Jhr. Pieter Feijo Onno Sickinghe (ook geschreven als Pieter Feyo Onno Sickinghe; Groningen, 5 februari 1824 – 's-Gravenhage, 8 augustus 1885) was een Nederlandse officier der infanterie, page van koning Willem II en officier bij het departement van Oorlog. Bij zijn pensionering in 1874 werd hem de rang van luitenant-kolonel toegekend. Na zijn militaire loopbaan vervulde hij verschillende maatschappelijke en bestuurlijke functies. Daarnaast onderscheidde hij zich als scherpschutter bij militaire schietwedstrijden.

Biografie miniatuur|Vooraanzicht van Janskerkhof 2 in de binnenstad van Utrecht Sickinghe, telg uit het Groningse oud-adellijke regentengeslacht Sickinghe, werd geboren als zoon van jhr. mr. Onno Joost Sickinghe, rechter en politicus in de provincie Groningen, en Veronica Petronella van Orsoy (1780-1846). Zijn grootvader was jhr. mr. Pieter Rembt Sickinghe, rechter, lid van het Wetgevend Lichaam van het Bataafs Gemenebest en drost van het Hunsingokwartier.

Omstreeks 1880 woonde Sickinghe aan het Janskerkhof 2 te Utrecht.Het Nieuws van den Dag, nr. 3058, Manufacturen, 16 februari 1880 (Delpher). In april 1883 verhuisde hij met zijn echtgenote naar Den Haag.

Sickinghe overleed daar op 8 augustus 1885 op 61-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.Broese & Comp, De Militaire Spectator, vierde serie, tiende deel (54e jaargang), Breda 1885, bijlage X: overleden gepensioneerden. Hij werd in Utrecht begraven.

Militaire loopbaan miniatuur|Tekening van jhr. Pieter Feijo Onno Sickinghe als cadet aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda

Sickinghe begon zijn militaire opleiding als aspirant-page. Op 15 juni 1839 werd hij benoemd tot cadet voor het wapen der infanterie; op 3 september van dat jaar kwam hij aan bij de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1840 begon hij daar zijn eerste studiejaar.Almanak der Koninklijke Militaire Akademie, deel 3, Breda 1840, "Kadets en Pages", p. 22. Bij koninklijk besluit van 13 augustus 1841 werd hij benoemd tot page van koning Willem II, met een jaargeld van 700 gulden. Op 1 februari 1843 werd hij korporaal en bij koninklijk besluit van 10 februari 1843 volgde zijn benoeming tot tweede luitenant bij het 4e Regiment Infanterie.Nationaal Archief, Landmacht: Stamboeken Officieren, 1813-1924, toegang 2.13.04, inv.nr. 492, fol. 3, inschrijving P.F.O. Sickinghe.Naam- en ranglijst der officieren van het Koninklijke leger der Nederlanden en van Nederlandsch-Indië voor 1845, Gorinchem 1845, p. 64.

Op 1 december 1850 werd Sickinghe gedetacheerd bij de Geweerwinkel in Delft, waar hij in 1851 een van de gedetacheerde infanterieofficieren was.Jaarboekje voor de stad Delft, Delft 1851, p. 92. Op 19 februari 1852 werd hij overgeplaatst naar de bataljons Grenadiers van het Regiment Grenadiers en Jagers. Op 15 september van dat jaar werd hij bevorderd tot eerste luitenant bij het 6e Regiment Infanterie. In november 1855 keerde hij terug naar het Regiment Grenadiers en Jagers en werd hij ingedeeld bij de bataljons Jagers.Nederlandsche Staats-Courant, nr. 272, 16 november 1855, p. 154.

Sickinghe was tevens lid van de commissie van de Normaalschietschool, het nationale schietopleidingscentrum voor officieren en onderofficieren. In april 1859 werd hem, evenals kapitein C. Butgault, eervol ontslag uit deze commissie verleend.Rotterdamsche Courant, Laatste berichten, 15 april 1859, p. 1. In datzelfde jaar diende hij bij het vierde bataljon Jagers van het Regiment Grenadiers en Jagers.’s Gravenhaagsche stads-almanak voor 1859, 34e jaargang, 's-Gravenhage 1859, p. 552. Bij koninklijk besluit van 4 november 1859 werd hij benoemd tot kapitein der derde klasse bij het 2e Regiment Infanterie.

In februari 1860 werd Sickinghe gedetacheerd bij het departement van Oorlog. Een maand later werd hij definitief bij het derde bureau geplaatst en in verband daarmee overgeplaatst naar de staf der infanterie. Dit bureau behandelde onder meer de personeelszaken, de werving voor het leger in Nederland en de koloniale werving.Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1860, 's-Gravenhage 1860, hoofdstuk XII, Departement van Oorlog, p. 442.

