miniatuur|Luchtbeeld van Bell Island Dit artikel behandelt de geschiedenis van Bell Island, een eiland gelegen in de Conception Bay van het veel grotere Canadese eiland Newfoundland.

Van 1895 tot 1966 vond er op Bell Island grootschalige ijzerertsontginning plaats. Het relatief kleine eiland kreeg hierdoor groot internationaal economisch belang daar het al snel uitgroeide tot een van de belangrijkste ijzerertsproducenten ter wereld. Het in de mijnen van Bell Island gedolven erts was daarenboven erg belangrijk voor de geallieerde oorlogsindustrie tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor Nazi-Duitsland tot tweemaal toe de aanval inzette. Op het hoogtepunt woonden er meer dan 12.000 mensen.

Sinds het einde van de mijnbouw is de bevolkingsomvang enorm gedaald en was er een zware economische terugval.

Vroege geschiedenis Voor de komst van de Europeanen was Newfoundland het leefgebied van de Beothuk. Het is waarschijnlijk dat leden van dit nu uitgestorven inheemse volk het vruchtbare eiland nu en dan aandeden, al zijn hier geen archeologische sporen van bekend. Europese vissers en piraten frequenteerden het eiland alleszins reeds vroeg in de 16e eeuw, voornamelijk met als doel om drinkbaar water in te slaan. en red., Encyclopedia of Newfoundland and Labrador (vol. 1), 'Bell Island', St. John's, 1981, p. 167-169. Het gehucht Freshwater in het zuiden en Freshwater Cove in het noorden doen hieraan terugdenken.Ernst, p. 199.Zowel in het noorden als in het zuiden van Bell Island is er een cove die "Freshwater Cove" heet. De zuidelijke cove met die naam ligt nabij het gehucht Freshwater.

Reeds in 1578 ontdekte de Engelse handelaar Anthony Parkhurst dat de bodem van het eiland ijzererts bevatte. en red., Encyclopedia of Newfoundland and Labrador (vol. 5), 'Wabana', St. John's, 1994, p. 493-494. Ook bronnen uit 1610 en 1612 geven aan dat de kennis bestond dat Bell Island ijzerertshoudend gesteente bevatte.Neary, "Epic Tragedy", p. 202 Uiteindelijk stuurde de kolonistenleider John Guy in 1628 stalen van het Bell Islandse gesteente naar Engeland ter analyse. Enkele leden van Guys kolonie te Cuper's Cove probeerden het eiland daarop te claimen ten nadele van de London and Bristol Company, zij het zonder succes. Ondanks de vroege wetenschap dat het eiland op zijn minst een zeker mijnbouwpotentieel had, ving niemand met de informatie uiteindelijk iets aan. De zware rotsen van Bell Island werden historisch wel degelijk op beperkte schaal uitgehouwen, maar dan louter om ze te gebruiken als scheepsballast of voor het vervaardigen van killicks, een Newfoundlands type anker gemaakt van hout en steen.Pollock, p. 72. Pas rond het jaar 1819 was er (nabij Back Cove) voor het eerst sprake van een kleinschalige ijzerertsmijnbouwoperatie, zij het vermoedelijk kortstondig en zonder veel succes. Heritage Foundation of Newfoundland and Labrador, 'Bell Island No. 2 Mine Registered Heritage Structure', 2022. Geraadpleegd op 8 augustus 2022.

Vanaf de vroege 17e eeuw was er te Bell Island, dat onderdeel uitmaakte van de zogenaamde Engelse kust van Newfoundland, een niet-permanente nederzetting. Het was meer bepaald een seizoensgebonden uitvalsbasis voor vissers uit voornamelijk Engeland, Ierland en de Kanaaleilanden.Roseman en Royal, p. 57-59. In de jaren 70 en 80 van de 17e eeuw waren het specifiek vissers uit Dartmouth, een havenstad in het Engelse West Country, die het eiland als jaarlijkse uitvalsbasis gebruikten.Hammond, p. 2. In het visseizoen van 1681 betrof het bijvoorbeeld het twee schepen en 26 boten die tezamen goed waren voor een bemanning bestaande uit 130 mannen. Rootsweb – Conception Bay South, 'Bell Island', 2008. Geraadpleegd op 13 september 2022. Gearchiveerd op 13 september 2022.

