Jonker Rudolph of Roelof Sickinghe (Groningen, 12 september 1643 - Exeter, 1688), heer van Warffum, Breede, Usquert, Zuidwolde, Eenrum, Pieterburen en Westernieland, vijfde Sickinghe-heer van de Warffumborg, was een Nederlands militair, politicus, bestuurder en vertegenwoordiger van Groningen. Hij was van 1675 tot aan zijn dood eigenaar van het Nederlands Waddeneiland Rottumeroog. Sickinghe was curator van de Rijksuniversiteit Groningen, lid der Staten-Generaal, raadslid van de Admiraliteit van Friesland, lid van de Raad van State en bewindhebber bij de Kamer van de WIC in Groningen. Hij nam samen met zijn broers Johan en Feio als militair deel aan het Gronings Ontzet (1672) en het Ontzet van Coevorden (1672), en was mogelijk betrokken bij de verovering van Langakkerschans in 1673. Vanaf 1685 meldde hij zich als vrijwilliger in het Venetiaanse leger tegen de Ottomanen tijdens de Moreaanse Oorlog, en in 1688 vergezelde hij stadhouder Willem III van Oranje vrijwillig bij de overtocht naar Engeland tijdens de Glorious Revolution, waar hij later overleed.

Leven Sickinghe, telg van het adellijke geslacht Sickinghe, werd geboren als zoon van de jonkheer en hoofdeling te Warffum Feio Sickinghe (1610-1666) en Sophia van Echten (†1673). Hij was een kleinzoon van jonker Johan Sickinghe (1576-1652) en een oudere broer van de jonkers Johan en Feio.

Sickinghe studeerde aan de Universiteit Leiden (1660), de Hohe Schule te Herborn (1662)Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, Handelingen der jaarlijksche vergadering, Leiden 1885, Mededelingen gedaan in de vergaderingen van de maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden, 1885-1886, Nederlanders, Studenten te Herborn door J.G. Frederiks, p.177, (1662) nr. 174., de Ruprecht-Karls-universiteit in Heidelberg (1663) en de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn grootvader had de Groningse dichter en hoogleraar in welsprekendheid, geschiedenis en Grieks Johannes Mensinga als gouverneur voor Rudolph en zijn broer Peter aangesteld. Mensinga bezocht Rudolph op de academie te Heidelberg. In 1675 en 1676 was Sickinghe curator van de Rijksuniversiteit van Groningen.Willem Jozef Andries Jonckbloet, Gedenkboek der Hoogeschool te Groningen, ter gelegenheid van haar vijfde halve eeuwfeest, op last van den Akademischen Senaat, Groningen 1864, II. Naamlijst der Kuratoren, p. 171.miniatuur|Jr. Rudolf Sickinghe genoemd als lidmaat van Warffum in 1664Rudolph was protestants en ten minste vanaf 6 april 1664 lidmaat te Warffum.AlleGroningers, Doop- en trouwboek 1621-1705, archiefnummer 124, Doop-, trouw- en begraafboeken enz. in de provincie Groningen, inventarisnummer 498, blad 95, Gemeente: Kerkelijke gemeente Warffum, Periode: 1621-1705.Ledematen provincie Groningen: Warffum (geraadpleegd 23 januari 2024). In 1667 verscheen hij in zijn kwaliteit van jonker namens het dorp Warffum ter Statenvergadering van Stad en Lande te Groningen. Hij trouwde 16 maart 1673 met Amelia Clant van Nijenstein (1633-1695), telg uit het hoofdelingengeslacht Clant, te Warffum. Zij kregen geen kinderen. Op 1 april 1675 werden de rechten van het eiland Rottumeroog van de familie Tamminga overgedragen aan Rudolph en zijn vrouw.H.O. Feith, Register van het Archief van Groningen: Chronologisch Gedeelte, Volume 4, Groningen 1856, p.222.J. de Groot, G. Warnars, S. en J. Luchtmans, A. en P. Blussé, en V. van der Plaats, Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; Eenentwintigste Deels, Eerste stuk, Vervattende het vervolgd der beschrijving van Stad en Lande, Amsterdam, Leiden, Dord en Harlingen 1794, p. 399. (Delpher) Het eiland bleef jarenlang in hun privé-bezit. Bij het overlijden van zijn vrouw in 1695 werd het eiland verkocht aan Louis Trip en de jurist Michiel van Bolhuis (1644-1704). Rudolph woonde op de Warffumborg maar moest deze in 1683 wegens schulden verkopen aan de zakenman Louis Trip (1654-1698), lid van de familie Trip. De borg was 122 jaar (5 generaties lang) in familiebezit gebleven.

