De tweede stadsmuur van Maastricht, ook wel tweede middeleeuwse stadsmuur of tweede stadsomsluiting van Maastricht, is de tweede stenen stadsmuur, die tijdens de late middeleeuwen tot stand kwam in de toentertijd Luiks-Brabantse stad Maastricht. De 3,6 km lange muur werd vanaf 1294 over een periode van circa twee eeuwen gebouwd ter bescherming van het toen vastgestelde, zeer ruim bemeten stadsgebied op de linker Maasoever. Dit gebied omvatte circa 114 hectare, min of meer overeenkomend met de tegenwoordige CBS-buurten Binnenstad, Boschstraatkwartier, Statenkwartier, Kommelkwartier en een gedeelte van het Jekerkwartier.

Na de opheffing van de vestingstatus van Maastricht in 1867 werd de stadsmuur, inclusief alle poorten, grotendeels gesloopt. Van de grotendeels veertiende-eeuwse muur resteren nog diverse delen aan de zuidzijde van het stadscentrum, ingebed in het Stadspark Maastricht. Daaronder bevinden zich de iconische, deels herbouwde Pater Vincktoren, de waterpoort De Reek en enkele muurfragmenten met een totale lengte van circa 750 meter. Deze zijn beschermd als rijks- of gemeentelijk monument.Inventaris vestingwerken (2011), p. 2.kaartviewer.maastricht.nl (selecteer 'Gemeentelijk Monument' en 'Rijksmonument').

Geschiedenis Eerste stadsmuur Over de bouwgeschiedenis van de eerste middeleeuwse stadsmuur van Maastricht bestaat nog veel onduidelijkheid. De meeste auteurs gaan uit van een ontstaansgeschiedenis in het tweede kwart van de dertiende eeuw. Daarvoor, uiterlijk in 1204, maar mogelijk al in het laatste kwart van de twaalfde eeuw, bestond er een aarden stadswal met daarop houten palissades.Morreau (1979), pp. 3-4. Deze primitieve verdedigingswal werd tijdens het Beleg van Maastricht (1204) verwoest door de Luikse bisschop Hugo van Pierrepont, medeheer van het tweeherige Maastricht. In 1229 verleende de andere heer van Maastricht, hertog Hendrik I van Brabant, toestemming voor de bouw van een stenen stadsmuur.Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), p. 56.Morreau (1979), pp. 4-5. Waarschijnlijk werd nog in hetzelfde jaar begonnen met het (opnieuw) opwerpen van aarden wallen en het graven van grachten, voor zover die niet al eerder waren hersteld, alsmede de bouw van stadspoorten en waltorens. Van de enige bewaard gebleven poort, de Helpoort, wordt aangenomen dat deze in zijn huidige, stenen vorm dateert uit circa 1230. Mogelijk waren de poorten aanvankelijk met elkaar verbonden door aarden wallen met palissades, maar lang kan deze situatie niet geduurd hebben. De stenen muur was vermoedelijk omstreeks 1250 voltooid. Over het functioneren van de muur tijdens de Luiks-Brabantse oorlogen (1204-1378), zoals het beleg van 1267 en dat van 1303, zijn nauwelijks details bekend.

Bouw tweede stadsmuur Enkele decennia na de voltooiing van de eerste stadsmuur, nog in de dertiende eeuw, ontstond de wens om een groter stadsgebied te ommuren. De bouw van de tweede middeleeuwse stadsmuur begon aan het einde van de dertiende eeuw voortvarend, maar sleepte zich daarna de gehele veertiende en een groot deel van de vijftiende eeuw voort. In 1294 vonden voor zover bekend de eerste werkzaamheden aan de nieuwe enceinte plaats. Dit betrof de aanleg van niet nader omschreven versterkingen (moenia) bij het Antonietenklooster, enkele honderden meters ten noorden van de toenmalige ommuurde stad. Tussen 1297 en 1300 werden ten minste drie nieuwe stadspoorten gebouwd: de Boschpoort, de Brusselsepoort en de Tongersepoort. Het feit dat de bouw van die poorten twee of drie jaar in beslag nam, doet vermoeden dat de poorten van meet af aan in steen werden gebouwd. Ook het feit dat de Brusselsepoort in 1439 dringend restauratie behoefde, lijkt op een vroege totstandkoming te wijzen.Morreau (1979), pp. 33-34.

