Jonker Peter (ook: Pieter) Sickinghe (genoemd 1562 - 1578) was een Nederlands edelman, militair en politicus. Hij was heer van Zuidwolde en leefde op borg Beyum. Sickinghe was olderman, drossaard en kapitein van de Friese stad Harlingen en grietman van de Friese grietenij Barradeel.

Hij was politiek vertegenwoordiger van de Groningse Ommelanden en een der ondertekenaren van de Unie van Brussel op 9 januari 1577. Als drossaard van het 'huis van Harlingen' ontving hij op 16 mei 1577 Margaretha van der Mark, gravin van Arenberg, voor een overnachting op het kasteel van de stad. Margaretha was echtgenote van Jan van Ligne, baron van Barbençon in het graafschap Henegouwen en stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel.

Leven Peter (van) Sickinghe, telg uit het Groningse adellijke regentengeslacht Sickinghe, werd ca. 1530-1540 geboren als zoon van de Groningse burgemeester dr. Johan Sickinghe (1495-1572) en Anna Gysens (Chiesens). De jonkers Feijo Sickinghe (1546-1579) en Harmen Sickinghe (overl. vóór 1606) waren zijn broers. Hun vader Johan was naast burgemeester en hoofdman van de stad Groningen, vertegenwoordiger van de Heerlijkheid Groningen bij de troonsafstand van keizer Karel V op 25 oktober 1555 in het Paleis op de Koudenberg te Brussel. Hij legde aldaar de eed af aan Philips II als heer van de Nederlanden.

Hij was een kleinzoon van Peter Sickinghe, raadsheer en burgemeester van de stad Groningen. Zijn grootvader was vertegenwoordiger van de stad Groningen tijdens de Saksische Vete. Zelf was Peter een oom van de landedelman Johan Sickinghe (1576-1652).

Sickinghe was heer van Zuidwolde. Hij trouwde met Bauw van Isselmuden, telg uit het Overijsselse adellijke geslacht Van Isselmuden, met wie hij geen kinderen kreeg.

In 1563 verkopen Jurgen Jarges en zijn vrouw Anna drie grazen land te Zuidwolde aan Sickinghe en zijn vrouw. Op 26 November 1571 trad Sickinghe namens zijn vrouw op bij de scheiding van huizen, hoven, landerijen en heerlijkheden tussen zijn vrouw, Erenst van Iselmuden, de vrouw Hindrick van Iselmuden en de broers Coert, Hindrick, Hermen, Wigbolt en Claes.Groninger Archieven, toegang 619 (Borg Farmsum, 1246 - 1912), regest 500, Coert, Hindrick, Hermen, Wigbolt, Claes en Erenst van Iselmuden, gebroederen, Peter Sickinghe vanwege Bawe van Iselmuden zijne huisvrouw....,1571 November 26.

Hij erfde van zijn vader het huis te Beyum (Sickinghe) ’binnen de brugge’ met grachten, hoven en singel voor 600 emder gulden.Wiebe Jannes Formsma, R. A. Luitjens-Dijkveld Stol, A. Pathuis, De Ommelander Borgen en Steenhuizen, de University of Virginia 2009, p.543.Harm Hillinga, De borg Beyum of Sickinge, Nazatendevries, Hoogeveen 2019. Geraadpleegd op 21 december 2023. Na zijn eigen overlijden in 1578 krijgen zijn broer Harmen Sickinghe (overl. vóór 1606) en diens vrouw Beele Clant, telg uit het jonkers en hoofdelingen geslacht Clant, de borg in handen. Een stuk uit 1578 laat een inventaris zien van de 'ammunitie en proviand, die Hendrick van Oyenbrugge, drost van Harlingen, heeft overgenomen van de erfgenamen van zijn voorganger, Peter van Sickinge.'Fries Archiefnet, Staten van Friesland voor 1580, 1529 - 1580, III Archief van Gedeputeerde Staten van Friesland, III.B Stukken van verschillende aard, III.B.16 Blokhuizen, 970.

Sickinghe overleed in 1578. Vier jaar later, op 17 oktober 1582, werd zijn weduwe Bauwe van Isselmuden betrokken in een rechtszaak over de betaling van ingekwartierde ruiters, waarbij zij door de rechter aanvankelijk werd veroordeeld een eed af te leggen dat haar geen vergoeding was beloofd; dit vonnis werd later door de gerichts­kamer ongedaan gemaakt.Register van het Archief van Groningen, H.O. Feith, Chronologisch gedeelte, 1578-1830, derde deel, Groningen 1855, p. 57, regest 35.

