De koloniale kerken in Suriname beschrijft de rol van de traditionele christelijke kerken in de kolonie Suriname wat betreft hun relatie tot de staat en het slavernijsysteem. In Suriname bewerkstelligden de Evangelische Broedergemeente en de Rooms-Katholieke Kerk de kerstening van de overwegend zwarte bevolking, terwijl de hervormde en lutherse kerken overwegend witte kolonistenkerken bleven.

Dit artikel bestrijkt de periode van 1667 (eerste predikant) tot 1975 (einde kolonie). Scharnierpunten in deze geschiedenis zijn 1828 (kerstening wordt overheidsbeleid) en 1863 (afschaffing slavernij).

Integrale geschiedschrijving De verwevenheid van de kerk met de koloniale staat maakt dat we niet kunnen spreken van een kerkgeschiedenis zonder kolonialisme en andersom. De kerken in de koloniale gebieden waren inherent koloniaal: zij arriveerden vanwege het bestaan van de kolonie en hoe ze vorm kregen werd bepaald door het koloniale systeem. Dit was uiteraard periode- en gebiedsgebonden, maar religie, kolonie en slavernij beïnvloedden elkaar voortdurend. De godsdienstvrijheid van de Republiek was in de kolonien echter ver te zoeken. Evenmin werd het verbod op slavernij zoals dat gold in de Republiek van toepassing geacht op de Hollandse koloniën.Bente de Leede, Martijn Stoutjesdijk (2023), Een 'vriendelijk en Gode aangenaam Ryk'? Protestantisme in het Nederlandse koloniale verleden. In: Kerk, kolonialisme en slavernij, p.10-24 'Beschaving' en tegelijkertijd 'slavernij' is een paradox van de geschiedenis.

Sinds de millenniumwisseling zijn de koloniale geschiedschrijving en de kerkelijke geschiedschrijving -vanouds gescheiden werelden- steeds meer samengekomen en spreekt men, in navolging van Vernooij, van de 'koloniale kerk' of kerken. Kritiekloze reproductie van historische archieven verhinderde lange tijd kritische distantie en een bredere blik. In de internationale historiografie wordt kolonialisme inmiddels niet meer alleen bestudeerd vanuit een politieke en economische bril, maar wordt ook het belang erkend van sociaal-culturele en religieuze relaties binnen de kolonie. Kerkplantingen, zendelingen en missionarissen worden daarom ook wel agents of empire genoemd; vertegenwoordigers van de koloniale staat.

De kerk en het christelijk geloof speelden een belangrijke rol in de koloniale beschavingsidealen en de legitimatie van de koloniale doelen. Economisch gewin en bekeringsdrift gingen veelal hand in hand; het bekende tweetal van de conquistador en de padre, de veroveraar (koopman) en de dominee.Ewald Vanvugt, Roofstaat, Nijgh en van Ditmar, 2015 Een derde prikkel om huis en haard in Europa te verlaten -niet vaak genoemd- was de ontmoeting met de naakte mens die als exotisch en erotiserend werd ervaren. De vleselijke genoegens leidden tot complexe samenlevingen ingedeeld naar huidskleur en gevat in nieuwe woorden als mulat, mesties en halfbloed.Glenn Helberg (2020), Door jouw liefde en de liefde van mijn voorouders gaat het goed. In: Heilzame verwerking van het slavernijverleden voor 'wit' en 'zwart', p. 127, 128

Kolonisatie van de ziel In 1828, met het zicht op mogelijke afschaffing van de slavernij en uit bezorgdheid om het voortbestaan van de kolonie, achtte het koloniaal bestuur van Suriname het essentieel om de slaafgemaakten middels het christendom aan zich te binden, hen te 'beschaven' en zodoende onder controle te houden. Slaven werden bij wet niet langer meer beschouwd als object, maar als persoon, als mens. Echter, om hun bekeringsarbeid te kunnen verrichten ontweken de betrokken zendelingen en missionarisen de strijd tegen het instituut van de slavernij.Alex van Stipriaan (2020), Slavernijverleden, daar kun je niet omheen. In: Heilzame verwerking van het slavernijverleden voor 'wit' en 'zwart', p 138-164

