thumb|Oud-Gemeentehuis thumb|Sint-Martinuskerk thumb|Sint-Martinuskerk thumb|Boskapel (1760) in het Lang Bos (kapellekensbos) thumb|interieur van de boskapel in het Lang Bos, met centraal het in 1683 gestolen beeld van O.-L.-Vrouw-van-Goede-Wil uit Duffel thumb|Tweede boskapel (1838) in het Lang Bos, opgericht door de bewoners van Lint thumb|interieur van de tweede boskapel thumb|Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangen kerk en pastorie gezien vanuit het Patersbos (n.o.v. C. Van der Voodt in “nieuwe zakelijkheid”) thumb|Treinramp van Kontich thumb|Villa Rest and be thankful waar het Verdrag van Kontich werd getekend Kontich is een Belgische gemeente en plaats in de provincie Antwerpen en het gelijknamige arrondissement. De gemeente telt ruim 21.000 inwoners.

Kontich is de hoofdplaats van het kieskanton en het gerechtelijk kanton Kontich.

Toponymie Waar de naam van de gemeente vandaan komt, is vooralsnog in mysterie gehuld. Er zijn twee verhalen die de naam van Kontich trachten te verklaren.

Zo vertelt een oude volkssage dat Kontich aan zijn naam zou zijn gekomen doordat er een reus met zijn ene voet op de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen zou hebben gestaan en met zijn andere op de Sint-Romboutstoren van Mechelen. Ter hoogte van zijn achterwerk zou Kont-ich hebben gelegen.

Een tweede verhaal gaat terug naar de Gallo-Romeinse naam Condacum, die op zijn beurt is afgeleid van het Keltische Con Blani, dat 'plaats bij de samenvloeiing' zou betekenen. Het betreffende gebied strekte zich uit van de samenvloeiing van Rupel en Schelde en over de grondgebieden van de huidige omliggende gemeenten Lint, Hove, Edegem, Mortsel, Niel, Reet, Schelle, Aartselaar, Hemiksem, Boom en Waarloos. Een bezwaar tegen deze theorie is dat het centrum zich dan wel erg ver van het water zou hebben bevonden.Flarden uit het verleden (p. 15-16); Frank Hellemans naar Robert Van Passen - Historische Schets

Ten slotte is er nog de hypothese die vertrekt van de naam Contiacum dat vertaald kan worden als de nederzetting van de roemruchte Contius, een Keltisch stamhoofd.De Vlaamse Gemeentenamen. Verklarend woordenboek; Frans Debrabandere & Magda Devos; Davidsfonds; Leuven; 2010, Vlaamse Gemeentenamen; De Fakkel

Geschiedenis Neolithicum De vroegste sporen van menselijke bewoning gaan terug tot het begin van het Neolithicum. Uit deze periode zijn tijdens de aanleg van de Koningin Astridlaan in 1937, een aantal hutkommen ontdekt waarin stenen gebruiksvoorwerpen werden gevonden. Kontich bestond in die tijd voornamelijk uit wouden met ondoordringbare moerassen.

Bronstijd In 1898 werd op het perceel 'Pronkenberg' tijdens de aanplanting van een bos een groot aantal urnes met massa's bijpotjes en overblijfselen van beenderen aangetroffen. Uit dezelfde periode stamt ook de vindplaats Blauwesteenbos. Wetenschappers zijn het echter nog niet eens of ze reeds uit de 11e eeuw of 'slechts' uit de 7e eeuw voor onze tijdrekening stammen.

Gallo-Romeinse tijd Vanaf 450 v.Chr. bevolkten Galliërs het gebied en bouwden een dorpje in het huidige Neerveld, tussen de Alfsberg, de Kauwlei en de Ooststatiestraat. Deze Galliërs waren voornamelijk landbouwers die geiten en schapen hoedden en gerst en knolgroenten teelden. Zij bleven aanwezig tot de komst van de Romeinen. Hierna zijn er amper bewoningssporen te Kontich, het is niet duidelijk wat er met de toenmalige inwoners gebeurde. Feit is wel dat het duurde tot het begin van onze jaartelling vooraleer nieuwe volksstammen de vrijgekomen gronden begonnen te bewonen. Het duurde ongeveer een eeuw voor deze nieuwe bewoners 'romaniseerden'.