In 1677 ontving Rudolph een brief van stadhouder Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz met daarin het verzoek tot teruggave van de commissiegelden en pachtboeken.Groninger Archieven (493 Families van Bolhuis, Arkema en van Zeeburgh, 1603 - 1927), Stukken van persoonlijke aard, 1.1.03. Michiel van Bolhuis sr. (1644-1704), 1.1.03.2. Stukken betreffende het openbaar leven, 1.1.03.2.2. Rechter van Warffum, 15...472 Stukken betreffende rechten en eigendommen van de familie Sickinghe op Warffumborg, 15e-17e eeuw, nr. 24

Als politicus en bestuurder miniatuur|rechts|De landing van Willem III met een Nederlands leger in Engeland Volgens een scheidbrief uit het jaar 1667 blijkt dat Rudolph door zijn familie het 'staand' presidentschap van de Dijkrechters der kadijken van Warffum was toebedeeld.Copie van de consideratien door eenige gevolmagtigden van erf- en ingezetenen in de Ommelanden op den 18. October 1754. ... overgegeven an haer ed. mog. de h. heeren, wegens haar koninkl. hoogheid ter examinatie der zylvestenien en dyckrechten van de Ommelanden .., 1754, p. 101. (geraadpleegd 23 januari 2024). In 1682 verkocht hij dit presidentschap aan de heer Louis Trip (1654-1698), die het in 1701 weer aan de Ommelanden overdroeg.Mr. C. C. Geertsema, De Zijlvestenijen in de Groninger Ommelanden, Groningen 1879, p. 29 & 31.

In 1669 werd Sickinghe lid der Staten-Generaal. Op 22 maart 1678 werd hij door de heer Altingh geïntroduceerd bij de Raad van State.Uitreksel uit de Resolutiën van de Raad van State 1678, ad Roelof Sickinghe, Algemeen Rijksarchief 99. Pagina 152 verso, Vergadering Dijngsdag 22 marii 1678. 'Praesente Heeren: ... van Sickinga'. 'De heer Altingh gecommitteerde tot de Hoog Edel Verg. Ho Mo heeft geïntroduceert d'heer Roeloff Sickinga tot Warffumb om op de praesentatie van de provintie van Stadt en Ommelanden ter comparitie ter vergadering Hoog Ed. Mog. Collegie ende heeft vervolgens gemelten Ridder opgenomen ter fine van sessie.'

Op woensdag 9 oktober 1669 stond Sickinghe als mede-gedeputeerde vermeld bij een diplomatiek onderhoud met de Franse ambassadeur Pompone de Bellièvre (1606-1657) over dame de Brissacq de Rocquefueille; de kwestie werd daarop gesloten en de deputatie bedankt.Resoluties van de Staten-Generaal 1576-1796, resolutietype: ordinaris, propositietype: missive, woensdag 9 oktober 1669

In 1670 werden Sickinghe en enkele andere gedeputeerden (van Wijnbergen, Amerongen, Schrieck) door de Staten-Generaal naar Vlaanderen gestuurd om toezicht te houden op veranderingen in het magistraat aldaar. De Raad van State stelde hiertoe zowel een competente som geld als transport per jacht ter beschikking, zodat zij hun missie konden uitvoeren.Resoluties van de Staten-Generaal 1576-1796, resolutietype: ordinaris, propositietype: missive, vrijdag 6 juni 1670

Van 1671 tot 1679 was Sickinghe raadslid bij de Admiraliteit van Friesland te Harlingen. Na zijn laatste jaar bij de Admiraliteit werd hij in 1679 bewindhebber bij de kamer ter Stad en Lande van de West-Indische Compagnie in Groningen. Dit bleef hij tot 1683.

In 1688 vergezelde Sickinghe stadhouder Willem III van Oranje vrijwillig bij de overtocht naar Engeland tijdens de Glorious Revolution. Hij stierf in datzelfde jaar te Exeter en werd daar door de vrienden Bentinck met 'alle fatsoen op zijn soldaats begraven'.Montanus Haan Hettema, Arent van Halmael, Hendrik van Rijn, Stamboek van den Frieschen, vroegeren en lateren adel, volume 2, Leeuwarden 1846, p.110. Centraal Bureau voor Genealogie en Heraldiek, Genealogische en heraldische bladen Maandblad voor geslacht-, wapen- en zegelkunde, Volume 17, 's-Gravenhage 1905, p.313.

