De eerste stadsmuur van Maastricht, ook wel eerste middeleeuwse stadsmuur of eerste stadsomsluiting van Maastricht,, is de eerste stenen stadsmuur, die tijdens de hoge middeleeuwen tot stand kwam in de toentertijd Luiks-Brabantse stad Maastricht. De 2,4 km lange muur werd vanaf 1229 gebouwd ter bescherming van het toenmalig stadsgebied op de linker Maasoever. Dat omvatte circa 36 hectare, min of meer overeenkomend met de tegenwoordige CBS-buurt Binnenstad en een gedeelte van het Jekerkwartier. Na de bouw van de tweede stadsmuur in de veertiende en vijftiende eeuw, functioneerde de oudere muur enkele eeuwen als reserveverdedigingslinie.

Van de dertiende-eeuwse muur resteren nog aanzienlijke delen, waaronder de Helpoort, de oudste stadspoort van Nederland, een complete, deels herbouwde waltoren en een tiental muurfragmenten met een totale lengte van circa 750 meter. Daarvan zijn de meeste beschermd als rijksmonument, sommige als gemeentelijk monument.Inventaris vestingwerken (2011), pp. 1-2.kaartviewer.maastricht.nl (selecteer 'Gemeentelijk Monument' en 'Rijksmonument').

Geschiedenis Bouw eerste stadsmuur Over de bouwgeschiedenis van de oudste middeleeuwse stadsmuur van Maastricht bestaat nog veel onduidelijkheid. De meeste auteurs gaan uit van een ontstaansgeschiedenis in het tweede kwart van de dertiende eeuw. Daarvoor, uiterlijk in 1204, maar mogelijk al in het laatste kwart van de twaalfde eeuw, bestond er een aarden wal met daarop een houten palissade. Deze aarden wal werd tijdens het Beleg van Maastricht (1204) verwoest door de Luikse bisschop Hugo van Pierrepont, medeheer van het tweeherige Maastricht, en zijn vazal Lodewijk II van Loon. Kort na 1204 verzoenden de Luikse bisschop en de Loonse graaf zich met de hertog van Brabant, waarna ze zich verplichtten de brug te herstellen. Of de aarden wal eveneens werd hersteld wordt niet vermeld, maar ligt wel voor de hand.Morreau (1979), p. 4. In 1214 kwamen de Luikenaren terug en verwoesten opnieuw de brug.

Op 25 april 1229, drie weken na het overlijden van Hugo van Pierrepont, verleende hertog Hendrik I van Brabant toestemming voor de bouw van een stadsmuur. Hoe de nieuwe bisschop van Luik daarop reageerde is niet bekend. Enkele maanden later werd de toestemming bekrachtigd door rooms-koning Hendrik VII, waarin deze expliciet het recht noemt om muren, grachten en andere versterkingen ("muris, fossatis ac aliis munitionibus") aan te leggen. Waarschijnlijk werd nog in hetzelfde jaar begonnen met het (opnieuw) opwerpen van aarden wallen en het graven van grachten, voor zover die niet al eerder waren hersteld, alsmede de bouw van stadspoorten en waltorens. Dat de stadsmuur op dezelfde plaats gebouwd werd als de in 1204 vernielde wal, is door middel van archeologisch onderzoek op diverse plaatsen vastgesteld. Dat de poorten aanvankelijk nog van hout waren, zoals in sommige andere steden het geval was, lijkt voor Maastricht niet op te gaan.Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), pp. 56-58. Van de enige bewaard gebleven poort, de Helpoort, wordt algemeen aangenomen dat deze in zijn huidige, stenen vorm uit circa 1230 dateert. Wel is het mogelijk dat de stenen poorten en waltorens aanvankelijk nog met elkaar verbonden waren door aarden wallen met palissades, maar lang kan deze situatie niet geduurd hebben. De oudste vermelding van de stadspoorten dateert uit 1245; de stenen stadsmuur wordt voor het eerst in 1251 genoemd.

