog wolven leefden.
Fossiele vondsten miniatuur|Tekening van het zieke kaakbeen van een jonge wolf uit Oreston miniatuur|Tekening van een wolfsschedel opgegraven in Kents Cavern In de Kirkdale-grot (Noord-Yorkshire) zijn overblijfselen van wolven aangetroffen. Hun aantal is echter relatief klein in vergelijking met de hoeveelheid botten van grottenhyena's. Cuvier wees er later op dat het aantal wolvenbotten in Kirkdale zelfs nog kleiner is dan gedacht: veel tanden die aanvankelijk van wolven geweest leken te zijn, bleken toe te behoren aan jonge hyena's. De weinige wolfsresten die wel correct geïdentificeerd waren, zijn mogelijk door mensen naar het grottenstelsel gebracht voor consumptie. William Buckland schreef in zijn Reliquiae Diluvianae (overblijfselen van de zondvloed?), dat hij slechts één maaltand vond die met zekerheid geïdentificeerd kon worden als een wolventand, terwijl de andere botfragmenten niet te onderscheiden waren van die van gedomesticeerde honden.
In de kalksteengrotten van Paviland (op het schiereiland Gower, Zuid-Wales) zijn de kaak, een hielbeen en verschillende middenvoetsbeentjes van een grote hondachtige gevonden. Het is echter niet mogelijk om te bewijzen dat deze toebehoorden aan een wolf, en niet aan een grote hond.
In een steengroeve in Oreston (Plymouth) werd een grottenreeks ontdekt. In deze grotten vond ene meneer Whidbey verschillende botten en tanden van een Canis-soort, die niet te onderscheiden is van de hedendaagse wolf. Richard Owen onderzocht een in Oreston opgegraven kaakbeen en bevond dat het van een onvolwassen dier was. Ook was het kaakbeen vergroot door exostose en ulceratie (zweervorming), waarschijnlijk ten gevolge van een gevecht met een andere wolf. De andere botten vertoonden knaagsporen van kleine dieren. Ook waren vele botten verder beschadigd tijdens de pogingen van arbeiders om ze uit de klei te halen. In tegenstelling tot de wolfsresten uit Kirkdale vertoonden de Oreston-resten geen bijtsporen van hyena's.
Een bijna volledige schedel (met ontbrekende tanden) werd ontdekt in Kents Cavern (Devon) door ene meneer MacEnery. De schedel was precies even groot als die van een poolwolf, met als enige opmerkelijke verschillen dat de sectorkies iets groter was en de onderrand van de kaak iets complexer. De schedel werd geïdentificeerd als zijnde die van een wolf, vanwege het lage en samengetrokken voorhoofd.
Engeland en Wales rechts|miniatuur| Humphrey Head, een kalkstenen rots aan de monding van het estuarium van Kent, waar naar verluidt in de 14de eeuw de laatste Engelse wolf werd gedood. In het jaar 950 legde koning Athelstan volgens de overlevering een jaarlijkse betaling van 300 wolvenhuiden op aan de Welshe koning Hywel Dda. De Britse kroniekschrijver Willem van Malmesbury stelt echter dat Athelstan enkel om goud en zilver vroeg; volgens hem was het Athelstans neef, Edgar de Vreedzame, die de betaling in goud en zilver losliet en in plaats daarvan wolvenhuiden eiste van de Welshe koning Constantijn. In de tijd van deze koningen waren wolven bijzonder talrijk in de (sterk beboste) districten die aan Wales grensden. De belasting in wolvenhuiden werd gehandhaafd tot de Normandische verovering van Engeland in 1066.
Er schijnen destijds criminelen te zijn geweest die, in plaats van de doodstraf, de opdracht kregen om een bepaald aantal wolventongen te leveren. Dit diende als bewijs dat de gestrafte dat aantal wolven gedood had.
In de 14de eeuw schreef de monnik Galfrid over de wonderen van St. Cuthbert (die zeven eeuwen eerder zouden hebben plaatsgevonden). Galfrid merkte op dat wolven in deze tijd zo talrijk waren in Northumbria, dat het voor zelfs de rijkste kuddemeesters vrijwel onmogelijk was om hun schapen te beschermen, ondanks de inzet van vele herders.
