Jonker Johan III Sickinghe tot Warffum (1576 – Warffum, 25 september 1652) was een vermogend en vooraanstaand Ommelander hoofdeling, landjonker en bestuurder. Als heer van Warffum, Usquert en Zuidwolde en derde heer uit zijn geslacht op de Warffumborg beschikte hij over omvangrijke landerijen en talrijke heerlijke, rechterlijke en kerkelijke rechten. Hij was redger van verschillende plaatsen, collator van Warffum en Breede, hofmeester van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest en tussen 1608 en 1632 eigenaar van Rottumeroog. Zijn werkzaamheid bleef evenwel niet tot de Ommelanden beperkt. Sickinghe trad namens de Ommelanden op bij de Staten-Generaal, was lid van de Generaliteitsrekenkamer, hoofdparticipant en bewindhebber van de Kamer ter Stad en Lande van de WIC en lid van de Heren XIX. Als jongeman ondertekende hij in 1594 de akte van trouw aan de Unie van Utrecht, met uitzondering van de bepaling omtrent de godsdienst. In 1633 maakte hij in Leeuwarden deel uit van de directe rouwgroep in de begrafenisstoet van stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz, waarin hij samen met Ruurd van Juckema Ernst Casimirs zoon Willem Frederik van Nassau-Dietz begeleidde.
Leven miniatuur|Jonker Sickinghe tot Warffum in de begrafenisstoet van Ernst Casimir van Nassau-Dietz Johan Sickinghe, telg van het Groningse adellijke regentengeslacht Sickinghe, werd geboren als zoon van jonker Feijo Sickinghe (1546-1579) en Oede Gaykinga. Zijn vader was landedelman en speelde als politicus een grote rol voor de onafhankelijkheid van de Ommelanden ten opzichte van de stad Groningen en het Spaanse bewind tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Feijo schoot zichzelf bij een noodlottig ongeval op 33-jarige leeftijd per ongeluk dood. Johan was toen 3 jaar oud. Sickinghe was een kleinzoon van de burgemeester van Groningen dr. Johan Sickinghe (1495-1572). Hij was daarnaast een volle neef van de Groningse humanist Johan Sickinghe (1602-1624).
Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Genève (1594) en de Universiteit van Padua (1596).
Sickinghe was eigenaar van een herenhuis in de stad Groningen dat tegenover het Artilleriehuis lag en dat tegen de stadsmuur was aangebouwd. Hij verkreeg bij het overlijden van zijn vader de rechten van de Warffumborg met de daar bijbehorende 70 hectare aan grond en de vele heerlijk- en gerechtigheden te Warffum, Breede, Usquert, Uithuizen, Den Andel, Warfhuizen, Zuidwolde, Adorp, 't Zandt, Leermens, Zeerijp en Eenum, alsmede omvangrijke landerijen onder Finsterwolde.
In januari 1633 nam Sickinghe in Leeuwarden deel aan de rouwstoet van de overleden stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz. Diens zoons Hendrik Casimir I en Willem Frederik volgden in de kern van de stoet achter de kist en werden ieder begeleid door een edelman uit Friesland en een uit Groningen. Hendrik Casimir werd geleid door Pieter van Eysinga en Julius van Meckema; achter hen volgde Willem Frederik, begeleid door de Friese jonker Ruurd van Juckema en de Ommelander jonker Johan Sickinghe. De officiële afgevaardigden van de stad Groningen en de Ommelanden liepen verderop in de stoet. Sickinghe vertegenwoordigde in de directe rouwgroep derhalve geen bestuurscollege, maar was daarin op persoonlijke titel opgenomen. In de uitvaartbeschrijving wordt hij uitsluitend aangeduid met zijn bezittingen en zijn hoedanigheid van „joncker ende hovelinck”. Zijn plaats naast Willem Frederik hield daarmee geen verband met een formele afvaardiging, maar met zijn eigen maatschappelijke rang en aanzien als Ommelander edelman.M.H.H. Engels (internetbewerking), ‘De uitvaart van Ernst Casimir, Leeuwarden, 3/13 januari 1633’ (2012). In de overgeleverde volgorde wordt Willem Frederik vermeld als begeleid door Ruurd van Juckema en Johan Sickinghe, terwijl de officiële afgevaardigden van de Ommelanden verderop afzonderlijk worden opgevoerd.Lidewij Nissen, ‘Staging the Nassau-Dietz Identity: Funerary Culture and Managing Succession at the Frisian Nassau Court in the Seventeenth Century’, The Court Historian 25 (2020), nr. 1, pp. 24–26. Nissen beschouwt de uitvaart als een zorgvuldig geënsceneerde dynastieke plechtigheid waarbij ook de politieke elites van Friesland en Groningen nauw waren betrokken.