Als Ommelander edelman en vertegenwoordiger miniatuur|Huis te Beyum met het wapen van de familie Sickinghe Peter Sickinghe was, in tegenstelling tot zijn vader dr. Johan, samen met zijn broers Harmen Sickinghe en Feijo Sickinghe een groot tegenstander van de stad Groningen. Zij vonden de druk die de Stad op de Ommelanden uitoefenden onevenredig hoog. Sickinghe diende daarom in maart 1571 met twee andere Ommelanders bij de centrale regering te Brussel een smeekschrift in, waarin over de onderdrukking door de stad geklaagd werd. De stadssyndicus G. Westendorp, die het antwoord van de stad moest opstellen, schreef teleurgesteld op de keerzijde van het stuk: Nota dat deese supplicatie tho Hove overgegeven is gewest door Peter Sickinga, borgemester Johan Sickinga sone. Uit datzelfde jaar stamt een akte met als inhoud: 'Akte van volmacht van de Staten der Ommelanden voor Johan de Mepsche op den Ham, Peter Sickinge en dr. Peter van Zijl om Alva een verklaring over te leggen, dat de ordonnantie op de criminele justitie strijdig is met de privileges'.Groninger Archieven, toegang 2 (Ommelander Archieven, 1558 - 1862), inv.nr. 156, Akte van volmacht van de Staten der Ommelanden voor Johan de Mepsche op den Ham, Peter Sickinge en dr. Peter van Zijl om Alva een verklaring over te leggen, dat de ordonnantie op de criminele justitie strijdig is met de privileges, d.a. 1571. Gelijkt. afschrift.

Bij de Unie van Brussel (1577) In de herfst van 1576 werden Stad en Ommelanden geconfronteerd met de politieke omwenteling in het Zuiden. De Staten van Brabant gingen gebukt onder de muitende Spaanse soldaten op hun gewest en riepen in september 1576 zelf de Staten-Generaal bijeen. De kans dat het Noorden hieraan mee zou doen werd echter klein geacht aangezien de koningsgezinde Portugese stadhouder van Friesland en Groningen, Caspar de Robles (1527-1585), de teugels daar strak hield. Herhaaldelijk negeerde of verduisterde hij de oproepingsbrieven van de zuidelijke gewesten. Het duurde niet lang voor de Ommelanders lucht kregen van de verduisterde brieven die mede aan hen gericht waren. In eerste instantie ontkende de Robles maar niet veel later moest hij toch toegeven dat er een brief was binnengekomen met het verzoek aan de Ommelander Staten om afgevaardigden naar Brussel te zenden.Fokko Ubertus Ros M.H.M., Rennenberg en de Groningse Malcontenten, Nijmegen 1964, p.11-17.

Bij de Pacificatie van Gent in 1576 waren de gewesten Friesland en Groningen onder de Robles niet vertegenwoordigd geweest en op 20 oktober werd dan ook een brief verzonden, direct aan Robles gericht, met daarin de oproep onmiddellijke vertegenwoordiging vanuit de Staten van Friesland en Groningen te zenden. De Brusselaar Francois Marini Stella werd vanuit het Zuiden naar Groningen gestuurd, de Robles zijn verblijfplaats, om de aansluiting van de noordelijke gewesten bij de pacificatie te bevorderen. Bij aankomst werd hij direct gevangengenomen door de Robles. Stella wist echter de soldaten die hem gevangen hielden achter zich te krijgen en liet de Robles gevangennemen.miniatuur|320x320px|De handtekening van Peter Sickinghe (rode cirkel) op het derde blad van de Unie van Brussel (1577) te midden van de handtekeningen van Lambert van Starckenborgh (links) en Eysso Jarges (rechts)|links Nu de Robles geen invloed meer had op het besluit om afgevaardigden te sturen begon de onenigheid tussen Stad en Ommelanden. Groningen stond voor een dilemma. Bleven zij loyaal aan de Spaanse majesteit of gebruikten zij dit moment om onder het strenge Spaanse juk vandaan te komen. Uiteindelijk besloot de stad slechts een stadsbode te sturen met een intentioneel vage brief. Mensen in Stad en Ommelanden waren alles behalve tevreden met deze zwakke opstelling. In de Stad was men bang voor muitende soldaten en hoopte men op een verlichting van de drukkende lasten. Bij de Ommelanders was men bang dat het gewest geïsoleerd zou raken als het niet snel afgevaardigden zou sturen naar het nieuwe bewind in Brussel. Na herhaaldelijk aandringen door de Raad van State gingen Stad en Ommelanden met elkaar in overleg. De stad bleef, tot irritatie van de Ommelanders, het besluit echter voor zich uit schuiven. Er werd een gezamenlijke raad opgesteld die uitsprak geen afgevaardigden te sturen omdat de pacificatie toch al getekend zou zijn. Terwijl de kopie van deze te zenden brief gemaakt werd, kwamen de Ommelanden met de mededeling dat ze besloten hadden om zelf afgevaardigden te sturen.