In 1862 publiceerde Sickinghe in De Nieuwe Spectator het artikel Werving in Duitschland, als reactie op een eerdere bijdrage van de Indische officier en schrijver Willem Adriaan van Rees (1820–1898). Sickinghe erkende dat Duitse militairen goede diensten hadden bewezen en vond dat loyale buitenlanders niet vanwege hun afkomst mochten worden achtergesteld. Hij keerde zich echter, mede naar aanleiding van de onrust onder met name Zwitserse militairen in 1860, tegen het onbeperkt stimuleren van de werving van Duitsers en Zwitsers. Sickinghe bestreed Van Rees’ voorstelling dat de buitenlandse werving feitelijk onveranderd was voortgezet. Hij wees erop dat het werfdepot in Biebrich in oktober 1860 was gesloten en dat in 1861 slechts veertig buitenlanders voor de dienst in Nederlands-Indië waren aangenomen, onder wie 28 Duitsers, allen zonder handgeld. Met een overzicht van de uitgezonden troepentransporten betoogde hij bovendien dat buitenlanders na mei 1860 nog slechts een minderheid van de aanvullingsmanschappen vormden. Hij concludeerde dat de buitenlandse werving voldoende was beperkt en dat het zoeken naar andere bronnen voor de aanvulling van het koloniale leger aan de regering kon worden overgelaten.P.F.O. Sickinghe, "Werving in Duitschland", De Nieuwe Spectator 16 (1862), p. 334–339; G. Teitler, "The Dutch Colonial Army in transition. The militia debate 1900-1921", Militaire Spectator 149 (1980), nr. 5, noot 18. Van Rees erkende in een repliek dat Sickinghes cijfers waarschijnlijk juister waren dan de zijne, maar verwierp diens opvatting dat de kwestie aan de regering kon worden overgelaten.W.A. van Rees, "Werving in Duitschland", De Nieuwe Spectator 16 (1862), p. 391.

Op 11 april 1862 werd hij kapitein der tweede klasse. In juni 1863 werd hij teruggeplaatst bij het Regiment Grenadiers en Jagers en ingedeeld bij de bataljons Grenadiers.Recueil Militair 1863, 's-Gravenhage 1864, p. 40. In april 1866 volgde zijn bevordering tot kapitein der eerste klasse.

Op 8 juni 1869 werd Sickinghe bevorderd tot majoor bij het 6e Regiment Infanterie. Op zijn verzoek werd hij op 11 oktober van dat jaar op non-activiteit gesteld. Bij departementale beschikking van 16 november 1870 keerde hij terug in actieve dienst bij het 8e Regiment Infanterie.

miniatuur|Een batterij in Fontenay-aux-Roses tijdens het bombardement van Parijs in 1871 Begin 1871 benoemde de minister van Oorlog een speciale commissie die in Parijs onderzoek moest doen naar de verdediging van de stad na het beleg van Parijs. Prins Frederik der Nederlanden bevorderde de medewerking van de Pruisische regering aan het bezoek.Middelburgsche Courant, Marine en leger, 7 februari 1871, p. 2. Het rapport van de commissie is bewaard gebleven in het Nationaal Archief.Nationaal Archief, Inventaris van het archief M.D. graaf van Limburg Stirum, toegang 2.21.107, inv.nr. 141: "Rapport van de Commissie naar Parijs betreffende het instellen van een onderzoek naar de verdediging van Parijs", 1871.

In 1874 werd Sickinghe op eigen verzoek gepensioneerd als majoor der infanterie op non-activiteit. Daarbij werd hem de rang van luitenant-kolonel toegekend."Laatste benoemingen, verplaatsingen en veranderingen enz. bij het leger hier te lande", De Militaire Spectator 42 (1874), bijlage V, p. 2.

Maatschappelijke functies Na zijn pensionering was Sickinghe commissaris bij de Koninklijke Vereeniging van Gepensioneerde Officieren van het Nederlandsche Leger. Daarnaast maakte hij deel uit van het hoofdcomité van de Nederlandsche Vereeniging tot het verleenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden in tijd van oorlog, de voorloper van Het Nederlandse Rode Kruis.Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1885, 's-Gravenhage 1884, p. 472 en 475.

