miniatuur|Repatriëring van Maorivoorouders van de VS naar Nieuw-Zeeland (2016) De term repatriëring (Engels: repatriation) wordt binnen de museologie gebruikt in discussies over het retourneren van menselijke resten in het algemeen en het retourneren van voorouderlijke resten en culturele objecten uit een koloniale context aan inheemse volkeren in het bijzonder.
De term wordt afwisselend gebruikt met termen als teruggave en restitutie. De drie termen hebben echter allemaal een specifieke connotatie. Repatriëring en teruggave zijn ethische concepten die tot de soft law worden gerekend, terwijl restitutie een juridisch concept is. Een uitzondering zijn de Verenigde Staten. Hier is repatriëring gedefinieerd in ‘hard law’. In 1989 werd daar de National Museum of the American Indian Act (NMAIA) aangenomen en in 1990 de Native American Graves Protection and Repatriation Act (NAGPRA). De wetten en ook de term repatriëring vloeiden voort uit debatten die in de jaren tachtig en negentig in de VS, maar ook in de andere zogenaamde 'settler colonial nation states' Australië, Nieuw-Zeeland en Canada werden gevoerd over het retourneren van objecten en voorouderlijke resten uit een koloniale context.
Bij repatriëring kan de repatriërende partij een land of instituut (bijv. een museum of universiteit) zijn en de ontvangende partij een land of een etnische groep.
Terminologie In het publiek debat over de omgang met stoffelijke resten van voorouders spelen terminologie en taalgebruik een belangrijke rol. Inheemse volkeren werden lange tijd als primitief gezien. Hun menselijkheid werd ontkend. Als gevolg hiervan werden hun stoffelijke resten als objecten beschouwd. Inmiddels zijn er binnen de museumwereld onder invloed van inheemse volkeren eerste stappen richting rehumanisering gezet om de individuen achter de voorouderlijke resten zichtbaar te maken. Dit wordt ook weerspiegeld in de terminologie. Binnen de Engelse context wordt de term human remains bijvoorbeeld toenemend vervangen door de begrippen ancestral remains (voorouderlijke resten) en ancestors (voorouders).
’These are not remains; they are far more than that. For us, the bones are alive, and they are still very much a part of our community. (…) We still have that sense of belonging, and this is still one of our valued ancestors.’
Ook in Duitsland wordt het equivalente begrip menschliche Überreste toenemend kritisch gezien. Progressieve instituten zoals de volkenkundige musea in de Duitse deelstaat Saksen geven inmiddels ook de voorkeur aan begrippen als Vorfahren (voorouders) en Menschen (mensen). In Nederland zijn de begrippen menselijke resten en voorouderlijke resten gangbaar.
Menselijke resten vs. culturele objecten miniatuur|Maori-oudste Hema Temara en de Keulse burgemeester Henriette Reker ondertekenen documenten voor de repatriëring van een toi moko (2018)
Bij de repatriëring van menselijke resten kan het gaan om gemummificeerde of gebalsemde lichamen of lichaamsdelen, complete skeletten, losse beenderen, schedels, huid, haar, tanden en organen. Een voorbeeld van gerepatrieerde voorouderlijke resten uit een koloniale context zijn twee getatoeëerde Maorihoofden (toi moko) die in 2018 en 2023 door het Rautenstrauch-Joest-Museum in Keulen resp. het Museum Wiesbaden in Wiesbaden werden teruggegeven. Beide toi moko werden in Duitsland aan een delegatie van Maori overhandigd en terug naar Nieuw-Zeeland gebracht.
Bij de repatriëring van culturele objecten aan inheemse volkeren gaat het hoofdzakelijk om ceremoniële, heilige of geheime objecten (Engels: ceremonial, sacred or secret objects). Deze maken onderdeel uit van de identiteit, spiritualiteit en taal van deze volkeren en van de wetten en traditionele kennis van het land (Engels: law and lore of the land). Al deze aspecten zijn verenigd in het ethisch concept van country, dat niets met eigendom te maken heeft, maar de diepe relatie van inheemse volkeren met het land uitdrukt en de hierdoor gevoelde plicht om ervoor te zorgen. Repatriëring omvat voor inheemse volkeren daarom meer dan alleen de fysieke teruggave. Zij beschouwen repatriëring als return to country en het herstellen van relaties die door het verwijderen van de objecten werden verbroken.
