Jonker Johan Sickinghe, ook wel Joan Hendrik Sickinghe of Jan Sickinga, (19 februari 1649 - 20 mei 1673) was een Nederlandse majoor en commandant der cavalerie. Hij maakte vanaf jonge leeftijd al snel carrière als militair in dienst van de Nederlandse Republiek. In het Rampjaar 1672 gaf hij ten tijde van het Gronings Ontzet leiding aan een deel van de ruiterwacht van de stad Groningen. Naast militaire acties kwam Johan ook in actie als onderhandelaar met de Staten van Friesland. Grote faam verkreeg hij echter door zijn rol bij het Ontzet van Coevorden in 1672. Samen met zijn broers Rudolph, Feio en Hindrick was hij een van de hoofdrolspelers bij het ontzet van deze stad; bedacht door Mijndert van der Thijnen en geleid door de luitenant-generaal Carl von Rabenhaupt. Bij dit ontzet was de destijds slechts 23 jaar oude Johan naast commandant van de cavalerie, ook aangewezen als commandant van een van de drie aanvallen. Hij was verantwoordelijk voor het verst gelegen bastion 'Overijssel'; de gewaagdste aanval van de hele operatie. Mede onder zijn leiding werd de stad binnen een uur ontzet. In de kronieken staat Johan Sickinghe vanwege zijn heldhaftige optredens bekend als de 'kloeckmoedigen Major Sickinga'. Hij werd 'een krijgsheld zonder weerga' genoemd.
Afkomst Sickinghe, telg uit het Groningse oud adellijke regentengeslacht Sickinghe, werd op 19 februari 1649 geboren als zoon van Feio Sickinghe (1610-1666), jonkheer en hoofdeling te Warffum en Sophia van Echten, dochter van de Roelof van Echten (1592-1643). Johan was een jongere broer van Rudolph en een oudere broer van Hindrik en Feio.
De zeer vermogende en invloedrijke landedelman, jonker Johan Sickinghe (1576-1652) was zijn grootvader. Johan zelf was op zijn beurt een oom van mr. Onno Sickinghe, burgemeester van de stad Groningen en drost der beide Oldambten.
Militaire loopbaan miniatuur|Een schilderij van het Ontzet van Coevorden in 1672
Beleg van Groningen Tijdens het beleg van Groningen in 1672 was Sickinghe ritmeester bij de Groningse ruiterij, die deel uitmaakte van het regiment van George Frederik van Nassau-Siegen. Samen met zijn broer Hindrik voerde hij het bevel over twee van de vier ruitercompagnieën; hun broer Rudolph diende eveneens als ritmeester.
Op 19 juli trok Sickinghe met enkele ruiters voor de Oosterpoort op om Münsterse ruiters uit een nabijgelegen bos te lokken. Toen zij de ruiters van Sickinghe achtervolgden, trokken deze terug richting de stad en kwamen de vijandelijke ruiters binnen het bereik van de verdedigende kanonnen.Wolters-Noordhoff, Groningen constant Groningen-Munster 1672, Wisconsin 1972, p. 55. miniatuur|Het beleg van Groningen in 1672, door Folkert Bock Op 21 juli sloegen de troepen van de bisschop voor de Stad het beleg op. De oudere broer van Johan, Rudolph, kreeg direct opdracht van de stad Groningen om zich samen met Geert de Mepsche richting Friesland te bewegen. Hier vroegen hij tevergeefs om versterking, de Friezen zagen het niet zitten. Via de Staten-Generaal lukte het Rudolph en Geert uiteindelijk wel om steun te krijgen; prins Willem III van Oranje zond troepen. miniatuur|Prent genaamd: De bestorming van Coevorden. Linksboven: De major Sickinga Twee dagen later, op 23 juli 1672 werd Johan zelf met een brief namens de stad Groningen richting de Staten van Friesland gezonden. De brief die hij bij zich droeg vangt aan met een groot dankwoord richting de Friezen. Vervolgens spreekt de stad Groningen over de penibele situatie waarin zij verkeerd. De Stad vertelt hoe zij door de bisschop van Münster tot overgave werd gedwongen. Maar in plaats daarvan delen zij mede dat zij de bisschop geantwoord hebben dat zij bereid zijn om, vertrouwend op hulp van de allerhoogste, de rechtvaardigheid van deze zaak en de steun van haar hoge bondgenoten, het geweld met moed, kruit en lood af te zullen slaan. In de brief verzochten de Groningers Friesland zo spoedig mogelijk een regiment van haar best getrainde soldaten via 'de' Zoutkamp richting de Stad te sturen. Daarnaast werd verzocht dat het grootste deel van de militie van Friesland richting de grenzen van het Westerkwartier zou marcheren. De stad Groningen werd graag op de hoogte gehouden en schreef dat zij voor overleg en strategie de jonker Johan Sickinghe, tevens de majoor die de brief zou overhandigen, richting de provincie Friesland had gestuurd. De stad verzocht de Friezen om Sickinghe het volledige vertrouwen te schenken, alsof het om de Stad zelf ging.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (403) 1672 jun 29 - 1673 nov 22, Bestandnaam: 0001_0403_0054.jpg, Volgnummer: 52-53 van 560
