Jhr. Duco Wilhelm Sickinghe (Zeist, 3 mei 1888 - Den Haag, 4 maart 1983) was een Nederlands luitenant-kolonel der artillerie en bestuurder van talrijke organisaties. Tussen 1919 en 1925 was hij ordonnans-officier van koningin Wilhelmina der Nederlanden, in welke hoedanigheid hij namens de Koningin (en de Nederlandse regering) deelnam aan diplomatieke missies, waaronder de kroning van koning Ferdinand I van Roemenië en Marie van Edinburgh in 1922.
Daarnaast bekleedde hij diverse bestuursfuncties, zowel binnen militaire organisaties als in de zorg en maatschappelijke instellingen. Hij was voorzitter van de Koninklijke Militaire Bond Pro Rege en de Nederlandse Vereniging van Ex-Politieke Gevangenen, commissaris van Stichting Hoenderloo en bestuurslid van het Diaconessenhuis Bronovo, de Waalse Kerk in Den Haag, de Nederlandse Vereniging van Krankzinnigengestichten, de psychiatrische inrichting Stichting Veldwijk en de Vereniging tot Christelijke Verzorging aan Zenuwzieken in Nederland.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Sickinghe lid van de Ordedienst, een Nederlandse verzetsbeweging. Hij werd in 1941 gearresteerd en korte tijd geïnterneerd in Kamp Schoorl, waarna hij tot het einde van de oorlog ondergedoken leefde. Hij was vicevoorzitter van Stichting Oorlogsmonument 1940-1945, verantwoordelijk voor het plaatsen van de bourdonklok op de Waalsdorpervlakte.
Biografie Sickinghe, telg uit het Groningse, oud adellijke regententengeslacht Sickinghe, werd in 1888 geboren als zoon van jhr. Onno Joost Sickinghe (1858-1948), gemeenteraadslid en gemeenteontvanger van Zeist, en Johanna Ignatia Jacoba Nepveu tot Ameide (1858-1942), telg uit het adellijke geslacht Nepveu.miniatuur|Sickinghe (eerste van links) achter de prinsessen Beatrix en Irene op het huwelijk van zijn dochter Corinne Sickinghe met jhr. Arnout Jan de Beaufort, 30 mei 1953Sickinghe trouwde in 1921 met jkvr. Wilhelmina Jeanne Marie Elisabeth Radermacher Schorer (1895-1965), telg uit het geslacht Schorer. Samen kregen zij twee kinderen, te weten:
jkvr. drs. Cornélie Jeanne Louise Mathilde Sickinghe (1923-2021); universitair docent en gouvernante van de prinsessen Beatrix en Irene, peetmoeder van Prins Constantijn der Nederlanden, echtgenote van de burgemeester van Markelo, jhr. Arnout Jan de Beaufort (1912-1966); telg uit het adellijke geslacht de Beaufort jhr. mr. Feijo Onno Joost Sickinghe (1926-2006); Nederlands topbestuurder, advocaat, commissaris, crisismanager, president-directeur van V.M.F. Stork en gemeenteraadslid te Driebergen-Rijsenburg, echtgenoot van Marguerite Cornélie van Eeghen (1928-2016); filantrope en maatschappelijk bestuurslid, telg uit het Amsterdamse koopmans- en patriciërsgeslacht van Eeghen
Duco Wilhelm Sickinghe was officier in de Orde van Oranje-Nassau en erelid van de Koninklijke Militaire Bond Pro Rege. Hij overleed na een kort ziekbed op 94-jarige leeftijd te 's-Gravenhage in 1983.NRC Handelsblad, 07-03-1983, Familie-berichten
Als militair miniatuur|314x314px|V.l.n.r. jhr. Agathon Gerard Sickinghe (1868-1954), jhr. Pieter Feyo Onno Rembt Sickinghe (1900-1974) en jhr. Duco Wilhelm Sickinghe (1888-1983)Sickinghe begon zijn loopbaan als militair in 1905 aan de Cadettenschool te Alkmaar.Naam- en ranglijst der officieren en reserveofficieren van het Koninklijke Nederlandsche Leger en van de officieren van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger, 1905, vier en zeventigste jaargang, Gorinchem 1905, p. 271. Bij het toelatingsexamen behaalde hij een 10 voor de Franse taal en eindigde hij als derde van de 150 kandidaten voor de 50 beschikbare plaatsen. Na twee jaar aan de Cadettenschool en drie jaar aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda werd hij in 1909 benoemd tot tweede luitenant bij het 1e Regiment Veldartillerie te Utrecht. Bij de mobilisatie op 1 augustus 1914 werd hij batterijcommandant in Brabant. Deze functie vervulde hij tot 1917.