Tijdens zijn Utrechtse jaren vervulde Sickinghe verschillende maatschappelijke functies. In 1880 werd hij vermeld als bestuurslid van het comité voor een op te richten Instituut tot Opleiding van Pleegzusters, waaraan een kinderziekenhuis zou worden verbonden. In 1883 was hij penningmeester van de Amaliastichting, die hulp verleende aan zieke en gewonde militairen. Verder was hij commissaris van Sociëteit Sic Semper, dat gehuisvest was in het gelijknamige gebouw.Jaap Röell, "Oververtegenwoordiging van (Utrechtse) adel in het ledenbestand van het Genootschap Kunstliefde, 1850-1916", extra bijlage bij Jaarboek Oud-Utrecht 2014, p. 30; onder verwijzing naar de Utrechtsche Almanak 1880, p. 246 en 1883, p. 251.

Sickinghe was meester-vrijmetselaar bij loge De Edelmoedigheid in 's-Hertogenbosch. Ook was hij in ieder geval in 1875 lid van het Utrechtse Genootschap Kunstliefde. In 1884 zegde hij zijn lidmaatschap op.

Schietwedstrijden Paleis Het Loo miniatuur|Gezicht op Paleis Het Loo, 1828 Op 18 juni 1851 werd op Paleis Het Loo de gedenkdag van de Slag bij Waterloo met kanonschoten begroet. Ter gelegenheid daarvan vond buiten het paleispark een concours in het buksschieten voor officieren plaats. Aan de wedstrijd namen 36 officieren deel. Naast koning Willem III waren de prinsen Frederik en Hendrik aanwezig.

Sickinghe, destijds tweede luitenant bij het 4e Regiment Infanterie, behaalde met 53 punten uit vijf schoten de hoogste score. Hij ontving van de koning een "prachtige buks met toebehoren". Na afloop nodigde Willem III de deelnemende officieren en de aanwezige gepensioneerde officieren met ten minste de rang van majoor uit voor een feestmaal in een tent op de Schuttersweide.Javasche Courant, Nederland, Gelderland, 13 augustus 1851 (Delpher).Algemeen Handelsblad, Apeldoorn, 21 juni 1851 (Delpher).

Legerkamp Waalsdorp Op 25 september 1868 nam Sickinghe op legerkamp Waalsdorp deel aan "Wedstrijd D" voor scherpschutters. Hij behaalde 48 punten, waarmee hij op de ranglijst de vierde plaats innam. Doordat meerdere deelnemers dezelfde score behaalden, kreeg hij volgens de officiële prijsindeling de twaalfde prijs: een zilveren horlogeketting. Het concours werd bijgewoond door koning Willem III en de prins van Oranje.Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad, Utrecht, 26 september 1868 (Delpher).Middelburgsche Courant, Binnenland, 29 september 1868, p. 2.

Huwelijken en nakomelingen miniatuur|Ottolina Cornelia van Eck (1833-1870), de eerste echtgenote van Sickinghe, met de familiewapens Sickinghe (links) en Van Eck Sickinghe trouwde op 14 mei 1857 in Arnhem met Ottolina Cornelia van Eck (1833-1870), een kleindochter van Jacob Nicolaas van Eck (1752-1833), de eerste burgemeester van Arnhem. Zij kregen drie kinderen:

jhr. Onno Joost Sickinghe (1858-1948) (1858-1948), eerste luitenant bij de schutterij van Utrecht, gemeenteraadslid en gemeenteontvanger van Zeist, commissaris en bestuurder; Agatha Gérardine Sickinghe (4 maart 1864 – 22 maart 1864), die nog geen drie weken na haar geboorte overleed; jhr. Agathon Gerard Sickinghe (1868-1954), luitenant-generaal titulair der artillerie, eerste kamerheer, adjudant en waarnemend hofmaarschalk van koningin Wilhelmina der Nederlanden.

Ottolina overleed op 24 juni 1870 op 37-jarige leeftijd in Gais in Zwitserland. Sickinghe hertrouwde op 1 mei 1873 in Utrecht met jkvr. Louise Petronella Adriana Gevers Leuven (1832-1893), telg uit de adellijke familie Gevers. Zij overleed op 28 februari 1893 in Utrecht.De Nederlandsche Leeuw 27 (1909), p. 137-138.

Onderscheidingen Het Onderscheidingsteken voor Eervolle Langdurige Dienst als officier XXV

Externe links Huizen aan het Janskerkhof – Janskerkhof 2, Utrecht Officiersstamboek van Pieter Feyo Onno Sickinghe bij het Nationaal Archief

Pieter Feijo Onno Categorie:Nederlands landmachtofficier Categorie:19e-eeuws militair Categorie:Nederlandse adel Categorie:Nederlands vrijmetselaar Categorie:Nederlands persoon in de 19e eeuw Categorie:Nederlandse adel in de 19e eeuw Categorie:Nederlands luitenant-kolonel