De raad voelde zich bedrogen maar kon niet voorkomen dat op 7 december 1576 de heren Hermannus Dockum, Lambert van Starckenborgh, Peter Sickinghe en Eysso Jarges naar Brussel vertrokken. Hier ondertekenden zij op 9 januari 1577 namens de Ommelanden voor de Unie van Brussel.Unie van Brussel (1577), Unión de Bruselas. Union de Bruxelles, Union of Brussels, ondertekenaars, Ommelanden. Geraadpleegd op 21 december 2023.mr. J.C de Jonge, De Unie van Brussel en Bijvoegselen en verbeteringen op de Unie van Brussel des jaars 1577, p.160, no. 202, Peter Syckynghe. De stad Groningen besloot na veel consternatie uiteindelijk zelf geen afgevaardigden meer te sturen.

Als grietman van Barradeel miniatuur|rechts|Het blokhuis te Harlingen De Spanjaard Hernando de Bustamante werd in 1575 door de stadhouder Caspar de Robles benoemd tot grietman van Barradeel. Hij werd echter zeer gehaat door de bevolking, in 1576 gevanggenomen en naar Maastricht gebracht. In datzelfde jaar werd de stadhouder de Robles gevangengenomen door zijn eigen soldaten. Op voordracht van Willem van Oranje werd de graaf van Rennenberg George van Lalaing (1536-1581) in 1576 benoemd tot stadhouder van de noordelijke gewesten. Op 20 april 1577 april werd Peter Sickinghe als opvolger van de Bustamente aangesteld als grietman van Barradeel.Naamlijst der grietslieden en secretarissen in Vriesland, van de vroegste tijden, tot op het tegenwoordige; met de jaare van aanstellinge. In rang der grietenien, Leeuwarden 1785, p. 31. Naar aanleiding van het overlijden van Peter Sickinghe in 1578 werd de Spaansgezinde Hendrik van Oyenbrugge aangesteld als Grietman.Wiebe Bergsma, Tussen Gideonsbende en publieke kerk, een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland 1580-1650, Leeuwarden, Fryske Akademy 1999. p. 496, bijlage 2.

Als kapitein en drost van Harlingen Sickinghe was in 1577 en 1578 olderman van de stad HarlingenHarlingen, stadsbestuur tot 1814, getypte versie (Tresoar/Rijksarchief in Friesland LzBibl 155) van ir. F.E. van Ruyven's handschrift. Geraadpleegd op 29 december 2023. en kapitein en drossaard op het kasteel te Harlingen.Gerhardi Dumbar, Reipublicae Daventriensi ab actis, Analecta, seu Vetera aliquot scripta inedita, ab ipso publici juris facta, Davintrae 1727 (1919), volume 1, p. 26 (memorien). Hij was al zeker voor 23 februari aangesteld als tijdelijk drost. De stadhouder Rennenberg had hem destijds persoonlijk aangedragen. Toen de periode van de vorige drost afliep schreef de Staatsraad op 5 maart dat ze al iemand in gedachten hadden als opvolger. De voorkeurskandidaat was Willen van Doetinchem. Maar op verzoek van de nieuwe stadhouder Rennenberg kreeg de heer van Zuidwolde, Peter Sickinghe, die in 1576 als Ommelander afgevaardigde naar de Staten-Generaal was gekomen, de post.Mr. A.J. Andrea, Nalezing op de nieuwe naamlijst van grietmannen, Leeuwarden 1893, p. 77.Heinsius Colums, Het Kasteel van Harlingen, Tijdlijn. Geraadpleegd op 21 december 2023. In zijn rol als drost van Harlingen ontving hij op 15 mei 1577 een brief van Margaretha van der Mark (1527-1599), gravin van Arenberg en echtgenote van Jan van Ligne (1525-1568), baron van Barbençon in het graafschap Henegouwen, met daarin het bericht dat zij de volgende nacht op het kasteel van Harlingen kwam logeren.H.O. Feith, Register van het Archief van Groningen, Chronologisch Gedeelte, Volume 2, Groningen 1854. p. 391.