Volgens de Angelsaksische kroniek stond de maand januari bekend als "Wulf-monath" (of wolvenmaand). Dit was namelijk de tijd waarin wolven, gedreven door voedselschaarste, op hun gevaarlijkst waren voor de mens. Daarnaast was januari de eerste volledige maand van de wolvenjacht door de adel. Officieel eindigde dit jachtseizoen op 25 maart; het omvatte dus het welpseizoen, waarin wolven het meest kwetsbaar waren en waarin hun vacht het meest winstgevend was.
De Normandische koningen (r. 1066 tot 1154) zetten bedienden in als wolvenjagers; veel van deze bedienden bezaten land dat werd toegekend op voorwaarde dat ze deze plicht vervulden. Zo verleende Willem de Veroveraar de heerschappij over Riddesdale (Northumberland) aan Robert de Umfraville op voorwaarde dat hij dit gebied zou verdedigen tegen vijanden en wolven. Er waren geen beperkingen op of straffen voor het jagen op wolven - behalve in koninklijke wildreservaten, met als redenering dat het voor een gewone burger te verleidelijk zou zijn om daar een hert te schieten.
Gerald van Wales schreef hoe de lijken die het resultaat waren van Hendrik II's strafexpeditie naar Wales (in 1165) werden opgegeten door wolven in Holywell.
Engelse wolven werden vaker gevangen dan dat ze werden bejaagd. Zo zou de familie Wolfhunt, die in de 13de eeuw in Peak Forest woonde, vaak het bos in zijn gegaan om pek te plaatsen op plekken die door wolven werden bezocht. Dit deden zij in de maanden maart en december, want in deze tijd van het jaar zouden de wolven meer moeite hebben om de pek te ruiken dan op andere momenten. Tijdens de droge zomers ging de familie het bos in om welpen te doden.
Jan zonder Land (r. 1199-1216) loofde een premie van 10 shilling uit voor de vangst van twee wolven.
Koning Eduard I (r. 1272-1307) beval dat alle wolven in zijn koninkrijk volledig uitgeroeid moesten worden. Hij nam persoonlijk een zekere Peter Corbet in dienst, en gaf hem instructies om de wolf uit te roeien in de graafschappen Gloucestershire, Herefordshire, Worcestershire, Shropshire en Staffordshire – gebieden in en rondom de Welsh Marches, waar wolven meer voorkwamen dan in de zuidelijke gebieden van Engeland.
In het 43ste jaar van de heerschappij van Eduard III (r. 1312-77) bezat een zekere Thomas Engaine land in Pytchley, in het graafschap Northampton, op voorwaarde dat hij speciale jachthonden vond om wolven te doden in de graafschappen Northampton, Rutland, Oxford, Essex en Buckingham.
In het 11de jaar van Henry VI's heerschappij (1433) bezat een zekere Sir Robert Plumpton een stuk land genaamd "Wolf Hunt Land", dat hij had verkregen door het blazen van een hoorn waarmee hij wolven in Sherwood Forest opjoeg of bang maakte.
Er wordt aangenomen dat de wolf in Engeland is uitgestorven (of ten minste zeer zeldzaam is geworden) tijdens de heerschappij van Hendrik VII (r. 1485-1509). Tegen deze tijd was de aanwezigheid van de wolf beperkt geraakt tot de bossen van Blackburnshire en Bowland in Lancashire, de Yorkshire Wolds, en de wildere gedeelten van het Peak District in Derbyshire. In East Riding van Yorkshire werden er tot in de vroege 19de eeuw nog premies voor wolven gehandhaafd.
Schotland rechts|miniatuur| Het eiland Handa (in Sutherland), waar de lokale bevolking ooit hun doden begroef om te voorkomen dat de graven door wolven zouden worden ontheiligd. rechts|miniatuur| Een wolf door Jan Fyt, National Galleries of Scotland. In Schotland werd de wolf tijdens het bewind van James VI (r. 1567-1625) dermate als een bedreiging voor reizigers beschouwd, dat er op belangrijke wegen speciale huizen (genaamd spittals) werden gebouwd ter bescherming.