Het eiland als permanente nederzetting In het begin van de 18e eeuw hadden de eerste mensen zich permanent op het eiland gevestigd. De oudste volkstelling van Great Belle Isle stamt uit 1706 en maakt gewag van 85 inwoners. Het betrof acht gezinshoofden – met name vijf gezinnen met kinderen en drie alleenstaande mannen – die tezamen acht grote en vijf kleine boten bezaten. Maar liefst 59 mensen die op het eiland resideerden waren (inwonend) personeel van deze in de arbeidsintensieve visserij actieve gezinnen. Gregory Normore, een visser en landbouwer uit Jersey, vestigde zich vermoedelijk rond 1740 op het eiland en was getrouwd met een Newfoundlandse vrouw genaamd Catherine. Zij waren niet de eerste inwoners, maar worden in de traditionele overlevering en lokale folklore wel als de eersten beschouwd. Dat is voornamelijk het geval omdat er van Normore een grafsteen is overgebleven en omdat het koppel in de 21e eeuw nog meerdere afstammelingen op het eiland heeft.

Gedurende de hele 18e eeuw was er geen demografische groei en in 1794 bedroeg het inwoneraantal nog steeds maar 87. Historic Wabana, 'Settlement of Bell Island: Facts and Folklore', 2022. Geraadpleegd op 27 augustus 2022. Gearchiveerd op 27 augustus 2022. In de 19e eeuw was er daarentegen wel een duidelijke aangroei met in 1845 reeds 338 inwoners. Het eiland groeide zo uit tot een van de vele typisch Newfoundlandse vissersdorpen, de zogenaamde outports. De inwoners waren vooral van Engelse en Ierse afkomst, waardoor de gemeenschap al vroeg bestond uit een mix van katholieken en anglicanen. Behalve van visserij leefden zij ook van landbouw en veeteelt. Die nevenactiviteiten waren er heel wat belangrijker dan elders daar het eiland naar Newfoundlandse normen bijzonder vruchtbare grond heeft. Heritage Foundation of Newfoundland and Labrador, 'Iron Ore Mines of Bell Island', 1998 (laatste wijziging 2016). Geraadpleegd op 8 augustus 2022. Gearchiveerd op 25 september 2022. Landbouwers produceerden er, zowel voor eigen gebruik als voor verkoop aan de stedelingen van St. John's, onder andere aardappelen, aardbeien, zwarte bessen, knolrapen en wittekool.

Vanaf de jaren 1830 begon er ook een secundaire sector te ontstaan op Bell Island. Zo was er vanaf die periode een scheepsbouwerij actief in Lance Cove en in 1848 opende er daar ook een baksteenfabriek. Er waren daarnaast eveneens een aantal mensen werkzaam in sectoren zoals houtbewerking en de handel. Doorheen de 19e eeuw was een groot deel van de mannen daarenboven 's winters actief in de zeehondenjacht, toen een belangrijk onderdeel van Newfoundlands economie.

In 1843 opende onder toezicht van de anglicaanse bisschop van Newfoundland de eerste kerk op het eiland, nadat er twee jaar eerder al een protestantse school geopend was. De eerste katholieke kerk opende in 1884. In de decennia erna volgden onder andere nog een gebedshuis van de methodisten (1901) en van het Leger des Heils (1910).

Begin van de mijnbouw In 1892 verkregen de heren Butler en Miller uit Topsail een mijnbouwlicentie voor het ijzererts op het eiland, dat in die tijd voor het eerst als hematiet geïdentificeerd was.MacKinnon, p. 67.Southey, p. 375. In 1894 verleaseden zij hun rechten aan de New Glasgow Coal, Iron & Railroad Company (die bekendstond als de "Scotia Company"Sinds 1898 stond dit bedrijf officieel bekend als de "Nova Scotia Iron and Steel Company". In 1901 veranderde het opnieuw van naam naar de "Nova Scotia Steel and Coal Company". Historic Wabana, "Company Names Timeline 1893-1966", 2020. Geraadpleegd op 29 september 2022. Gearchiveerd op 28 september 2022.). Dat bedrijf uit buurland Canada vatte de hematietontginning aan in het jaar 1895.Slumkoski, p. 27. De zwakke en arme overheid van de Kolonie Newfoundland zag maar wat graag zulke buitenlandse investeerders komen.White, p. 15-16.Newfoundland was oorspronkelijk een Britse kolonie en werd in 1907 een onafhankelijk land (of dominion) binnen het Britse Rijk. Pas op 1 april 1949 trad Newfoundland en dus ook Bell Island toe tot de Canadese Confederatie. De mijnsite was de oostelijkste in Noord-Amerika en kreeg daarom de naam "Wabana" toebedeeld, een samenvoeging van twee termen uit het inheemse Abenaki die "plaats van het eerste licht" zouden moeten betekenen.Het inheemse Abenaki-volk heeft voor alle duidelijkheid geen enkele link met Newfoundland. De naam werd gegeven door Thomas Cantley, de secretaris van de New Glasgow Coal and Steel Company. De locatie was ideaal aangezien het erts onmiddellijk op schepen kon geladen worden en het daarenboven zowel dicht bij Noord-Amerikaanse als Europese markten lag.Weir, p. 24-26. Op 24 december 1895 vertrok het eerste volgeladen schip richting de staalindustrie van Nova Scotia. Op 3 juli 1896 vertrok het eerste schip naar de Verenigde Staten en de eerste trans-Atlantische scheepslading vertrok op 22 november 1897 richting de haven van Rotterdam.Pollock, p. 75. Al in 1899 kocht de Scotia Company definitief de mijnrechten over en kort daarna verkochten ze een deel ervan aan de Dominion Iron and Steal Company (DISCO). In de daaropvolgende decennia waren er dus twee exploitateurs die naast elkaar opereerden. Oorspronkelijk betrof de ontginning te Wabana dagbouw, maar reeds vanaf 1903 was het bovengrondse hematiet uitgeput en kon er enkel nog ondergronds in gesloten mijnen gewerkt worden. , Historic Wabana, 'Time-line of the History of the Wabana Mines', 2021. Geraadpleegd op 27 augustus 2022. Gearchiveerd op 27 augustus 2022.

