Elmyr de Hory (geboren Elemér Albert Hoffmann, 14 april 1906, Boedapest – 11 december 1976, Ibiza) was een schilder en kunstvervalser, die naar verluidt meer dan duizend kunstvervalsingen heeft verkocht aan gerenommeerde kunstgalerijen over de hele wereld. Zijn vervalsingen werden bekend door het boek Fake (1969) van Clifford Irving en een documentaire-essayfilm geregisseerd door Orson Welles, F for Fake (1974), waarin Irving ook een hoofdrol vervult.

Jeugd en opleiding De Hory werd geboren als Elemér Albert Hoffmann op 14 april 1906. Volgens een kennis, Fernand Legros, zou hij echter op 14 april 1905 in Boedapest (Hongarije) zijn geboren, maar had hij zijn geboortedatum later aangepast naar 1914 om zijn werkelijke leeftijd te verbergen.Peyrefitte, R., "Tableaux de Chasse", pp. 232–233, Albin Michel, Paris, 1976, Zijn beide ouders waren joods. Het beroep van zijn vader werd omschreven als 'groothandelaar in handgemaakte goederen'.

Volgens de biografie van Clifford Irving gingen De Hory's ouders scheiden toen hij 16 was. Dit bleek echter ook onwaar te zijn.Research done in 2011 by Mark Forgy, Colette Loll, Dr. Jeff Taylor, and Andrea Megyes dispelled some of the long-standing myths surrounding de Hory, most notably definitively establishing his true identity from marriage and birth records at the Association of Jewish Communities in Budapest. An updated account of de Hory's life appears in Mark Forgy's memoir The Forger's Apprentice: Life with the World's Most Notorious Artist. De Hory zelf beweerde dat hij in een aristocratisch gezin was geboren en dat zijn vader een Oostenrijks-Hongaarse ambassadeur was en zijn moeder uit een familie van bankiers kwam.Most of the information regarding de Hory's early life comes from what he told American writer Clifford Irving, who wrote the first biography about him. Since de Hory's success was reliant upon his skills of deception and invention, it would be difficult to take the facts that he told about his own life at face value, as Clifford Irving himself admitted. Later onderzoek toonde echter aan dat hij uit een middenklassengezin kwam.

Op 16-jarige leeftijd begon De Hory aan een formele kunstopleiding in de kunstenaarskolonie Nagybánya (Baia Mare in hedendaags Roemenië). Twee jaar later vervolgde hij zijn studie aan de Akademie Heinmann in München, waar hij zich richtte op klassieke schilderkunst. In 1926 verhuisde hij naar Parijs en schreef hij zich in aan de Académie de la Grande Chaumière, waar hij in de leer ging bij Fernand Léger. Tegen de tijd dat hij in 1928 zijn traditionele opleiding in Parijs afrondde, was zijn aandacht van de figuratieve kunst afgedwaald en werd hij bevangen door het fauvisme, het expressionisme, het kubisme en andere niet-traditionele stromingen. Dit zorgde ervoor dat zijn kunst passé leek en zodoende uit de pas liep met de opkomende smaak van het publiek. De economische gevolgen van de Grote Depressie legden daarbij ook een domper op zijn ambities en vooruitzichten.

Nieuw bewijsmateriaal (politiedossiers van Genève) duidt op aanklachten en arrestaties van Elmyr de Hory voor kleine misdaden eind jaren 20 en 30. Een mogelijke reden voor het begaan van deze misdrijven had kunnen zijn dat hij met enkel het verkopen van kunst niet langer in zijn onderhoud kon voorzien.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keerde De Hory terug naar Hongarije. Kort hierna raakte hij bevriend met een Britse journalist en vermoedelijke spion, wat ertoe leidde dat hij enige tijd in een Transsylvanische gevangenis voor politieke dissidenten terecht kwam. Tijdens zijn gevangenschap raakte De Hory bevriend met de kampofficier, van wie hij een portret mocht schilderen. Later tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd hij weer vrijgelaten.Most of the information regarding de Hory's early life comes from what he told American writer Clifford Irving, who wrote the first biography about him. Since de Hory's success was reliant upon his skills of deception and invention, it would be difficult to take the facts that he told about his own life at face value, as Clifford Irving himself admitted.