Johan was protestant, maar kon zich kennelijk niet vinden in de strenge leer van de calvinisten. Hij ondertekende als jongeman in 1594 de akte van trouw aan de Unie van Utrecht, met uitzondering van de bepaling omtrent de godsdienst. Hij bezocht de provinciale landdagen trouw en werd in 1608 alsnog toegelaten als lid. Al in 1596 bracht hij samen met de nieuwe predikant de vergulde miskelk naar goudsmid Jurren Muntinck in Groningen, om die te laten omsmeden in een avondmaalsbeker.Register Feith, 1594, nr. 6. H.O. Feith, Register van het Archief van Groningen: Chronologisch Gedeelte, deel 3, Groningen 1855, p. 168. Vermoedelijk moest Sickinghe mee, omdat zijn voorouders de kelk hadden geschonken.Adolf Pathuis, Groninger Gedenkwaardigheden, Groningen 1977, nr. 3934. Ten minste in 1621 was hij lidmaat.Ledematen provincie Groningen: Warffum (geraadpleegd 20 december 2023).miniatuur|Albuminscriptie van Johan Sickinghe in het album amicorum van Homme van Harinxma thoe Slooten (1607-1663). Boven het wapen de spreuk En Dieu mon espoir (‘in God is mijn hoop’).De jaarlijkse inkomsten van Johan bedroegen ten minste 11.944,50 gulden. Dat zijn vermogen groot moet zijn geweest bleek wel uit de erfenis die de weduwe van zijn zoon jonckheer Feio Sickinghe (1610-1666) destijds ontving. Deze bedroeg 125.000 Carolusgulden. De dochter van Johan, Catharina Sickinghe (†1650), trouwde op 25 oktober 1642 met de jonker Schotto Tamminga van Bellingeweer; zoon van Onno Tamminga en Cecilia Beninga. Schotto kreeg 500 Carolusgulden per jaar uit de boedel van de vader van Catharina, genoemd de 'Edelen Erentfesten Jr. Johan Sickinghe.
Johan schreef in 1625 in het album amicorum van Homme van Harinxma thoe Slooten (1607-1663) en in datzelfde jaar in het album van Juw van Harinxma thoe Slooten (1607-).
Op 21 januari 1636 was Sickinghe getuige van Margareta Clant (1619-1642) bij haar huwelijk met de jonker Maurits Ripperda (ca.1604 - 1665)AlleGroningers, Familie Clant van Hanckema - Huwelijkscontracten, archiefnummer 498, aktenummer 498.
In 1643 raakte Sickinghe verwikkeld in een ingewikkelde juridische affaire rondom het eiland Rottumeroog. Het conflict liep zo hoog op dat de Gedeputeerde Staten, de Hoofdmannenkamer en zelfs de Staten-Generaal in Den Haag gedwongen werden zich met de zaak te bemoeien.