thumb|Aansluiting tweede stadsmuur (links, met Pater Vincktoren) op de eerste muur (rechts). Merk het verschil in materiaal op: links grijze natuursteen; rechts bruine kolenzandsteen Na de bouw van de stadspoorten raakte de vaart er uit. Morreau vermoedt dat men pas tegen het midden van de veertiende eeuw verder is gegaan met de bouw van de stenen muur, waarschijnlijk eerst aan de zuidzijde van de stad, beginnend bij de later zo genoemde Pater Vincktoren en eindigend voorbij de eerste toren westelijk van het Nieuwenhofpoortje.Morreau (1979), pp. 34-35. Financiële bijdragen aan de bouw van de muur werden omstreeks 1375 geleverd door de beide stadskapittels en door prins-bisschop Jan van Arkel , die in deze periode zijn toevlucht in Maastricht had genomen. In 1380 werd de circa 4,4 km lange enceinte (waarvan 3575 m nieuw en 850 m al bestaande muur) in gebruik genomen. De oppervlakte van de ommuurde stad op de linker Maasoever was meer dan verdrievoudigd: van 36 hectare naar 114 hectare. Dat de muur nog lang niet af was, blijkt uit het feit dat in de jaren daarna gewoon verder werd gebouwd. Aan het einde van de veertiende eeuw was de stad weliswaar geheel omsloten door de nieuwe enceinte, maar deze was met name aan de noord- en westzijde nog niet op de gewenste hoogte. In dit gedeelte lagen tevens twintig onafgebouwde muurtorens.Morreau (1979), pp. 35-40.

In de vijftiende eeuw werd de muur verder afgebouwd, waarbij in sommige gevallen eerder gebouwde muurdelen moesten worden afgebroken. Tussen 1400 en 1450 werd onder andere gewerkt aan de bovenbouw van de muurdelen en torens tussen de Sint-Pieterspoort en de Brusselsepoort, het middendeel van de noordelijke Maastoren ("toren achter de Biesen"), en de uitbouw van twee of drie stadspoorten (flankeringstorens van de Sint-Pieterspoort, barbacane van de Lindenkruispoort en mogelijk ook de barbacane van de Boschpoort). Tussen 1450 en 1500 werd de muur min of meer voltooid, waarvoor de stad zich diep in de schulden moest steken. De voornaamste werkzaamheden, beschreven door tijdgenoot Matthaeus Herbenus, bestonden uit: de bovenbouw van het muurdeel ten oosten van de Tongersepoort en ten noordoosten van de Lindenkruispoort, de flankeringstorens van de Tongersepoort (gedeeltelijk), de barbacane van de Brusselsepoort, de restauratie in Naamse steen van de Boschpoort en de voltooiing van de toren achter de Biesen.Morreau (1979), pp. 44-46. Sommige muurtorens en de flankeringstorens van de Tongersepoort waren aan het einde van de eeuw vermoedelijk nog niet voltooid. In de vijftiende eeuw werd ook de stadsgracht aanzienlijk verbreed.Morreau (1979), p. 86. De uitbreiding van de Nieuwstad, die aan het einde van de vijftiende eeuw begon, wordt elders besproken.

De eerste helft van de zestiende eeuw was een periode van voortdurende oorlogsdreiging (o.a. Gelderse Oorlogen), waarbij vanuit Brussel, het bestuurscentrum van de Habsburgse Nederlanden, druk werd uitgeoefend op de Maastrichtenaren om de weerbaarheid van de vesting te verbeteren. Enkele muurdelen moesten in deze periode worden herbouwd, onder andere in het zuidelijk stadsdeel (vanwege een Jekeroverstroming), bij Hoog Frankrijk (waar een deel was ingestort) en bij de Boschpoort. Vanaf 1525 werd achter de Biesen gewerkt aan het nieuwe Schonenvaardersbolwerk. Van 1542 tot 1544 werd tegen de binnenzijde van de stadmuur – met uitzondering van de Maasmuur – een aarden verstevigingswal opgeworpen, dit in verband met het steeds zwaarder wordende geschut. Voorafgaand waren alle muurbogen met mergelblokken dichtgemetseld. Tegelijkertijd werden op strategische plaatsen katten of cavaliers aangelegd, extra hoge wallen aan de stadszijde van de muur, waarop een batterij geschut kon worden opgesteld. Als extra beveiliging werden aan de stadszijde van enkele hoofdpoorten retranchementen aangelegd. Eveneens rond deze tijd werd een begin gemaakt met het verlagen van de muurtorens tot muurhoogte, waarna ze, volgestort met aarde, eveneens bruikbaar werden om geschut te plaatsen. Het ombouwen van de muurtorens, waarvan sommige nog maar kort tevoren waren voltooid, tot rondelen duurde vermoedelijk enkele tientallen jaren.Morreau (1979), pp. 46-53, 61. Omdat de financiële positie van de stad onverminderd slecht was, werd steeds vaker een beroep gedaan op de Maastrichtse ambachten om aan de vesting te werken. Toezichthouders op de werkzaamheden aan de Maastrichtse fortificaties waren onder anderen de Brusselse burgemeesters Jan van Locquenghien en Jan Pipenpoy, die in de jaren 1550 namens de landvoogdes Maria van Hongarije optraden.Morreau (1979), pp. 53-59.