Dat Condacum een belangrijke plek was in deze vroege tijden, mag ook blijken uit de resten van de Mithras-tempel, een van de grootste die er in de omgeving is gevonden. Dit valt af te leiden uit opgravingen die plaatsvonden van 1964 tot 1987 en uitgevoerd werden door de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA), op de vroegere woonplek van deze stam. De tempel bleek een stevige constructie te hebben en afgewerkt te zijn met een laag dakpannen. In de omgeving ervan werden tal van votiefbeeldjes van Romeinse goden en offerresten gevonden. Zeer merkwaardig is dat bij de opgravingen tevens een zwaard van Germaanse makelij werd gevonden.

Op basis van sporen in de grond kon men (op papier) een hele straat reconstrueren, waarlangs een reeks eenvoudige huisjes van boeren en arbeiders moeten hebben gestaan. De meeste gebouwen uit deze periode waren in hout en vlechtwerk opgetrokken en met leem bestreken. Het dak was veelal van stro. In de bodem werden tal van interessante aardewerkscherven aangetroffen, onder andere ook kostbaar Romeins luxe keukengerei, dat als “terra sigillata” (gestempeld aardewerk) bekendstaat.

Ander fraais dat gevonden werd, zoals bronzen sieraden, glas en muntstukken en een ganse pottenbakkersoven zijn te bezichtigen in het Archeologisch en heemkundig Museum. Dwars door dit oude dorp werd op het einde van de 20e eeuw de Gallo-Romeinenlaan getrokken.

Op de Alfsberg werden tevens fragmenten van een 'hypocaustum' (Romeinse vloer- en muurverwarming) aangetroffen, wat wijst op de aanwezigheid van een Romeinse villa. Deze plek is in de volksmond beter bekend als de IJzermaalberg, genaamd naar de ijzermaal waaruit de bewoners ijzer 'slakken' wonnen om er de Romeinse weg mee te verharden.

Maar ook andere plaatsen waren reeds bewoond. Zo getuigt de gereconstrueerde Romeinse waterput in het gemeentepark, die in 1947 werd gevonden in de velden links van de Groeningenlei. Dergelijke relicten wijzen op het belang van de heirbaan die Condacum met Villariacum verbond en toont aan dat die reeds druk bewoond was. Via het zuiden was Kontich verbonden met Rumst en via Rumst met de vicus van Elewijt en die van Asse.

Middeleeuwen Volgens de overlevering zou de heilige Reinildis afkomstig zijn van Kontich, hoewel dit door historische bronnen weerlegd is, staat wel vast dat deze nicht van Pepijn van Landen hier grond bezat die ze omstreeks de 7e eeuw aan de abdij van Lobbes in Henegouwen schonk. Door de plundertochten van de Vikingen, moest de bisschop van Kamerijk echter in 1149 herbevestigen dat de kerk van Kontich eigendom was van Lobbes. Dit hield in dat ze de pastoor mochten benoemen en via hem de tienden innen. Nu was Kontich in die tijd een speciale gemeente omdat er toen twee kerken stonden op amper een boogscheut van elkaar.

De oudste, en ondertussen verdwenen kerk was de Sint-Martinuskerk, die op het huidige Sint-Martinusplein gelegen was met daarrond een uitgestrekt kerkhof. Dit eenvoudige kerkje was grotendeels opgetrokken uit hout en bedekt met een strooien dak. Omstreeks de 17e eeuw raakte het kerkje in onbruik en afgebroken. De naam van de patroonheilige en de eredienst werden overgedragen aan de nieuwe kerk. De brokstukken (waaronder fragmenten van een doopvont) werden gerecycleerd en gebruikt voor de bouw van een nieuwe boerderij (de latere 'Oude Eendracht', het stamcafé van de schuttersgilde).

De tweede kerk, gebouwd tussen 1088 en 1149 op de in onbruik geraakte Frankische biest op het grondgebied van de Mechelse familie Berthouts, werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Ze was voorzien van een massieve toren in romaanse stijl met muren van meer dan één meter dik, waarachter de parochianen zich konden terugtrekken wanneer de Vikingen (of andere snoodaards) hier op plundertocht voorbijtrokken. Er was onderaan geen deur voorzien, zodat men genoodzaakt was een ladder te gebruiken die, indien nodig, binnengetrokken kon worden.