In augustus 1917 bracht hij op uitnodiging van veldmaarschalk Paul von Hindenburg een bezoek aan het Duitse front tijdens de Eerste Wereldoorlog. Samen met kapitein jhr. C.M. Storm van 's Gravesande en reserve-eerste luitenant C.B.J. Muller reisde hij naar Berlijn, waar het gezelschap verbleef in Hotel Bristol aan Unter den Linden. In Hotel Adlon bood de missie een diner aan de daarvoor in aanmerking komende Duitse officieren aan. Vervolgens bezochten zij het hoofdkwartier van de Pruisische generaal Max von Boehn. Sickinghe omschreef hem als een 'bijzonder lastige man', die hem 'tot zijn verbazing' tijdens het diner aan zijn rechterhand plaatste.
Op 1 oktober 1917 werd Sickinghe in de rang van eerste luitenant aangesteld als instructeur aan de School Reserve Officieren Bereden Artillerie (SROBA), destijds onder commando van kapitein Johan Hendrik Westerveld. Deze functie vervulde hij tot 1 juni 1919.
Op 12 juni 1918 ontving hij een brief van prins Hendrik, echtgenote van koningin Wilhelmina, met de vraag of hij les wilde geven aan een nieuw kader van De Nederlandsche Padvinders, opgericht in 1915.Janine Jager: De Maarschalkstafel, Dagboeken van Duco Wilhelm Sickinghe, ordonnansofficier van koningin Wilhelmina. Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 2019; p. 21. Vanaf 1 juni 1919 was Sickinghe luitenant-adjudant van de IIIe afdeling van het 1e Regiment Veld Artillerie te Amersfoort.
Enige tijd later werd hij door Fritz Bauduin, viceadmiraal en chef van de militaire staf van het Koninklijk Huis, gevraagd om ordonnansofficier van koningin Wilhelmina te worden. Sickinghe stemde hiermee in en vervulde deze functie van 1 oktober 1919 tot 1 mei 1925.
In zijn periode als ordonnans-officier was hij aanwezig bij verschillende aangelegenheden met- of namens de Koningin en bracht hij veel tijd door met prins Hendrik. In 1921 volgde het bezoek van kroonprins (later keizer) Hirohito van Japan, vergezeld door zijn oom prins Kanin aan Nederland. Tijdens dit bezoek werd Sickinghe gevraagd een Japanse admiraal het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau om te hangen. miniatuur|Sickinghe uitgelicht als ruiter achter het rijtuig in de stoet van prins Hendrik van Mecklenburg-Schwerin en kroonprins Hirohito van Japan voor station Hollands Spoor in Den Haag, 17 juni 1921
Van 1 Mei 1925 tot 1 November 1927 was Sickinghe toegevoegd aan de commandant van de 1e artillerie-Brigade; in deze periode tevens officier commissaris belast met de instructie van strafzaken in het garnizoen 's-Gravenhage. Van 1921 tot 1927 was Sickinghe batterij-commandant van de 3e schoolbatterij, 2e Regiment Veld Artillerie.
In 1930 was Sickinghe secretaris van de studiecommissie, ingesteld door de Nationale Christen Officieren Vereniging. De commissie, verder bestaande uit generaal-majoor jhr. Willem Röell, professor Johannes Kielstra en ds. Jan van Nes (1886-1949) adviseerde omtrent het vraagstuk van de geestelijke verzorging van de weermacht.(Vertrouwelijk, 001490), Verslag van de Studie-Commissie, ingesteld door de Nationale Christen-Officieren-Vereeniging op haar Jaarvergadering van 15 december 1930, ten einde: te adviseeren omtrent het vraagstuk van de geestelijke verzorging van onze weermacht, Gouda 1930/1931/1932, p. 2 & 25 (Delpher)
In oktober 1931 volgde een bevordering tot kapitein-adjudant van het 2e Regiment Veld Artillerie en vanaf mei 1934 tot januari 1935 was Sickinghe secretaris van de commissie luchtverdediging Zuiderzeewerken. Van 1935 tot 1936 stond Sickinghe ter beschikking van de inspecteur der burgerwachten met bestemming dienst te verrichten bij de Vrijwillige Burgerwacht te Amsterdam.
