De organisatie van de landbouw in Nederland in de 21e eeuw vindt zijn oorsprong tijdens de negentiende eeuw. Toen kregen verlichte adel, grondbezitters en gegoede burgers steeds meer belangstelling voor de toepassing van wetenschappelijke inzichten op de landbouw en voor nieuwe organisatievormen. Vooral na ongeveer 1880 kreeg deze belangstelling een impuls, en vervolgens wederom na de Tweede Wereldoorlog, toen de overheid een grotere rol ging spelen. In de loop van deze periode kregen het onderwijs, de industrie, het bankwezen, en het onderzoek vorm, alsmede het landbouwbeleid. Ook ontstonden er allerlei samenwerkingsverbanden tussen industrie, boeren, politici en dienstverlenende instanties, zoals het Landbouwschap, boerenleenbanken, landbouwvoorlichting en praktijkcentra. Veel van deze instanties hadden of hebben een cooperatieve of corporistische vorm.

Anno 2024 zijn enkele bekende boegbeelden die vorm geven aan de organisatie van de Nederlandse landbouw Agrifirm, Avebe, Cosun, ForFarmers, FrieslandCampina, Koninklijke De Heus, LTO Nederland, het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Rabobank, Unive, de WUR en de Zwanenberg Food Group. Samen worden deze wel het 'Groene front' genoemd: de politieke top en de ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, de met landbouw belaste politici in de diverse parlementen, de belangrijke belangenbehartigers van de landbouw, tegenwoordig de LTO, in het verleden het Landbouwschap en relevante productschappen voor de landbouw, de landbouwindustrie- en handel, de Rabobank, en de landbouwvoorlichtings- onderwijs- en onderzoeksorganisaties. Deze laatste Organisaties aan het begin van de 19e eeuw thumb| Eerste landbouwcommissaris tot de zaken van de Landbouw Jan Kops In de laatste decennia van de 18e eeuw ontstond in Engeland en Frankrijk een beweging van verlichte adel en grootgrondbezitters die zich toelegden op de wetenschappelijke studie van de landbouw en de toepassing van wetenschappelijke resultaten in de landbouwpraktijk.Techniek in Nederland, deel I, p.54 Nederland volgde deze verlichtingsbeweging pas in de negentiende eeuw. Toen werden van overheidswege Commissiën van Landbouw opgericht. Hierin waren, evenals in het buitenland, vooral notabelen en grote boeren actief. Na een enthousiast begin leidden deze Commissies spoedig een sluimerend bestaan. Toch waren er een eeuw eerder al enkele pioniers zoals Geert Reinders, die de vaccinatie tegen runderpest ontwikkelde, en Jan Kops die in 1800 werd aangesteld als Commissaris tot de zaken van de landbouw bij het Agentschap van Nationale Oeconomie.p. 54 In 1803 verscheen het eerste nummer van het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw, zijnde het eerste Nederlandse landbouwtijdschrift. Kops werd in 1815 hoogleraar in de landhuishoudkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Hetzelfde jaar werd Jacobus Albertus Uilkens aan de Universiteit van Groningen hoogleraar landhuishoudkunde. Daarmee deed het universitair landbouwonderwijs haar intrede.

LTO en voorlopers In Nederland bestaat anno 2023 De Land- en Tuinbouworganisatie LTO Nederland, die is opgebouwd uit een zuidelijke (ZLTO) en een Noordelijke (LTO Noord) tak. LTO is voortgekomen uit de maatschappijen van landbouw en boerenbonden die stammen uit de negentiende eeuw. Ook de Limburgse LLTB is onderdeel van de agrarische koepelorganisatie LTO Nederland