Dat Sint Maarten (4e eeuw na Christus) hier reeds van oudsher werd vereerd, bewijst ook het bestaan van de Sint-Martinusput in de Nachtegaalwijk. Deze doopput gaat terug naar het vroegste christendom, toen de bevolking hier gekerstend werd. Het water van deze bron werd tot honderd jaar geleden gebruikt om oogkwalen te genezen.

Ancien régime Zoals reeds vermeld, behoorde Kontich lange tijd toe aan de familie Berthout, andere delen behoorden echter toe aan de hertogen van Brabant en waren aangesloten bij het Land van Rijen. Deze situatie leidde tot heel wat bestuurlijke en juridische verwikkelingen. De hertog van Brabant wees op zijn beurt de “heerlijkheid” Kontich toe aan de heer van Kontich, Koenraad Pot, omstreeks 1505 als pand of tegen betaling. Vanaf dat moment vertegenwoordigen de 'heren van Kontich' het wereldlijk gezag, met recht op leven en dood van hun onderdanen.

Deze 'heren van Kontich' waren achtereenvolgens Koenraad Pot (1505), Frans de Schot (1558), Kardinaal Granvelle (1572), Lucas van Opmeer (1626) en verschillende leden van het Spaans-Portugese geslacht Franco-y-Feo (1664-1794). Zij resideerden traditioneel in het Kasteel Groeningenhof vanaf Lucas van Opmeer tot op het einde van de 18e eeuw, toen de Fransen korte metten maakten met het ancien régime. Het wordt trouwens nog altijd Kontich(s)hof genoemd en is sinds 1830 eigendom van de familie della Faille, de vroegere heren van Waarloos.

Moderne tijd Op donderdag 21 mei 1908 vindt de 'treinramp van Kontich' plaats met 41 doden en 320 gewonden. Volgens onderzoeksrechter Vermeer, die de zaak leidde was de hoofdoorzaak van de ramp, "een slechte organisatie en een gebrek aan overeenstemming in het bestuur van de uit te voeren werken".

In de tweede helft van 19e eeuw laten vele adellijke en rijke burgers uit Antwerpen "hoven van plaisantie" optrekken in Kontich. De gemeente was immers gunstig gelegen: ver van alle drukte, maar toch goed bereikbaar dankzij de Heerbaan van Antwerpen naar Mechelen. De tand des tijds was echter niet mild voor deze mini-kasteeltjes der notabelen, waarvan enkel het Tanghof en kasteel Altena nog resteren. Sommigen werden afgebroken, anderen werden verlaten zoals het hof van Spruyt dat gelegen was in het bronnengebied Boutersem. De familie nam deze beslissing omdat er tijdens de Eerste Wereldoorlog Duitsers hun hoofdkwartier in hadden gevestigd. Het is tevens de plek waar het Verdrag van Kontich op 9 oktober 1914 getekend werd, dat de capitulatie van Antwerpen inluidt.

In 1870 werd Lint van de gemeente Kontich afgesplitst. Vanaf de Franse overheersing tot 1870 was Lint deel van de gemeente Kontich geweest. De grens tussen beide gemeenten werd bepaald door spoorlijn 25. Op het einde van de 19e eeuw werd de pastorietuin op het Sint-Jansplein openbaar en werden er jaarlijks Kontichse Kermissen gehouden. Tevens ging er een processie uit.Kermis in Kontich voor de Tweede Wereldoorlog; Museum Kontich; juli 2009

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in de gemeente een opleiding voor een rexistisch elitekorps ingesteld. Deze militaire opleiding stond onder leiding van de Wehrmacht en moest rexisten in staat stellen zich voor te bereiden op een eventuele revolte van het verzet. Feitelijk ging het over een door de Duitsers geleide opleiding tot Hilfsfeldgendarme. Onder meer Achilles Lassoie, Adolphe Draelants en Marc Stordeur (respectievelijk Rex-burgemeesters van Wasmes, Sautour en Villers-le-Gambon) volgden de opleiding.Tom De Munck; Rex-burgemeesters voor het gerecht; De sociale positie van Rex-burgemeester aan de hand van naoorlogse trafdossiers; Universiteit Gent; 2015. Gearchiveerd op 22 september 2021.