In Sutherland groeven wolven zo vaak graven op, dat de inwoners van de Edrachillis-baai zich genoodzaakt zagen om hun doden te begraven op het eiland Handa:
Eilandbegrafenissen werden ook toegepast op Tanera Mòr en op Inishail. In Atholl werden doodskisten wolfbestendig gemaakt door ze uit vijf tegelvormige stenen te bouwen.
In de Schotse Laaglanden stierf de wolf waarschijnlijk uit in de 13de tot 15de eeuw, toen er enorme stukken bos werden gekapt.
In 1427 keurde Jacobus I van Schotland een wet goed die jaarlijks drie wolvenjachten vereiste. Deze drie jachten dienden tussen 25 april en 1 augustus plaats te vinden. Daarmee vielen zij samen met het welpseizoen van de wolf.
De Schotse wolvenpopulatie bereikte een hoogtepunt in de tweede helft van de 16de eeuw. Het is bekend dat Maria I van Schotland in 1563 op wolven heeft gejaagd in het bos van Atholl. Later veroorzaakten wolven zoveel schade aan de veekuddes van Sutherland dat Jacobus VI van Schotland het in 1577 verplicht stelde om driemaal per jaar op wolven te jagen.
De laatste wolf van Schotland links|miniatuur| Een dode wolf - Jan Fyt Over het doden van de laatste Schotse wolf zijn verschillende verhalen in omloop. Officiële documenten suggereren dat de laatste wolf in 1680 werd gedood, door Sir Ewen Cameron van Lochiel, in het dorp Killiecrankie (Perthshire). Sommigen beweren echter dat er wolven in Schotland leefden tot in de 18de eeuw. Eén verhaal stelt zelfs dat er in 1888 nog een wolf werd gezien.
Folklore en literatuur miniatuur| Gelert door Charles Burton Barber (1845–94). In het Welshe verhaal Gelert doodt prins Llywelyn de Grote zijn trouwe wolfshond Gelert. De prins had zijn hond even tevoren onder het bloed aangetroffen, en nam aan dat dit bloed van zijn zoontje was. Pas later ontdekt hij dat zijn kind nog leeft, en dat het bloed toebehoorde aan een wolf waartegen Gelert de jongen juist verdedigd had.
In Welshe mythologie wordt gezegd dat zowel Sint Ciwa (het 'Wolvenmeisje') als Bairre (een voorouder van Amergin Glúingel) door wolven werden gezoogd.
Volgens Schotse folklore doodde een oude man genaamd MacQueen van Findhorn de laatste wolf in 1783 in Morayshire.
Voorgestelde herintroductie in Schotland en Engeland In 1999 riep dr. Martyn Gorman, universitair hoofddocent zoölogie aan de Universiteit van Aberdeen en vicevoorzitter van de UK Mammal Society, op tot een herintroductie van de wolf in de Schotse Hooglanden en op het Engelse platteland. Dit was een voorgestelde oplossing voor de destijds 350.000 edelherten die jonge bomen in de productiebossen beschadigden. Schottish National Heritage overwoog om zorgvuldig gecontroleerde wolvenkolonies te introduceren, maar schortte dit idee op na bezwaar van schapenboeren.
In 2002 opperde Paul van Vlissingen, een rijke landeigenaar in Achnasheen in de westelijke Hooglanden, de herintroductie van zowel wolven als lynxen in Schotland en Engeland. Hierbij stelde hij dat de bestaande methoden voor het intoom houden van de hertenpopulatie ontoereikend waren, en dat wolven een impuls zouden geven aan het Schotse toerisme.
In 2007 suggereerden Britse en Noorse onderzoekers dat de herintroductie van de wolf in de Schotse Hooglanden en op het Engelse platteland zou helpen bij het herstel van planten en vogels die worden gehinderd door de hoge hertenstand. Hun studie evalueerde ook hoe de bevolking zou staan tegenover het loslaten van wolven in het wild. Hoewel de algemene publieke opinie positief was, reageerden bewoners van plattelandsgebieden gevoeliger. Toch zouden zij openstaan voor het idee, mits veeverlies zou worden vergoed.