miniatuur|Stadswallen Een aantal polderdorpen in de regio rondom Antwerpen maakten plaats voor de havenuitbreiding. Het gaat zowel over de linker- als de rechter Scheldeoever.
Polderdorpen vlak bij Antwerpen zoals Wilmarsdonk, Oorderen, Oosterweel en Lillo werden gesloopt en werden in gebruik genomen als havengebied. De havenactiviteiten die zich sinds de twaalfde eeuw afspeelden in het historische centrum binnen de stadswallen van de stad verschoven stapsgewijs in noordelijke richting. De polderdorpen moesten ruimte maken voor haventerreinen die vooral buitenlandse multinationals aantrokken.
Geschiedenis van de haven van Antwerpen (1500-1965)
Rond 1500 nam Antwerpen de plaats in van Brugge als handelscentrum van Noordwest- Europa. Via de Schelde was Antwerpen verbonden met de Noordzeekust. Het was een belangrijke handelsweg. In de twaalfde eeuw was Antwerpen een goederenhaven voor Duitse wijn, metalen en vis met eindbestemming Engeland. De Antwerpse schippers brachten vanuit Engeland vooral wol, graan, tin, lood en levensmiddelen mee. Maar ook de industrie in de Lage Landen, meer bepaald de lakenindustrie deed de haven ontwikkelen. De Schelde heeft een grote invloed gehad op wat Antwerpen is geworden, namelijk een wereldhaven. De geschiedenis toont aan dat op momenten dat Antwerpen en de Schelde in handen van bezetters was, dit leidde tot economisch verval. De economische terugval was te wijten aan het blokkeren van de doorgang van de Schelde, zoals dit bijvoorbeeld het geval was in 1585 toen Antwerpen in handen kwam van Spaanse bezetters onder leiding van Alexander Farnese.
alt=NAPOLEONKAAI BONAPARTEDOK MAS|miniatuur|Napoleonkaai alt=Museum aan de stroom 't Eilandje Antwerpen|miniatuur|Napoleonkaai met het MAS Napoleon Bonaparte creëerde in de periode rond 1811 een grote vooruitgang voor de Antwerpse haven door dokken te laten bouwen die het laden en lossen van grotere schepen mogelijk moesten maken op een getijrivier. Een van deze gebouwde dokken draagt de naam van Napoleon, namelijk de Napoleonkaai en het Bonapartedok.
Tussen 1830 en 1863 had de stad Antwerpen niet de controle over de Scheldemonding. Er moest tol betaald worden aan de Zeeuwen en Hollanders voor elk schip dat vanaf de Noordzee Antwerpen wilde bereiken. De tol werd berekend op basis van het gewicht van de goederen dat het schip aan boord had. De concurrentiepositie van Antwerpen had hieronder sterk te lijden. Antwerpen verloor haar rol als wereldhaven, door de tolheffing verminderde het goederenverkeer sterk. In 1863 kocht Antwerpen de Scheldetol af. België betaalde de eenmalige afkoopsom van 36 278 566 frank, en daarmee moest er niet meer betaald worden om de Schelde te mogen bevaren. Dat de Schelde terug vrij was bracht een heropleving van de handel in de stad. Antwerpen heroverde zijn titel als wereldhaven en kon probleemloos concurreren met andere Europese havens zoal Hamburg, Liverpool, Londen en Rotterdam.
Dankzij de haven kende Antwerpen succes als handelsstad. Om meer en grotere schepen te ontvangen werden tussen 1860 en 1888 de Scheldekaaien gebouwd. Door de bouw ervan en door de aanleg van nieuwe dokken buiten de stadswallen steeg de aanmeerlengte. De groei van de haven gebeurde vanuit het centrum richting het noorden van Antwerpen, daar kwamen nieuwe dokken en sluizen. Zo verhuisde de haven steeds verder weg van de stad en kreeg de haven ruimte om te groeien.
Omdat vervoer over zee het goedkoopste was, was maritiem transport voor de invoer van goederen in Antwerpen zeer belangrijk. Het ging vooral om specerijen, suiker en katoen. De geografische ligging van Antwerpen was altijd al een meerwaarde voor economische opportuniteiten in de stad en de regio.