Brief van raadspensionaris Johan de Witt Op 5 november 1670 schreef de raadspensionaris Johan de Witt (1625-1672) een handgeschreven brief aan Rudolph, afgevaardigde der Staten-Generaal namens de provincie Stad en Lande en vertegenwoordiger van Groningen.H.O. Feith, Register van het Archief van Groningen: Chronologisch Gedeelte, Volume 4, Groningen 1856, p.208. De Witt had twee dagen eerder een brief gestuurd met daarin de vraag of Sickinghe naar Den Haag wilde komen om op Gaspar Fagel (1634-1688) als griffier van de Staten-Generaal van de Nederlanden te stemmen. Fagel gold als een steunpilaar van Johan de Witt en de functie van griffier was destijds de belangrijkste functie in de Republiek na de raadpensionaris. In de brief van 5 november liet De Witt aan Sickinghe weten dat de verkiezing inmiddels succesvol was afgerond, en dat Sickinghe zich – mede gezien het winterseizoen – de moeite van een reis naar Den Haag kon besparen. De Witt was Sickinghe zeer dankbaar voor zijn bereidheid om zijn stem uit te brengen en daarmee Holland – in de persoon van Fagel – te steunen. Als blijk van waardering gaf hij aan in de toekomst graag iets voor Sickinghe terug te willen doen.

Rol bij het beleg en ontzet van Groningen miniatuur|Prent van Het beleg van Groningen Op 27 mei 1672 kregen Reijnold Clinge, raadslid en syndicus van Groningen en Rudolph Sickinghe, jonker en heer van de Warffumborg, de opdracht om zich zo spoedig mogelijk richting Overijssel te begeven. Er bestonden destijds plannen om een dam en bruggen aan te leggen ter verdediging van de noordelijke provincies. Onderweg moesten Clinge en Sickinghe in Assen overleg voeren met secretaris Sichterman, of via Ruinen met de drost van Drenthe, om te bespreken of het werk haalbaar was en van nut kon zijn voor deze provincie en de aangrenzende gewesten. Daarna moesten zij richting Rouveen, Hasselt en Zwolle, om aldaar met de Gecommitteerden van Friesland te overleggen. Bij afwezigheid van laatstgenoemden moesten zij zich wenden tot de magistraten van Zwolle en Hasselt. Na een persoonlijke inspectie en overleg met eerder genoemde heren, dienden Clinge en Sickinghe te besluiten wat er nog gedaan moest worden. De provincie Groningen droeg 5000 gulden bij aan het project.Groninger Archieven, (2) Ommelander Archieven, 1558 - 1862, (1019) Register van resoluties en uitgegane brieven van de gecommitteerden tot de secrete zaken, 1672 jan 18 - 1676 jan 22, Bestandnaam: 0002_1019_0059.jpg, Volgnummer: 59 van 689

Clinge en Sickinghe moesten de provincie Groningen op de hoogste stellen van hun bevindingen en de toestand van het fort bij Roeveen beoordelen. Na het op de hoogste stelen moesten zij zich naar het leger of de Gecommitteerden in het veld begeven. Samen met de Gecommitteerden van Friesland moesten zij met alle mogelijke middelen vragen om militaire steun voor de verdediging van de provincie Groningen. In het geval het Staatse Leger zich zou ontbinden moesten Clinge en Sickinghe ervoor zorgen dat de Groningse regimenten weer richting Groningen zouden terugkeren, en niet richting andere steden of vestingen. Alles wat door Clinge en Sickinghe zou worden ondernomen of geregeld, werd door de stad Groningen als volledig bindend en rechtsgeldig bestempeld.

Op 30 mei 1672 werd in de middag aan de Gecommitteerden van Groningen een brief voorgelezen van Clinge en Sickinghe. Het verslag was door hen op 29 mei te Zwolle geschreven. Clinge en Sickinghe maakten in de brief kenbaar dat het volgens hen noodzakelijk en in het belang van het land was dat er een dam werd aangelegd in het Zwarte Water, en twee schipbruggen: één bij de Coevorder schans over de IJssel en de andere bij Hasselt over het Zwarte Water. Dit ter afsluiting van enkele toegangswegen en om sneller hulp te kunnen bieden aan zowel de provincie Friesland als Stad en Lande. De Gecommitteerden stemden in en het benodigde geld voor deze werken werd zo spoedig mogelijk namens de provincie Groningen, door de Gedeputeerden aan Zwolle overgemaakt.Groninger Archieven, (2) Ommelander Archieven, 1558 - 1862, (1019) Register van resoluties en uitgegane brieven van de gecommitteerden tot de secrete zaken, 1672 jan 18 - 1676 jan 22, Bestandnaam: 0002_1019_0062.jpg, Volgnummer: 62 van 689miniatuur|Prent van Het beleg van Groningen |links