Het christelijke beschavingsoffensief van de koloniale kerken bracht in feite een 'religie van onderdanigheid' voort, in het Surinaams Sakafasi of nederigheid (Letterlijk: het hoofd laten zakken voor een meerdere). Dit droeg bij aan het 'erfelijk minderwaardigheidsgevoel' zoals Anton de Kom dat beschreef.Maurice San A Jong (2023), De rol van de zendingsmissie in de vrijheidsstrijd van de slaafgemaakten in de kolonie Suriname – Van de Kan Kantrieboom naar het kerkgebouw. In: Kerk, kolonialisme en slavernij, p 83-99 In zijn inmiddels beroemde boek Wij slaven van Suriname (1934) schreef hij: ‘toen de slavernij afgeschaft was greep men naar de bijbel om op spirituele gronden dezelfde gehoorzaamheid aan te kweken’.Karin Amatmoekrim (2020), Religie was eeuwenlang een middel voor onderdrukking, maar ook een inspiratiebron voor verzet, De Correspondent, 26 december 2020 Dit alles wordt ook wel genoemd 'kolonisatie van de ziel' of 'mentale slavernij'. Dit werd institutioneel gestuurd; zowel de kerk als de staat hebben hiertoe pressie uitgeoefend.

Veel historici na De Kom concludeerden dan ook dat de christelijke kerken de 'emancipatie' van de slaafgemaakten eerder hebben vertraagd dan bevorderd.Jozef Siwpersad (1979), De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij, Groningen: Bouma's Boekhuis Er is een historische lijn te zien waarin het fysiek-gewelddadige proces van tot slaaf maken langzamerhand overging in het mentaal tot slaaf maken, wat na de afschaffing van de slavernij volop verder ging. De reeds raciaal gesegmenteerde maatschappij werd door een (al dan niet bewust) verdeel-en-heers-beleid een standenmaatschappij gebaseerd op huidskleur: hoe witter hoe hoger, hoe zwarter hoe lager je plaats in de maatschappij. De sociale ordening werd mentaal geïnternaliseerd.

Regionale context De christelijke kerken hebben door de eeuwen heen in diverse delen van de wereld steeds te maken gehad met slavernij, lijfeigenschap en dus met de miskenning van menselijke waardigheid en respect, zowel binnen eigen gelederen als daarbuiten. Slavernij was lang een aanvaard economisch, politiek, cultureel en maatschappelijk fenomeen. Naar schatting zijn door de Nederlanders (WIC) 600.000 slaafgemaakte mensen vanuit Afrika naar West-Indië vervoerd, van wie ongeveer 240.000 naar Suriname.

Elke stap die de kersverse Republiek in de wereld zette, zette ze samen met de Gereformeerde Kerk. Deze vormde immers voor een deel het bestaansrecht van de Republiek die was voortgekomen uit een strijd tussen de protestantse Nederlandse provinciën en het grote katholieke Spanje. Predikanten stelden zich op als de intellectuele voorhoede van de jonge staat. Martijn Stoutjesdijk (2023), Kerk en slavernij, Onderzoeksproject PThU, VU en University of Curaçao, (brochure) De gouverneurs van de jonge koloniën aan de 'wilde kust' van Zuid-Amerika kregen als opdracht mee predikanten aan te stellen en deze te betalen. Hun eerste verantwoordelijkheid was de geestelijke verzorging van de Nederlanders overzee. Maar de Nederlandse koloniale onderneming was ook een voortzetting van de oorlog met de katholieke wereld. Elk op de Spanjaarden veroverd eiland en elke tot het calvinisme bekeerde ziel was een overwinning op het katholicisme. De gouverneurs en de predikanten hadden zonder de minste scrupules slaven en verhandelden slaven.

Suriname was niet de eerste Hollandse kolonie in de west waar christelijke kerken zich vestigden – Suriname was zelfs de hekkensluiterJoosse, L., 1996, De Westindische vaart en de kerk in West-Afrika en de Caraibiën (1594-1674): de positie van predikanten overzee en hun werk. Documentatieblad voor de geschiedenis van de Nederlandse zending en overzeese kerken. 3e jg. Nr.1, Kampen :

Vestiging Calvinisten / predikanten in de westelijke koloniënKolonie Vestigingeerste predikantEssequibo 1617 1658Cayenne 1626 1660Tobago 1627 1630Berbice 1627 1667Sint Maarten 1632 1659Sint Eustatius 1633 1643Curaçao 1634 1638Suriname 1665 1667 Opgemerkt dient dat Curaçao, net als de andere Caraibische eilanden, een hele ander kerkelijk verleden heeft dan Suriname omdat daar al vanaf 1526 door de Spaanse paters het katholicisme is gepredikt. De Afro-Curaçaonaren behoorden daarom al vroeg tot de Rooms-katholiek kerk; de Euro-Curaçaonaren waren protestants of joods.