Een trompetter van ritmeester Sickinghe, die door de Staten van Stad en Lande naar Overijssel was gestuurd, rapporteerde dat op 9 juli ongeveer 8.000 Münsterse troepen, onderweg naar Peize, de lokale bevolking hadden beschoten en huizen hadden verwoest. Volgens het rapport zou de vijand, in combinatie met de troepen die hij in het Oldambt en bij Bourtange had, een aanzienlijk leger kunnen vormen en een grootschalig offensief in Friesland en de provincie Stad en Lande kunnen uitvoeren.Resoluties van de Staten-Generaal 1576-1796, resolutietype: secreet, propositietype: voordacht, maandag 25 juli 1672
Johan kwam tijdens het Gronings Ontzet samen met zijn broers nog vele malen in actie. Op 17 augustus, bijna een maand later, gaf de bisschop zijn beleg uiteindelijk op. Groningen had de belegering doorstaan.
Op 28 september 1672 doet de provincie Stad en Lande middels een brief haar beklag bij de Staten-Generaal. Dit naar aanleiding van de nieuwe militaire begroting die de provincie had gekregen. In deze begroting stond hoeveel troepen en betalingen elke provincie moest leveren voor het Staatse leger tot eind 1672. Stad en Lande was het oneens met een aantal dingen. Een van die dingen was dat de voetcompagnieën van kolonel en luitenant-generaal Carl von Rabenhaupt en de compagnie te paard van ritmeester Johan Sickinghe niet volledig waren ingezet, terwijl ze wel aan de Stad waren doorbelast. De compagnie van Sickinghe werd in de daaropvolgende briefwisselingen tussen Provincie en Staten meermaals genoemd. miniatuur|Johan Sickinghe (nr. 1) als commandant en aanvoerder van de cavalerie bij het Ontzet van Coevorden, uitgelicht (rode pijl) op een kaart van de Overwinningen van Carl von Rabenhaupt in Groningen, 1673
Ontzet van Coevorden Op 30 december 1672 voerde Sickinghe bij het Ontzet van Coevorden het bevel over de cavalerie en leidde hij de aanval op bastion Overijssel.Jacob Honig (Jz.Jr.), Meijndert Minnes van der Thijnen, of de Verovering van Coevorden in 1672, Amsterdam 1846, p. 193.
Na 1672 Op 17 januari 1673 stelde de vergadering van Stad en Lande voor om Johan Sickinghe te benoemen tot sergeant-majoor van het nieuwe regiment ruiters. Dit vanwege zijn vanwege zijn goede en getrouwe diensten.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (15) 1672 feb 21 - 1678 feb 7, Bestandnaam: 0001_0015_0135.jpg, Volgnummer:135 van 597 Op 12 maart 1673 werd de Raad van State verzocht om 'Joncker Johan Sickinghe', die eerder was verkozen tot ritmeester over een geworven ruitercompagnie, te voorzien van een passende aanstellingsakte (commissie) en hem daarnaast de bijbehorende eed af te laten leggen.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (403) 1672 jun 29 - 1673 nov 22, Bestandnaam: 0001_0403_0328.jpg, Volgnummer: 326 van 560
Doodgeschoten Niet lang na de verovering van Coevorden werd door de Staten van Stad en Lande melding gemaakt van een droevig voorval. Jonker Johan Sickinghe, majoor en ritmeester te paard, zou tussen Helpman en Haren, bij de 'Rondeboom', zijn doodgeschoten.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (403) 1672 jun 29 - 1673 nov 22, Bestandnaam: 0001_0403_0386.jpg, Volgnummer: 384 van 560 Deze ronde boom stond waarschijnlijk ter hoogte van de Verlengde Hereweg en de Esserweg.F.J. Bakker en R.W.M. van Schaik, Bedevaarten en heiligenvereringen in Groningen (1998), p. 16-17 miniatuur|Het 'droevige voorval' beschreven door de Staten van Stad en Lande De dader werd in het bericht van de Staten van Stad en Lande als volgt beschreven:Degene die verantwoordelijk werd gehouden voor de dood van Sickinghe werd dus beschreven als luitenant Hein — een Duitser van geboorte en taal. Groot van gestalte, gekleed in het zwart, met een bruinrood gezicht, een donkere blik en kort bruin haar.