Door het begin van de mijnbouw veranderde de economie van het eiland drastisch en kwam er een zeer sterke bevolkingsgroei. De mijnsite Wabana groeide zo uit tot een groot en welvarend mijnwerkersdorp. Geleidelijk aan leefde bijna iedereen op het eiland rechtstreeks of onrechtstreeks van die industrie. Door de grote productie groeide Newfoundland reeds vroeg in de 20e eeuw uit tot een belangrijke ijzerertsexporteur. Canadian Ports and Seaway Directory (National Business Publications Limited), 1987, p. 63. Een groot deel van het gedolven erts had als exportbestemming Sydney, een industriestadje in het noorden van Nova Scotia, alwaar de verwerking en het smelten plaatsvond. , The Canadian Encyclopedia, 'Bell Island', 2006 (laatste wijziging 2014). Geraadpleegd op 1 augustus 2022. Gearchiveerd op 24 juli 2022. Het in die tijd industrieel opkomende Duitsland was echter ook een bijzonder belangrijke afzetmarkt.Bassler, p. 75-76. Een van de hoofdredenen daarvoor was dat het grote Duitse staalconcern Krupp bereid was een hogere prijs voor sterk fosforhoudend erts te betalen dan de Canadezen en Amerikanen.Het Krupp-staalconcern had immers een efficiënt proces ontwikkeld om het Bell Islandse erts van zijn fosfor te ontdoen. Dat uit het hematiet gehaalde fosfor zetten ze vervolgens om tot fosfaat om er kunstmest van te maken. Zo konden ze met het aangekochte hematiet dus extra omzet realiseren.

miniatuur|Ondergrondse paardenverblijfplaats in de No. 2 Mine Al vanaf het begin waren er nu en dan conflicten tussen de mijnwerkers en andere arbeiders enerzijds en hun werkgever anderzijds, vooral met betrekking tot het inkomen. Al in 1896 vond er een eerste (onsuccesvolle) staking plaats toen 180 mijnwerkers een verhoging van het uurloon van 10 naar 12 cent eisten. In 1900 was er voor het eerst een echte vakbond op het eiland. Zij zaten grotendeels achter de organisatie van de eerste grootschalige staking (1600 arbeiders) waarbij men 15 cent per uur eiste. Na bittere onderhandelingen kwam het "Verdrag van Kelligrews" tot stand, waardoor de mijnwerkers een beperkte opslag naar 12,5 cent per uur kregen, maar de vakbond ontbonden werd.Weir, p. 33. Er gebeurden ook geregeld ongevallen met gewonden of doden als gevolg, in die mate dat de Newfoundlandse overheid zich in 1906 genoopt voelde om algemene mijnbouwwetgeving in te voeren. In die vroege jaren van de mijnuitbating waren de werkomstandigheden het moeilijkst, zo moesten de arbeiders vaak werken onder kaarslicht en was er ook veel kinderarbeid.Weir, p. 11. Tot begin jaren 50 zette men voorts paarden in als trekdier om lege mijnkarren te trekken. De dieren hadden ondergrondse stallingen aangezien ze weken tot maanden aan een stuk in de mijnen verbleven.