Huwelijk en nakomelingen miniatuur|Schilderij van de kleinzoon van Johan, Bocke van Burmania (1637 -1702). Rechtsboven de wapens Van Burmania-Sickinghe. Johan trouwde met Luts van Jongema (†1612) uit Wommels en samen kregen zij vier kinderen te weten: Feio Sickinghe (1610-1666), jonker en hoofdeling van Warffum, Breede, Usquert en Zuidwolde, Ommelander redger en politicus. Hij huwde Sophia van Echten tot Echten, telg uit het adellijke geslacht Van Echten. Zij was een dochter van Roelof van Echten, drost van Drenthe, en Anna Bentinck, afkomstig uit het adellijke geslacht Bentinck. Catharina (Cathrijne) Sickinghe (†1650) trad op 25 oktober 1642 in het huwelijk met jr. Schotto Tamminga, telg uit het adellijke geslacht Tamminga. Hij bekleedde het ambt van luitenant-president van de Hoofdmannenkamer (ook wel Hoge Justitiekamer genoemd). In de Sint-Joriskerk te Heumen hingen twee wapenborden met het wapen van de familie Sickinghe, verwijzend naar Catharina. Het ene wapenbord behoorde toe aan haar kleindochter Lucretia Louise baronesse van der Noot (1668–1744), afkomstig uit het adellijke geslacht Van der Noot. Het andere was van Lucretia’s zoon Walraad van Steenhuys jr. (†1718), telg uit het eveneens adellijke geslacht Van Steenhuys.A.G. Schulte, Het Rijk van Nijmegen, Westelijk gedeelde, Heumen, p. 162. (DBNL) Oede/Oedt Sickinghe (1611 - 30 september 1637 te Leens), maakster van een doek in filet techniek met daarop het Sickinghe wapen, in bezit van het Rijksmuseum Amsterdam, trouwde in 1634 met Poppo Bockes van Burmania (ca.1610-1638), telg uit het adellijke geslacht Van Burmania en kapitein en hofmeester van prins Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz. Anna Sickinghe (†1635), trouwde met Taco van Cammingha (1605/1606-1668), telg uit het adellijke geslacht Van Cammingha. Hij was heer van de Cammingha State en bekleedde het ambt van grietman van Wonseradeel.
Johan was grootvader van de jonkers Rudolph, Johan en Feio. Alle drie waren naast hun bestuurlijke functies militair geweest. Samen met hun broer Hindrik (1650-1682) stonden zij bekend om hun heldhaftige optredens bij het Gronings Ontzet en het Ontzet van Coevorden in 1672. Voor twee van zijn kleinzoons, waaronder Rudolph, stelde Johan de hoogleraar Johannes Mensinga (1635-1698) aan als gouverneur. Mensinga visiteerde de broers op de academiën te Heidelberg en Straatsburg.A. J. Van der AA, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende Levensbeschrijvingen van zoodanige Personen, die zich op eenigerlei wijze in ons Vaderland hebben vermaard gemaakt, voortgezet door K. J. R. van Harderwijk, en Dr. G. D. J. Schotel, Haarlem 1869, Twaalfde deel, Eerste stuk, p.610.
Dochter Oedt Sickinghe overleed na het baren van haar zoon Bocke van Burmania (1637-1702). Toen haar man Poppo Bockes van Burmania in 1638 overleed, kreeg Sickinghe de voogdij over hun zoon.
Als landedelman miniatuur|350x350px|Jonker Johan Sickinghe tot Warffum (1576–1652) begeleidt graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz in de begrafenisstoet van diens vader, stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz. Voor hen loopt Willems oudere broer, graaf Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz. Leeuwarden, 1633.miniatuur|De Warffumborg of Sickinghe-borg met het wapen van de familie Sickinghe, anno 1686 Sickinghe leefde als bewoner van de Warffumborg als landedelman. De borg had hij rond 1582 geërfd van zijn jong overleden vader Feijo Sickinghe (1546-1579).
Hij bezat en verhuurde zeker 500 hectare aan landerijen met aanwassen te Warffum, op 't Warffumer Uiterdijk, te Usquert, Uithuizermeeden, Zuidwolde, Tinallinge, Den Andel, Oostwold, Goldhoorn en 39 hemen (boerenerven) te Warffum en Zuidwolde. Daarnaast bezat hij een tichelwerk (steenfabriek) ten zuiden van Warffum en een tichelwerk te Goldhoorn (onder Finsterwolde).
In 1589 deed hij een grote goederenruil met het cisterciënzer-vrouwenklooster Yesse.Groninger Archieven, toegang 1360: Huis op de zuidelijke hoek Herestraat en Bruine Ruiterstraat, 1589-1834, inv.nr. 1: Aankomsttitel van twee huizen voor het klooster Essen (bij Groningen), 1589. De zusters zochten vanwege de vele oorlogen in de Ommelanden een veilige plek binnen de muren van de stad. De zusters kregen als refugium het Sickinghehuis op de zuidwestelijke hoek van het Zuiderdiep en de Herestraat dat al sinds de overgrootvader van Johan in familiebezit was. Johan ontving van het klooster meerdere rentebrieven, de rechten van een heer land ter grootte van 13,5 juk en stukken land in de kerspelen Brede, Warffum, Baflo en Den Andel ter grootte van 81 juk.