De muur op de linker Maasoever strekte zich uit over een lengte van ongeveer 2,4 kilometer, was gemiddeld 5,5 meter hoog en omsloot een gebied van circa 36 ha. De 1,25 m dikke muur was opgetrokken uit kolenzandsteen, gemetseld in onregelmatig verband, met een kern van puin en kalkmortel. Aan de veldzijde werd de muur gedeeltelijk aan het oog onttrokken door een aarden wal met een vrij steil talud. Aan de stadszijde werd de muur gesteund door 1,4 m dikke pijlers, met elkaar verbonden door 3,5 m hoge en 3,8 m brede rondbogen van mergel, die de weergang droegen. Aan de zuidzijde van de stad kon door middel van archeologisch onderzoek worden vastgesteld dat de stadsmuur aan het eind van de dertiende eeuw begon te verzakken, mogelijk door uitspoeling door de Jeker. Om dit probleem te verhelpen werd omstreeks 1300 aan de veldzijde van de muur een extra fundering van korte houten palen aangebracht.Hulst (1996), p. 81. De muren waren oorspronkelijk voorzien van kantelen, die later (ca. 1500?) werden vervangen door bakstenen borstweringen.Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), p. 58.Morreau (1979), p. 22. Er waren dertien stadspoorten: vijf veldpoorten en acht Maaspoorten. Daarnaast waren er twee waterpoorten, via welke de Jeker de stad binnenstroomde. Het aantal muurtorens is niet met zekerheid bekend; een twaalftal is met name bekend of is te herkennen op oude kaarten.Morreau (1979), pp. 9-10, 22, 31-32.

Eerste stadsmuur als primaire verdedigingsmuur thumb|Gelderse, Keur-Keulse en Luxemburgse troepen voor de poorten van Maastricht tijdens de Limburgse Successieoorlog. Fantasie-weergave in Brabantsche Yeesten, 15e eeuw De eerste test van de effectiviteit van de nieuwe muur in een oorlogssituatie vond, voor zover bekend, plaats in 1267 tijdens de Luiks-Gelderse belegering van Maastricht. Het beleg door de Luikse prins-bisschop Hendrik III van Gelre, gesteund door zijn broer Otto II van Gelre, was onderdeel van de Luiks-Brabantse oorlogen (1204-1378), waarin Maastricht als tweeherige, Luiks-Brabantse stad een belangrijke rol speelde.Wouters (1981), p. 23. De Maastrichtenaren werden gesteund door Dirk II van Valkenburg, die in Maastricht de lucratieve brugtol bezat. Wyck was waarschijnlijk nog niet ommuurd en vormde dus het eerste doelwit. Bij de brug aan de Wycker kant stond wel een versterkte toren, naar verluidt gebouwd door hertog Hendrik III van Brabant in 1248. De toren werd door Dirk II en zijn 300 mannen fel verdedigd, maar de Luiks-Gelderse overmacht was te sterk; ze namen de stad in en hielden haar twee jaar lang bezet. De Wycker toren werd tot de grond toe afgebroken.Morreau (1979), pp. 109-110. Of de stadsmuur op de linker Maasoever in dit conflict een rol speelde, is niet duidelijk. Zelfs na het veroveren van de Wycker verdedigingstoren en het oversteken van de Maas via de toen nog in gebruik zijnde Romeinse brug, moesten de belegeraars de stad zien binnen te komen via de Onze-Lieve-Vrouwepoort. Mogelijk openden de Maastrichtenaren de poort toen ze zagen met welk geweld Wyck was ingenomen.

Niet lang daarna begon de Limburgse Successieoorlog (1283-1288), die gepaard ging met enorme troepenverplaatsingen in het Luiks-Limburgse Maasland en het aangrenzende Rijnland. Die troepen wensten allemaal gebruik te maken van de brug in Maastricht. In 1284 trachtte Walram de Rosse van Valkenburg, een tegenstander van de hertog van Brabant, Maastricht in te nemen, ook nu weer aan de Wyckse kant. Het stadsdeel op de rechter Maasoever was na 1267 provisorisch versterkt, maar blijkbaar toch afdoende om de Valkenburgers af te schrikken.Morreau (1979), p. 110. Of de muur aan Maastrichtse zijde daarbij een rol speelde is niet bekend. Aan de Limburgse Successieoorlog kwam in 1288 een einde met de Slag bij Woeringen, maar het Luiks-Brabantse conflict sleepte daarna nog bijna een eeuw voort. In 1296 (of 1297) sloeg prins-bisschop Hugo van Chalon het beleg voor Maastricht, maar verdere informatie ontbreekt.Wouters (1981), p. 26. In 1303 was Wyck opnieuw het doelwit van een belegering, deze keer door de troepen van Jan en Pieter van Bar, broers van de Luikse prins-bisschop Theobald van Bar. Blijkbaar was Wyck nu wel versterkt, want het beleg moest worden opgegeven.Wouters (1981), p. 27. Weer was er aan de Maastrichtse kant geen strijd geleverd. In 1334 werd de stad opnieuw belegerd door de Luikenaren, nu onder aanvoering van prins-bisschop Adolf van der Mark. De Maastrichtenaren betaalden een geldsom en het beleg werd al na enkele dagen opgebroken.Wouters (1981), pp. 27-28.