Maatschappijen van Landbouw Hoewel de Commissies van Landbouw weinig succesrijk waren werden halverwege de 19e eeuw, eveneens vanuit kringen der notabelen, Maatschappijen van Landbouw opgericht die meestal provinciaal georganiseerd waren Techniek in Nederland, deel I, blz. 54. Achtereenvolgens ontstonden de Groninger Maatschappij van Landbouw (1837), het Utrechts Landbouw Genootschap (1841), de Zeeuwsche Landbouw Maatschappij (1843), het Drents Landbouw Genootschap (1844), de Geldersche Maatschappij van landbouw (1845), de Hollandsche Maatschappij van Landbouw (1847), de Maatschappij van Landbouw (in Limburg) (1849), de Overijsselsche Maatschappij ter bevordering van Landbouw, Tuinbouw en Veeteelt (1851), de Friese Maatschappij van Landbouw (1852) en de Noordbrabantse Maatschappij van Landbouw (1853). Deze maatschappijen, overwegend van liberale signatuur, waren zeer actief en organiseerden bijvoorbeeld, vanaf 1846, het Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres. Andere activiteiten waren het uitgeven van landbouwkundige tijdschriften zoals de Landbouw-Courant (vanaf 1846) en het jaarboek De Vriend van den Landman (vanaf 1837). In 1884 verenigden deze Landbouwmaatschappijen zich in het Nederlandsch Landbouw-Comité (NLC). miniatuur|75-jarig bestaan van het Koninklijke Nederlandse Landbouw Comite in aanwezigheid van koningin Juliana (1959) Verzuiling miniatuur|LLTB vaandel, verkregen in 1914 bij het 12,5-jarig bestaan van de bond De activiteiten van katholieke politici als Herman Schaepman leidden tot samenwerking van katholieken en protestanten om een dam op te richten tegen liberale (en sociaaldemocratische) invloeden. Dit vond ook zijn weerslag in de organisatiestructuur van de landbouw. Zo werd in 1896 de Nederlandsche Boerenbond (NBB) opgericht die, in tegenstelling tot het Nederlandsch Landbouw Comité, gezien kon worden als een basisbeweging van boeren. Deze erkende het Christendom als grondslag der Maatschappij en de leden moesten God, huisgezin en eigendom als grondslagen der maatschappij erkennen. Aldus werden er provinciale boerenbonden opgericht met lokale, voornamelijk uit boeren bestaande, afdelingen.

Al in 1906 wensten de katholieke bisschoppen dat de hun onderhoorige katholieken verenigd dienden te worden in katholieke organisatiën. Voor de interconfessionele NBB werd vooralsnog een uitzondering gemaakt. De in Noord-Brabant opererende Nederlandse Christelijke Boerenbond (NCB) werd echter al in 1914 exclusief katholiek, hoewel deze de (interconfessioneel bedoelde) betiteling christelijk bleef behouden. Al in 1912 wensten ook de protestanten een eigen organisatie. In 1918 was het zover: de exclusief-protestantse Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) werd opgericht nadat in 1916, op uitdrukkelijk initiatief van de Aartsbisschop van Utrecht, de Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond (ABTB) tot stand was gekomen. Deze bestreek noordoost-Nederland. Door het uittreden van de CBTB kwam de NBB vanaf 1920 in exclusief katholiek vaarwater en veranderde in 1929 van naam in: Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBT).

Bij de liberalen waren er de volgende ontwikkelingen: in 1906 werd de Koninklijke Nederlandse Landbouwvereniging (KNLV) opgericht, die in 1918 fuseerde met het NLC tot het Koninklijk Nederlands Landbouwcomité (KNLC).

Aldus waren er een drietal organisaties ontstaan: een katholieke (KNBT), een protestantse (CBTB) en een liberale (KNLC). In 1995 gingen deze op in de werkgeversorganisatie LTO-Nederland terwijl hun regionale afdelingen opgingen in regionale LTO-organisaties zoals LTO-noord.