Historische context Door de expansiedrift van voormalige Europese mogendheden, zoals Spanje, Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, en de latere kolonisatie van gebieden over de hele wereld kwamen Europeanen voor het eerst in aanraking met inheemse volkeren en hun culturen. Deze werden als exotisch en primitief beschouwd, wat ze interessant maakte voor de wetenschap, de museumwereld en de amusementswereld.
Wetenschap en pseudowetenschap miniatuur|rechtop=0.6|Reclame voor de tentoonstelling van Saartjie Baartman Tijdens het koloniale tijdperk groeide de belangstelling van wetenschappers voor de fysieke en culturele aspecten van de mens. Dit leidde in de 19e eeuw tot de geboorte van de antropologie. Binnen deze tak van wetenschap ontstond het idee dat volkeren zich in verschillende stadia van ontwikkeling bevonden. Aanhangers van deze opvatting werden evolutionisten genoemd. Op basis van evolutionistische theorieën werden rassentheorieën ontwikkeld die als rechtvaardiging voor koloniale projecten werden gebruikt. Vooral artsen en antropologen uit het Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten begonnen ter onderbouwing van hun theorieën voorouderlijke resten uit de koloniën te verzamelen en te bestuderen. Enkelen van hen bouwden enorme collecties op. Zo bezat de Duitse arts en antropoloog Felix von Luschan aan het begin van de 20e eeuw ongeveer 6300 schedels. De Anatomy Human Remains Collection van de Universiteit van Edinburgh bestaat nog steeds uit duizenden menselijke resten uit ten minste 90 landen. De collecties boden valide antropologische inzichten, maar vormden ook de basis voor het ontstaan van pseudowetenschappen, zoals de frenologie.
Museumwereld De toenemende kennis over mens en natuur leidde tot een ware verzamelwoede onder wetenschappers. In eerste instantie betrof het vooral planten en dieren, maar aan het einde van de 19e eeuw kwamen daar ook culturele objecten en menselijke resten uit de koloniën bij. Overal in Europa ontstonden natuurhistorische en volkenkundige musea waar de verzamelingen werden getoond aan een breed publiek. In 1838 werd bijvoorbeeld het Museum Volkenkunde in Leiden geopend en in 1881 het Natural History Museum in Londen. Veel collecties werden in universiteitsmusea ondergebracht. Het Pitt Rivers Museum van de Universiteit van Oxford beschikt bijvoorbeeld over ruim 500.000 objecten en voorouderlijke resten uit de hele wereld.
Amusementswereld Van het begin van de 19e eeuw tot de eerste helft van de 20e eeuw vonden er overal in Europa etnologische tentoonstellingen plaats. In Duitsland waren de Völkerschauen van Carl Hagenbeck een begrip en ook in Engeland waren human zoos immens populair. In 1810 brachten twee mannen bijvoorbeeld de Khoisanvrouw Saartjie Baartman uit de Oost-Kaap onder valse voorwendselen naar Engeland, waar zij haar onder mensonterende omstandigheden tentoonstelden. De toeloop was enorm. In Delft vond in 1885 ter lering en vermaak een ‘voorstelling van de Australische Kanibalen’ plaats die onderdeel uitmaakte van een Europese tournee georganiseerd door de Canadese showman Robert A. Cunningham. De stoffelijke resten van Saartjie Baartman en de Biyaygirri-man Bob, een lid van Cunninghams groep, kwamen in Europese musea terecht en werden pas in 2002 respectievelijk 2019 gerepatrieerd.