Binnen een jaar werd De Hory echter opnieuw opgesloten in een Duits concentratiekamp, vanwege zijn joodse afkomst en homoseksualiteit.Most of the information regarding de Hory's early life comes from what he told American writer Clifford Irving, who wrote the first biography about him. Since de Hory's success was reliant upon his skills of deception and invention, it would be difficult to take the facts that he told about his own life at face value, as Clifford Irving himself admitted. Verder onderzoek naar zijn verleden opperde dat hij ooit als calvinist werd gedoopt. Een dergelijk feit weerhield de naziregering er niet van om joden alsnog te arresteren en uiteindelijk om het leven te brengen.Research done in 2011 by Mark Forgy, Colette Loll, Dr. Jeff Taylor, and Andrea Megyes dispelled some of the long-standing myths surrounding de Hory, most notably definitively establishing his true identity from marriage and birth records at the Association of Jewish Communities in Budapest. An updated account of de Hory's life appears in Mark Forgy's memoir The Forger's Apprentice: Life with the World's Most Notorious Artist. De Hory werd zwaar mishandeld en overgebracht naar een gevangenisziekenhuis in Berlijn, waaruit hij wist te ontsnappen. Hij keerde terug naar Hongarije en naar eigen zeggen hoorde hij daar dat zijn ouders waren vermoord en dat hun bezittingen in beslag waren genomen. Opmerkelijk genoeg stelde biograaf Mark Forgy dat zowel zijn moeder als zijn broer werden vermeld als overlevenden van de Holocaust.

Het leven als vervalser Toen De Hory na de oorlog in Parijs aankwam, probeerde hij zijn geld te verdienen als kunstenaar. Hij bleek een opvallend vermogen te hebben om de stijlen van bekende schilders te imiteren. In 1946 verkocht hij een pentekening aan een Britse vrouw die de tekening aanzag voor een origineel werk van Picasso. Naar zijn mening zou het feit dat zijn kopers iets moois kregen voor een even mooie prijs hem verlossing bieden van zijn akelige situatie. Hij begon zijn zogenaamde ''Picasso's" te verkopen aan kunstgalerieën in de rondom Parijs, met het verhaal dat hij een ontheemde Hongaarse aristocraat zou zijn en dat de kunstwerken afkomstig waren uit de collectie van zijn familie. Soms beweerde hij zelfs dat hij de kunstwerken rechtstreeks van de kunstenaar had verworven, die hij tijdens zijn carrière in Parijs persoonlijk had gekend.

Datzelfde jaar ging De Hory een partnerschap aan met Jacques Chamberlin, die dienst zou doen als zijn kunsthandelaar. Ze reisden samen door Europa totdat De Hory ontdekte dat Chamberlin, hoewel ze de winst gelijk moesten delen, het grootste deel van de winst voor zichzelf hield. De Hory beëindigde de relatie en hervatte de verkoop van zijn vervalsingen.

Na een succesvolle verkoop van tekeningen in Zweden vertrok hij in 1947 naar Rio de Janeiro. Daar kon hij enige tijd leven van de opbrengsten van zijn vervalsingen. De verbeterde omstandigheden boden hem de ruimte om zijn eigen werk te hervatten. De verkoop van zijn portretten, landschappen en stillevens in zijn eigen avant-gardistische stijl brachten echter niet zoveel geld binnen als waaraan hij gewend was geraakt.

In augustus 1947 reisde De Hory met een visum voor drie maanden naar de Verenigde Staten, waar hij besloot te blijven. Gedurende de twaalf maanden die volgden, bewoog hij zich tussen New York, Los Angeles, Miami en Chicago. De Hory breidde zijn vervalsingen uit met werken in de stijl van Henri Matisse, Amedeo Modigliani en Pierre-Auguste Renoir. Toen enkele galerijen achterdochtig begonnen te worden, begon hij met het gebruik van pseudoniemen. Om direct contact te omzeilen begon hij zijn werken per postorder te verkopen. Enkele pseudoniemen van De Hory waren Louis Cassou, Joseph Dory, Joseph Dory-Boutin, Elmyr Herzog, Elmyr Hoffman en E. Raynal (Fernand Legros voegde aan deze lijst de volgende valse namen toe: Elmer Hoffman, Elementer alias Hofman, baron de Hory, Haury, Hury or Rush, Hory, baron Raynal, Raynor, Raynol of Rainol, comte de Herzog, baron de Boughady, von Bonhyday, Boundjy, Elmyr Lazlo, Dauray, Dory, Boutin, Dory-Boutin, Cassou Robert of Cassou Charles, Louis Curiel of Curiel Charles).