Op eigen verzoek ging hij op 1 januari 1936 met pensioen nadat hij had berekend dat hij voor promoties nog zeker 2x moest verhuizen. Hij werd op 1 mei 1938 bevorderd tot reserve-majoor.
Kroning van Ferdinand I en Marie van Roemenië miniatuur|De kroning van Ferdinand en Marie In oktober 1922 maakte Sickinghe als lid van een buitengewone koninklijke missie, samen met jhr. Cornelis Lubertus van Suchtelen van de Haare en Reynoud Adolph baron van Hardenbroek van Lockhorst, deel uit van de Nederlandse delegatie die koningin Wilhelmina, prins Hendrik en de Nederlandse regering vertegenwoordigde bij de kroning van koning Ferdinand I van Roemenië en koningin Marie van Edinburgh.
Op 7 oktober begon het gezelschap aan een driedaagse treinreis vanuit Amsterdam, via Wenen en Boedapest, naar Boekarest. Bij de stad Curtici, nabij de Roemeense grens, werd het drietal opgewacht door Matila Ghyka, eerste secretaris van het Roemeense ministerie van Buitenlandse Zaken en officier in het Roemeense leger, die later een van de belangrijkste leden van de Roemeense diaspora zou worden. De secretaris zou hen de rest van de reis begeleiden en Sickinghe omschreef hem als een aangename en onderhoudende gesprekspartner die prachtig, accentloos Frans sprak. Bij aankomst op het station van Boekarest werden zij ontvangen door onder anderen dr. Hendrik Muller, attaché Hugh Loudon en consul-generaal Charles Marie Dozy. Gedurende zijn verblijf in Roemenië voerde Sickinghe vrijwel al zijn gesprekken in het Frans. miniatuur|Kasteel Peleș, voormalig zomerpaleis van de koninklijke familie Het gezelschap verbleef in het hotel Athénée Palace, dat in de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog bekend zou komen te staan als een van Europa's beruchtste spionnenhotels. De delegatie werd beveiligd door drie rechercheurs.
Op 11 oktober werden de delegatieleden ontvangen door Miron Cristea, metropoliet van Walachije en aartsbisschop van Boekarest.Janine Jager: De Maarschalkstafel, Dagboeken van Duco Wilhelm Sickinghe, ordonnansofficier van koningin Wilhelmina. Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 2019; p.138. Een dag later vertrokken zij naar Sinaia, waar zij werden ontvangen door generaal en hofmaarschalk Paul Angelescu (1872–1949). Sickinghe overnachtte op Kasteel Peleș, in de voormalige kamer van een hofdame van koningin Elisabeth zu Wied.Janine Jager: De Maarschalkstafel, Dagboeken van Duco Wilhelm Sickinghe, ordonnansofficier van koningin Wilhelmina.Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 2019; p.142.
Het officiële programma duurde van 13 tot en met 17 oktober. Op 14 oktober woonde Sickinghe de kroning bij in de Kroningskathedraal in Alba Iulia. Tijdens de plechtigheden werd hij voorgesteld aan de koning en koningin, aan wie hij zijn felicitaties overbracht. Ook ontmoette hij onder anderen de Franse maarschalk en voormalig geallieerd opperbevelhebber Ferdinand Foch en de Roemeense generaal en voormalig premier Alexandru Averescu, die hij omschreef als een krachtige persoonlijkheid en een der grote politici.Janine Jager: De Maarschalkstafel, Dagboeken van Duco Wilhelm Sickinghe, ordonnansofficier van koningin Wilhelmina.Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 2019; p.156. Daarnaast woonde hij te paard een indrukwekkende troepenschouw bij.
Na afloop van de kroningsplechtigheden bezocht Sickinghe de Nederlandse kolonie in Moreni, een van de eerste plaatsen ter wereld waar aardolie werd gewonnen. Samen met een Nederlandse delegatie bezocht hij er de olievelden en raffinaderijen van Astra Română.
Sickinghe werd onderscheiden met het officierskruis in de Orde van de Ster van Roemenië.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog Tijdens de mobilisatie in 1939-1940 in Brabant (Oss) werd Sickinghe commandant van de derde legerkorpstrein. Op 1 April 1940 werd hij commandant van het 1e Depot Bereden Artillerie te 's-Gravenhage. In die functie maakte hij de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog mee. miniatuur|Portret van de verzetsstrijder en oprichter van de Ordedienst, Johan Hendrik Westerveld (1880-1942)