Verzamelaars en handelaars miniatuur|rechtop=0.6|Rudolf Virchow Wetenschappers, particulieren en musea waren de belangrijkste verzamelaars van culturele objecten en menselijke resten. In Duitsland stonden de antropologen Rudolf Virchow en Felix von Luschan bekend om hun enorme collecties schedels en beenderen, in Frankrijk de antropoloog Paul Topinard. In Schotland bracht de anatoom William Turner grote hoeveelheden voorouderlijke resten bij elkaar gedurende zijn tijd als professor aan de Universiteit van Edinburgh. Een bekende particuliere verzamelaar was de Duitse groothandelaar Johan Cesar Godeffroy. Hij had een eigen collectie culturele objecten die hij in een privémuseum onderbracht. Zijn bedrijf handelde o.a. in koffie en wijn en beschikte over eigen schepen die vanuit de haven van Hamburg de hele wereld over zeilden en onderweg objecten voor hem meebrachten. Godeffroy verkocht ook schedels aan wetenschappelijke instituten en musea. Een deel van zijn collectie is tegenwoordig in het bezit van het Museum Volkenkunde in Leiden.
Leveranciers van de verzamelaars waren onder andere kolonisten, koloniale ambtenaren en militairen, leden van expedities en missionarissen. Veel culturele objecten werden niet eerlijk verkregen en het verzamelen van voorouderlijke resten gebeurde nagenoeg altijd op onrechtmatige en onethische wijze. Ze werden uit graven geroofd door zogenaamde bone collectors of uit lijkenhuizen ontvreemd door Europese artsen en wetenschappers ter plaatse en daarna verkocht of geschonken aan musea, instituten en particuliere verzamelaars. De Universiteit van Edinburgh beschikte bijvoorbeeld over een grote hoeveelheid menselijke resten die bijna volledig werd aangeleverd door de naar Zuid-Australië geëmigreerde Schotse arts William Ramsay Smith die ze meenam uit het mortuarium van het ziekenhuis waar hij werkte.
Enkele wetenschappers verzamelden tijdens wetenschappelijke expedities ook zelf menselijke resten. De invloedrijke Britse cultureel antropoloog Alfred Cort Haddon bezocht in de jaren tachtig en negentig van de 19e eeuw bijvoorbeeld de Straat Torreseilanden en bracht een grote hoeveelheid schedels mee die deels in de collectie van Glasgow Museums terechtkwamen. De handel in culturele objecten en voorouderlijke resten was zeer lucratief en daardoor voor veel Europeanen overzee een aantrekkelijke manier om geld te verdienen.
Repatriëringsdebat De oorsprong van het huidige repatriëringsdebat ligt ver terug. Al in de 19e eeuw deden inheemse volkeren eerste pogingen om verwijderde objecten en voorouderlijke resten terug te halen. In de Verenigde Staten vroegen de Onondaga in de huidige staat New York in 1897 vier gordels terug en de Hidatsa in North Dakota in 1930 een heilig altaar. In 1830 vroeg een Maori-opperhoofd van de Bay of Islands 14 toi moko’s terug die een Schotse schipper had verworven. Het opperhoofd reisde persoonlijke naar Sydney, waar de toenmalige gouverneur van New South Wales de import van toi moko’s verbood en bezitters maande deze terug te geven aan de nabestaanden. Ook de genoemde toi moko’s werden naar verluidt teruggegeven. De vroege pogingen om culturele objecten en voorouderlijke resten terug te halen, hadden slechts in een aantal gevallen succes en leidden niet tot een breder debat.
miniatuur|Pitt Rivers Museum in Oxford In navolging van de dekolonisatiegolf na de Tweede Wereldoorlog werd op internationaal niveau gesproken over restitutie van cultureel erfgoed. Dit leidde weliswaar tot de UNESCO-conventie inzake illegale handel in culturele goederen (UNESCO-verdrag) van 1970, maar omdat het verdrag geen terugwerkende kracht had, was het niet van toepassing op objecten en menselijke resten uit een koloniale context. Überhaupt ging het verdrag alleen over culturele objecten.