De Hory's voorspoed kwam wederom tot een stilstand toen hij zijn 'Matisse-tekeningen' verkocht aan het Fogg museum, geaffilieerd aan de Harvard-universiteit. Kort hierop bood hij een "Modigliani" en een "Renoir" tekening uit zijn verzameling aan. Een oplettende curator merkte stilistische overeenkomsten op tussen de drie vervalsingen en weigerde daarna dan ook elk aanbod. Vervolgens nam de curator contact op met andere instellingen en galerieën, met de vraag of zij kunstwerken van E. Raynal (zijn pseudoniem toentertijd) kenden of hadden gekocht. De Amerikaanse kunstwereld was nu op de hoogte van deze verzamelaar en verkoper waardoor het hem nagenoeg onmogelijk werd om hier nog zaken te doen.

Vervalsing als business In 1955 verkocht De Hory verschillende vervalsingen aan de kunsthandelaar Joseph W. Faulkner te Chicago. Toen Faulkner ontdekte dat het geen originele werken waren, diende hij een aanklacht in tegen De Hory, wat leidde tot een federale rechtszaak wegens post- en telefoonfraude. De Hory verhuisde daarop naar Mexico waar hij kort werd vastgehouden voor een politieverhoor vanwege zijn connectie met een verdachte van een moord, die De Hory beweerde nooit te hebben ontmoet. Toen de Mexicaanse politie hem probeerde af te persen, beriep De Hory zich op zijn recht op een advocaat die hem net eveneens probeerde geld afhandig te maken door exorbitante juridische kosten in rekening te brengen. De Hory betaalde de advocaat met een van zijn vervalsingen en keerde terug naar de Verenigde Staten.

Hier ontdekte De Hory dat zijn schilderijen bij verschillende kunstgalerijen hoge prijzen opbrachten, terwijl hij er slechts een fractie van ontving. Zijn vervalsingen zouden in totaal voor meer dan $50 miljoen zijn verkocht. Tegen die tijd waren zijn werken herkend als vervalsingen, wat hem een plek op de lijst van de FBI bezorgde. Zodoende zette De Hory wederom zijn vervalsingen op pauze en begon hij aan zijn eigen werken. Zoals eerder kwam hij hierdoor in financiële problemen en leefde hij een ascetisch bestaan in een goedkoop appartement nabij Pershing Square, Los Angeles. Hier had hij maar weinig succes. Hij verkocht voornamelijk schilderijen van roze poedels aan binnenhuisarchitecten. Na een periode van grote onvrede besloot hij terug te keren naar de oostkust en zich weer te richten op zijn illegale praktijken. In Washington D.C. begon De Hory een samenwerking met een fotohandelaar.

In 1959 probeerde hij zelfmoord te plegen door een overdosis slaappillen in te nemen. Hij werd echter op tijd gevonden door een vriend. Na een verblijf in het ziekenhuis herstelde De Hory. Hij werd geholpen door een jonge ondernemer, Fernand Legros . Legros' verslag van zijn samenwerking met De Hory wijkt sterk af van dat van De Hory zelf. Volgens Legros was De Hory een agressieve en gedreven oplichter; iemand die Legros in de waan liet dat hij een behoeftige aristocraat is die alle liefdadigheid van Legros verdiende, terwijl hij in werkelijkheid door Interpol werd gezocht onder een groot aantal verschillende aliassen en is veroordeeld voor een verscheidenheid aan misdaden, zoals vervalsing en fraude. De Hory is in deze tijd slachtoffer van vervolgingen, veroordelingen en uitzettingen uit Frankrijk, Zwitserland, Italië, Duitsland, Groot-Brittannië, Mexico, de Verenigde Staten en Canada, wegens het uitschrijven van valse cheques, het vervalsen van cheques, het plegen van vervalsing, het gebruik van een valse naam, diefstal, ontvangst en verstrekking van gestolen goederen, en verduistering.