Het havengebied anno 1940 strekte zich uit van het Bonapartedok tot Ekeren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de haven van Antwerpen redelijk gespaard van vernielingen, in tegenstelling tot andere Europese havens zoals de haven van Hamburg en de haven van Rotterdam. Zowel Hamburg als Rotterdam werden zeer zwaar getroffen tijdens de oorlog en stonden voor een volledige heropbouw. Door de heropbouw van beide havens stonden die veel verder in hun technologie en ontwikkeling dan Antwerpen. Antwerpen was genoodzaakt te innoveren wilde het een concurrentiële haven blijven. Voor deze investering gebruikte men de middelen uit het Marshallplan. Naast het Marshallplan was ook het Tienjarenplan in opstart. Het Tienjarenplan van 1955 tot 1965 diende om de haven uit te breiden. Antwerpen kreeg vijf sluizen met elk hun eigen dokken en leverde de capaciteit om de groeiende goederenstroom te kunnen behandelen.
Uitbouw van de haven op de Antwerpse rechteroever miniatuur|Zandvlietsluis ter hoogte van Berendrecht Al van in 1936-1937 was de uitbouw van dokken met sluizen bezig, sluizen die het getijdenverschil van de Schelde opvingen. Deze nieuwe dokken moesten toegang verlenen aan de alsmaar groter wordende zeeschepen. De uitbreiding van de haven slorpte de polderdorpen Wilmarsdonk, Lillo, Oorderen en Oosterweel op.
Het dorp Oorderen werd gesloopt en ingezet als bedrijfsterrein voor General Motors. Lillo werd afgebroken en op die oppervlakte werd het Kanaaldok gegraven.
De woonzone werd vervangen door economie en industrie, die op haar beurt opportuniteiten bracht in de werkgelegenheid. De afbraak van de dorpen ging gepaard met verzet van de bewoners, maar het verzet bleef zonder resultaat. De bewoners maakten plaats voor de komst van petrochemische bedrijven, goederenbehandelaars en havenbedrijven.
In 1967 werd op enkele kilometers van de Nederlandse grens de toen grootste sluis ter wereld operationeel, namelijk de Zandvlietsluis, gelegen in Berendrecht, Noord Antwerpen. De uitbreiding van de haven van het centrum richting noord was niet onbegrensd, de uitbreidingsmogelijkheden stopten aan de Nederlandse grens. Uitbreidingsmogelijkheden waren er enkel nog op de linkeroever, namelijk in de polderdorpen van het Waasland. Uitbreiden richting Linkeroever was geen nieuwe denkpiste, zelfs Napoleon had hier in de 19de eeuw al plannen voor gemaakt. "La Ville Napoleon", hat plan van Napoleon uit 1813 moest van Linkeroever een versterkte stad maken om Antwerpen als wereldhaven en militaire kracht te kunnen bijstaan. Plannen werden uitgetekend maar enkel de vestingsmuren werden gerealiseerd.
Uitbreiding richting Scheldepolderdorpen In tegenstelling tot Antwerpen in de twaalfde eeuw was Het Waasland (Land van Waes) in de twaalfde eeuw een bosrijk gebied, overwegend agrarisch, dunbevolkt met weinig stedelijke ontwikkeling. De Wase regio rond de Schelde ter hoogte van de Antwerpse haven had een specifieke natuurontwikkeling, een eigen cultuur en bestond uit een landbouwlandschap van 75 km².
Onder Wase polders viel de regio tussen de Schelde en van Zwijndrecht tot Stekene.
De regio omvatte de gemeenten Doel, Prosper-Polder, Kieldrecht, Verrebroek, Kallo en Sint Gillis Waas.
Vele plannen doorheen de geschiedenis zonder werkelijke uitvoering te realiseren, tot de plannen van 1963 om van de Linkerscheldeoever havengebied te maken. Stad Antwerpen en de haven rekende op ongeveer 10.000 hectare grond om in te zetten als industrie- en havengebied.
Vanaf 1964 begon Antwerpen plannen te maken om de polderdorpen om te vormen tot industriegebied, uitbouw van dokken en zeesluis. Dit betekende het einde voor de Sint-Annapolder, Doelpolder, Oud Arenbergpolder, Nieuw Arenbergpolder, Prosperpolder en Konings-Kieldrechtpolder. Landbouwers die daar hun bedrijven hadden werden onteigend.