Hoewel van al deze belegeringen weinig details beschikbaar zijn, kan worden aangenomen dat de stadsmuur in zoverre effectief was, dat Maastricht niet langer een gemakkelijke prooi was. Door de muur kon de vijand effectief worden tegengehouden of werd bij voorbaat afgeschrikt. De stad was op weg om in de eeuwen daarna uit te groeien tot het "bolwerk der Nederlanden", een vooruitgeschoven post van de Republiek der Nederlanden.Morreau (1979), p. XV.

Eerste stadsmuur als secundaire verdedigingsmuur thumb|Aansluiting tweede stadsmuur (links, met Pater Vincktoren) op de eerste muur (rechts). Merk het verschil in materiaal op: links grijze natuursteen; rechts bruine kolenzandsteen Enkele decennia na de voltooiing van de eerste stadsmuur, nog in de dertiende eeuw, ontstond de wens om een groter stadsgebied te ommuren. De bouw van de tweede middeleeuwse stadsmuur begon in 1294 voortvarend, maar sleepte zich daarna waarschijnlijk de gehele veertiende eeuw voort. Na 1380 fungeerde de eerste muur nog zeker twee eeuwen als reserveverdedigingslinie, maar tot een actieve inzet is het nooit gekomen.

Ook al was het belang ervan verminderd, men bleef de oude stadsmuur zeker tot de zestiende eeuw onderhouden. De meeste aandacht ging uit naar de muur langs de Maas, aangezien die deel uitmaakte van de primaire verdediging. Een deel ervan werd in de vijftiende eeuw herbouwd. Over de vele poternes in de Maasmuur was voortdurend discussie; poortjes werden dichtgemetseld en daarna weer opengebroken. Tussen de Maasbrug en de Onze-Lieve-Vrouwepoort verrees in 1477 een nieuw bolwerk, dat in de zestiende eeuw vervangen werd door een driehoekige verschansing. Over de gracht (een Jekertak?) die blijkbaar voor het zuidelijk deel van de Maasmuur lag bestond onenigheid tussen burgers en magistraat. In de zeventiende en achttiende eeuw moesten opnieuw delen van de Maasmuur worden herbouwd. Omstreeks 1640 werd in verband met uitbreiding van de vismarkt de muur bij de Vissersmaas over enige afstand naar voren geschoven, tot aan de Maas. De Visserspoort en de Schuttenpoort werden bij die gelegenheid vervangen door de Batpoort. Ook werd omstreeks die tijd een aarden wal aan de stadszijde van de Maasmuur opgeworpen, op sommige plaatsen ondersteund door een schoormuur.Morreau (1979), p. 17. Later werden op de aarden wal huizen gebouwd, zoals op de Onze-Lieve-Vrouwewal. Bij de bouw van de Maasmolen in 1705 werd ook de Molenpoort in de Bokstraat vernieuwd. De Batpoort en de Onze-Lieve-Vrouwepoort verloren in 1774 hun orgelhuisjes (opbouw voor het valhek), laatstgenoemde poort tevens haar valbrug en wolfskuil. De nog vrijwel intacte dertiende-eeuwse poort werd in 1849, in verband met de ophoging van de kade, sterk verbouwd. Die werkzaamheden hadden te maken met de aanleg van het Kanaal Luik-Maastricht (1845-1850, vanaf 1847 op Nederlands gebied), waarvoor ook de Batpoort en de Molenpoort moest wijken.Morreau (1979), pp. 13-20.

Eerste stadsmuur: andere functies thumb|Onze-Lieve-Vrouwepoort, verbouwd in 1849, getekend door Jan Brabant, ca. 1867?