In hetzelfde bericht kregen de commandanten van Coevorden, Winschoten, Bourtange, Stocksterhorn en Delfzijl de opdracht om Hein te arresteren. De commandant van de vesting Delfzijl kreeg specifiek de opdracht om drie soldaten onder leiding van een sergeant of korporaal naar Termunterzijl te sturen om, als Hein daar zou opduiken, hem te arresteren. Luitenant-generaal Carl von Rabenhaupt werd eveneens op de hoogte gebracht van het voorval. Hem werd gemeld dat alle commandanten de opdracht hadden gekregen om Hein zo spoedig mogelijk — op welke manier dan ook — op te sporen en te arresteren. Von Rabenhaupt werd verzocht om prins Willem Maurits van Nassau-Siegen in kennis te stellen, opdat de Prins gelijke maatregelen zou treffen in de grensstreek van Friesland om Hein daar eveneens te laten arresteren. miniatuur|Een Duits verslag uit 1673 van het Ontzet uit van Coevorden. Daarin genoemd 'der Rittmeister Sickinga, ein tapffrer Edelmann dieser Provins' (Rijksmuseum) Toen het lijk van Johan zijn ouderlijk huis, de Warffumborg, werd binnengedragen zou zijn moeder Sophia van Echten gezegd hebben: Beter doode Jan dan Bloode Jan.Erven B. van der Kamp, Groningsche Volksalmanak, Groningen 1892, deel mengelwerk, p.32
Op 20 mei 1673 kreeg luitenant Clant, die diende onder majoor Verruci, de opdracht om direct met enkele ruiters richting Haren en Drenthe te gaan. Hij moest Hein arresteren en zo snel mogelijk met hem terugkeren. Waar in eerdere berichten nog geen melding werd gemaakt van de toedracht spreekt men in deze opdracht van een duel dat zou hebben plaatsgevonden, waarbij Hein de ritmeester en majoor Sickinghe gedood zou hebben.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (135) 1672 mei 25 - 1674 jan 24, Bestandnaam: 0001_0135_0427.jpg, Volgnummer: 425 van 658
Op 2 juli 1673 worden 'de kapiteins Metstack en Tack en de luitenant Lottum' genoemd als seconden bij de ongelukkige ontmoeting van 'Jan Sickinge'.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (403) 1672 jun 29 - 1673 nov 22, Bestandnaam: 0001_0403_0455.jpg, Volgnummer: 453 van 560 Tussen augustus en september 1673 werd de Ontvanger-Generaal Christophori, naar aanleiding van een beraad, geïnstrueerd om de kapiteins van het Koninklijk Regiment, die als seconden (waarschijnlijk secondanten) betrokken waren bij het duel met wijlen Majoor Sickinghe, hun traktementen een maand in te houden. Verder werd besloten dat de zaak van het duel met de eerste zal worden afgehandeld. De Provinciale Advocaat werd belast met het verzamelen van informatie, die destijds 'uiterlijk aanstaande zaterdag' volledig afgerond moest zijn.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (135) 1672 mei 25 - 1674 jan 24, Bestandnaam: 0001_0135_0534.jpg, Volgnummer: 532 van 658
Eind februari 1674 werd Hendrick Sickinghe door de Heeren Staten van Stadt en Lande aangesteld als 'Majoor te Paarde' in plaats van zijn overleden broer.Groninger Archieven, (1) Staten van Stad en Lande, 1594 - 1798, (1502) 1662 jan 17 - 1674 feb 28, Bestandnaam: 0001_1502_0589.jpg, Volgnummer: 587 van 594
Johan Sickinghe (1649-1673) Categorie:17e-eeuws militair Categorie:Hollandse Oorlog Categorie:Geschiedenis van Coevorden Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 17e eeuw Categorie:Adel in de Nederlanden in de 17e eeuw