In augustus 1967 werd er een voorontwerp gewestplan opgesteld waarin beschreven werd dat Kallo, Doel, Verrebroek en Meerdonk zou verdwijnen voor de aanleg van havengebied. Dit lokte protest uit van de lokale bevolking en hierdoor werd het voorontwerp in november 1967 herzien. Men zou de landbouwgronden omzetten in havengebied, maar de dorpskernen zouden blijven bestaan.
In 1973 fusioneerden de polders tot "Nieuwe polders van het Land van Waas".
Onderstaande tabel toont aan over welke gebieden en oppervlakte gesproken werd voor onteigening. De rol van Doel in de haven Doel ontstond in 1260 door indijking van de Schelde. De eerste functie die Doel kreeg in het maritieme gebeuren was een quarantainefunctie. Schepen die Antwerpen wilden binnenvaren na hun zeereis werden eerst 3 dagen in quarantaine gezet in Doel vooraleer ze toegang kregen tot Antwerpen. De bemanning van de schepen moest eerst een medisch controle laten doen door quarantainedokters. Wanneer een bemanningslid getroffen was door een besmettelijke ziekte, moet het schip veertig dagen ter plaatse blijven. Doel beschikte over dokters, doktershuizen en een klooster waar men zieken kon opvangen
Het dorpje Doel, ook gekend voor de Kerncentrale Doel die daar gevestigd is, ligt in de polder, aan de Schelde, ter hoogte van de haven van Antwerpen. Havenuitbreidingen bedreigen het dorp sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Eind jaren zestig werden de eerste plannen gemaakt.
Impact van de ontwikkeling op Doel alt=SCHELDEMOLEN DOEL|miniatuur|Scheldemolen, Doel. In de jaren ‘67-‘68 beleefde de economie een hoogconjunctuur en daardoor zocht de haven van Antwerpen beschikbare oppervlakte om uit te kunnen breiden. De regio rondom Doel was de perfecte locatie om uit te breiden. De plannen voor de uitbreiding van het havengebied in het Waasland leidden tot een bouwstop in de dorpen Doel, Verrebroek, Kallo, Meerdonk en Kieldrecht. Ongeveer 1300 inwoners leefden sindsdien in onzekerheid omdat ze vreesden voor het voortbestaan van hun dorp. Aan de hoogconjunctuur kwam een eind wanneer de oliecrisis zich opdrong in 1973, er was een economische terugval, ook in havenactiviteiten en goederenstromen. De nood aan extra havengebied werd minder urgent.
In 1977 bracht Staatssecretaris voor Economie Mark Eyskens (CVP) Doel een bezoek. Na 10 jaar onzekerheid kregen de bewoners de garantie dat Doel zou blijven bestaan. Die belofte werd opgenomen in het Gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren.
Anno 1995 lekten plannen uit voor de bouw van een enorme containerterminal Deurganckdok. De komst van het Deurganckdok wekte opnieuw onzekerheid op bij de inwoners van Doel. Deurganckdok zou ingeplant worden vlak naast het dorp. De beslissing dat Doel moest verdwijnen viel in 1998.
Het Gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren van 1978 werd gewijzigd van woonzone naar industriegebied en later naar zeehavengebied. De leegloop ging van start. De overgebleven bewoners uit de regio verenigden zich in burgerbewegingen en zij tekenden verzet aan tegen de beslissing die zij onpersoonlijk via de media vernamen. Voor deze ongelukkige manier van communiceren bood de toenmalige burgemeester Smet achteraf zijn excuses aan. Van de honderden Doelenaars bleef slechts een twintigtal mensen wonen in het dorp. Zowel de school als de bibliotheek en handelszaken sloten hun deuren. Rijwoningen en villa's kwamen leeg te staan, waardoor ze het doelwit waren voor graffitispuiters.
Samen met Interwaas werd er een Sociaal begeleidingsplan voor Doel opgesteld. Het verzet dat de burgerbewegingen aantekenden kende succes want de Raad van State verklaarde op 6 juni 2000 de bestemmingswijziging in het gewestplan als nietig. Doel bleef woonzone in plaats van omgevormd te worden tot Zeehavengebied.