De Afro-Surinaamse bevolking is weliswaar ook overwegend christelijk, maar verdeeld protestants en katholiek. De katholieke missie vestigde zich pas in 1817 in de van oudsher protestantse kolonie. Andere, na de afschaffing van de slavernij in Suriname gekomen bevolkingsgroepen zijn overwegend niet-christelijk: de Surinaamse Hindostanen bijvoorbeeld zijn overwegend hindoe, de Surinaamse Javanen overwegend moslim.Joop Vernooij (2011), Slavernij en kerken in Suriname, Nijmegen

Kerstening van Suriname Hieronder bespreken we de kerkgenootschappen in volgorde van hun introductie in de kolonie; eerst de gevestigde 'standskerken' (Gereformeerd/Hervormd en Evangelisch-Luthers) en daarna de zich min of meer invechtende 'volkskerken' (EBG en Rooms-katholiek). De gevestigde kerken noemden de EBG aanvankelijk een "secte", met "slecht opgeleide predikanten", maar deze framing veranderde na 1828 toen de EBG een duidelijke rol kreeg. De RK-kerk overigens achtte álle protestanten sectarisch; zij zouden moeten terugkeren in de schoot van de "moederkerk". Maar ook de katholieken leerden pragmatisch te leven in het verdeelde christelijke landschap van Suriname.Frank Jabini (2016), Christianity in Suriname : an overview of its history, theologians and sources, Langham Creative Projects, Carlisle

Hervormden De in Suriname vanaf 1667 al aanwezige Nederduits Gereformeerde Kerk bemoeide zich niet met de Afro- of inheemse Surinamers. De Hervormde kerk waarin zij overging, bleef een geheel witte kerk, van de koloniale elite.

De WIC was verplicht om aan de predikanten een slaafgemaakte of knecht te verschaffen als onderdeel van de bezoldiging, en predikanten kochten soms extra slaafgemaakten voor zichzelf of voor de compagnie. Die werden ingezet voor allerlei taken: om voor de paarden te zorgen, in het huishouden, voor de zieken, als roeiers of voor bouwwerkzaamheden. De eerste dominee in Suriname, Johannes Basseliers vulde zijn traktement stevig aan middels zijn suikerplantage met vijftig slaafgemaakten.Danny Noorlander, Epiloog. In: Kerk, kolonialisme en slavernij, p153-162 In die tijd was het ook nog zo dat de koloniale staat uit veiligheidsoverwegingen bepaalde dat er op tien slaven een blankofficier aangesteld moest worden, dus er waren relatief veel witten.

De koloniale overheid had in 1698 bepaald dat kinderen uit een heidense moeder en een christelijke vader gedoopt konden worden maar dan moest vader ten overstaan van twee getuigen beloven het kind een christelijke opvoeding te geven en moest de eigenaar van moeder toestemming voor de doop verlenen.Ort, J. (1963), Vestiging van de Hervormde Kerk in Suriname 1667-1800, Amsterdam: Sticusa Eigenaars moesten het altijd aan de kerkenraad melden als ze iemand de vrijheid gaven, want een vrijgemaakte kon geen heiden zijn. In 1747 werd voor het eerst een volwassen slaaf gedoopt. Hij kreeg de naam Johan Jacob van Paramaribo. In Nickerie werden later relatief veel vrijen lid van de hervormde kerk, omdat de EBG en de katholieken daar niet aanwezig waren. Predikant Andries Roelofsz had in 1848 nog elf slaafgemaakten in zijn bezit. De Hervormde kerk bleef ook na de afschaffing van de slavernij sterk aan de koloniale staat gelieerd, feitelijk tot aan de onafhankelijkheid van Suriname in 1975.

Luthersen

Ook de Evangelisch Lutherse Kerk, die zich in 1741 in Suriname vestigde, bleef grotendeels wit, maar toch anders. De Lutherse gemeente kocht in 1757 plantage Johan & Margaretha (‘kerkigron’) inclusief slavenmacht teneinde inkomsten te genereren.