Landbouwcoöperaties

Anno 2023 kent Nederland een aantal grote landbouwbedrijven en aanverwante instanties waarvan een groot aantal is voortgekomen uit boerencoöperaties die eind negentiende eeuw zijn ontstaan. Voorbeelden van hedendaagse coopraties zijn AVEBE, FrieslandCampina, Agrifirm, Unive en de Rabobank miniatuur|FrieslandCampina tankauto bij de zuivelfabriek in Bedum Eerste coöperaties Veel kleinere boeren misten in de negentiende eeuw de meest elementaire scholing. Het boerenbedrijf werd echter steeds ingewikkelder. De ontwikkeling van de bemestingsleer rond 1850 en de introductie van guano en later kunstmest, vormen van landbouwmechanisatie, de aanschaf van enkelvoudige krachtvoeders en mengvoeders, de aanschaf van poot- en zaaigoed waren zaken die zich voordeden en enig ondernemerschap behoefden. De boer kreeg te maken met diverse handelaren (graanhandel, fouragehandel, veehandel) en financieringsproblemen. Enige opleiding, voorlichting en organisatiegraad was noodzakelijk. De landbouwcoöperatie, inclusief coöperatieve aan- en verkooporganisaties en kredietcoöperaties, bood daartoe een oplossing. miniatuur|Agrifirm-fabriek te Veghel Kredietcoöperaties Het idee van de kredietcoöperatie kwam van Friedrich Wilhelm Raiffeisen die in 1864 in Duitsland de eerste boerenleenbank oprichtte. Het idee was dat rijke boeren met spaargeld krediet zouden verlenen aan arme boeren die daar behoefte aan hadden. In 1896 werd de eerste Raiffeisenbank opgericht en wel te Lonneker. In hetzelfde jaar volgde de eerste Boerenleenbank op instigatie van Gerlacus van den Elsen. In 1898 werd te Eindhoven de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank opgericht en in hetzelfde jaar, te Utrecht, de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Bank. Beide centrale banken kregen vele tientallen filialen in alle delen van het land. In 1900 waren er in totaal zo'n 67 filialen en in de 20e eeuw groeide dit tot meer dan 1300 in de jaren '70. Een ontwikkeling vanaf de jaren '50 van de 20e eeuw bestond in het uitbreiden van het dienstenpakket en in het beschikbaar stellen van deze diensten ook aan niet-agrariërs. In 1972 fuseerden de Boerenleenbank en de Raiffeisenbank tot Rabobank. In de jaren daarna vond een concentratieproces plaats waarbij vele filialen verdwenen, de dienstverlening goeddeels werd gedigitaliseerd en de Rabobank zich in feite nauwelijks meer onderscheidde van andere grote banken.

Financiële dienstverlening ging verder dan enkel bankzaken. Ook verzekeringen, boekhoudcentrales, accountancy en dergelijke diensten, aanvankelijk specifiek gericht op agrariërs, kwamen van de grond. Een voorbeeld hiervan is Interpolis, dat in 1969 is ontstaan uit een fusie van een aantal uit de boerenorganisaties afkomstige levensverzekerings- en schadeverzekeringsmaatschappijen. Later kwamen hier nog een aantal aandere maatschappijen bij en in 1990 kwamen vrijwel alle aandelen Interpolis in handen van de Rabobank. Na 2000 hadden de standsorganisaties (LTO) geen zeggenschap meer over Interpolis en in 2005 fuseerde Interpolis met de grote financiële dienstverlener Achmea. thumb|Een Rabobankfiliaal in Mijnsheerenland in de jaren 70.

In- en verkoopcoöperaties De landbouw vormt onderdeel van een productieketen. Voor de landbouwer is er een inkoopketen die onder meer zaai- en pootgoed, veevoer, kunstmest, vee en landbouwgereedschap omvat. Ook is er een verkoopketen die onder meer granen, vee, zuivel, aardappelen en suikerbieten omvat, inclusief de verwerking hiervan. Naarmate de landbouw -voortvloeiend uit de verwetenschappelijking ervan- minder zelfvoorzienend werd nam het belang van aan- en verkoop uiteraard toe. De boeren kregen vanouds te maken met individuele handelaren en de wens bestond om dit proces meer in eigen hand te nemen.

Een eerste initiatief op dit terrein kwam van George Auguste Vorsterman van Oyen die door de Zeeuwse Landbouw Maatschappij (ZLM) was aangesteld als wandelleraar (landbouwconsulent) en in 1878 te Aardenburg, onder de naam Welbegrepen Eigenbelang een landbouwcoöperatie opzette, aanvankelijk een inkoopcombinatie voor meststoffen (zoals guano) en zaden.

Ook de boerenbonden zetten organisaties als een aankoopcommissie op om tegen scherpe voorwaarden in te kopen. In diverse dorpen verschenen magazijnen van waaruit de boeren hun benodigdheden konden aanschaffen. Hieruit kwam onder meer de in 1911 opgerichte Coöperatieve Handelsvereniging (CHV) voort welke vooral in Veghel was geconcentreerd en de merknaam Cehave ging voeren. In Veghel werd onder meer een graansilo en een mengvoederfabriek gebouwd. In 1906 werd te Meppel de Coöperatieve Landbouwersbank en Handelsvereeniging opgericht. Dit was een in- en verkooporganisatie voor mengvoer en kunstmest, terwijl ook in een KI-station werd voorzien. Door fusies, onder meer met Cavo en Latuco, bestreek men vanaf 1989 een groot deel van Noord-Nederland. In 2002 nam men de naam Agrifirm aan en dit bleef zo nadat het bedrijf in 2011 met het Zuid-Nederlandse Cehave Landbouwbelang was gefuseerd.