Na de ombouw van de rondelen en het gereedkomen van de binnenwal, de katten en de retranchementen, had de tweede enceinte rond het midden van de zestiende eeuw min of meer zijn definitieve vorm gekregen. In de eeuwen die volgden vonden vrijwel doorlopend herstel- en verbeteringswerkzaamheden plaats, maar de basisvorm van de muur bleef ongewijzigd. Bij het beleg van 1579 was de toren bij de Tongersekat volledig verwoest. De toren werd niet herbouwd; de zuidwesthoek van de vesting kreeg toen de nog bestaande saillantvorm. Nog voor het beleg van 1579 waren de stadspoorten aan de veldzijde uitgebreid met ravelijnen. Datzelfde was gebeurd op de noordelijke Maaspunt, waar het Schonenvaardersbolwerk was opgenomen in het Biesenbastion. Later werden de poortravelijnen vervangen door bastions. Hoewel deze werken nog verbonden waren met de hoofdwal, worden ze gezien als de eerste buitenwerken. In de zeventiende en achttiende eeuw zou de immer uitdijende gordel van buitenwerken steeds meer de functie van primaire verdedigingslinie overnemen van de tweede stadsmuur.Morreau (1979), pp. 62-84.

thumb|Detail Maquette Maastricht 1867. Rechtsboven: Boschpoort en coupure Zuid-Willemsvaart (1824). Rechtsonder: verbinding Bassin-Maas (1825). Linksonder: verbinding Bassin-Kanaal Luik-Maastricht (sluis 6, ca. 1850) Na het beleg van 1632 moesten tal van bressen in de muur worden hersteld. Omstreeks 1640 werd ook de Maasmuur aan de binnenzijde voorzien van een aarden wal. Dertig jaar later werden de aarden binnenwallen elders verbreed en op sommige plaatsen verstevigd met schoormuren. De vernieuwde wallen werden beplant met bomen. Tijdens de Franse bezetting van 1673-1678 werd het Jekerkanaal aangelegd, waardoor onder andere de watervoorziening in de noordelijke stadsgracht ("der lange grave") werd verbeterd. In diezelfde periode, in 1676, werd de Lindenkruispoort buiten werking gesteld. De poort werd al spoedig aan het oog onttrokken door aardwerken, eerst aan de stadszijde, later ook aan de veldzijde.Evers e.a. (2005), pp. 70-71. Na de kruitramp van 1761, waarbij een twintigtal doden vielen, werd de kat Brandenburg, waaronder zich het ontplofte kruitmagazijn bevond, grotendeels herbouwd. In de hoofdwal moest een 40 m brede en 10 m diepe bres worden gedicht.Morreau (1979), p. 78. Ook in de negentiende eeuw vonden nog regelmatig herstel- en verbeteringswerkzaamheden aan de stadsomsluiting plaats. De aanleg van de Zuid-Willemsvaart en het Bassin (1822-1826) maakte twee coupures in de enceinte noodzakelijk: een bijna 17 m lange doorvaart ten oosten van de Boschpoort ten behoeve van de vaart, en een coupure in de Maasmuur voor de verbinding tussen Bassin en Maas.Morreau (1979), p. 83. De aanleg van het Kanaal Luik-Maastricht (1845-1850, vanaf 1847 op Nederlands gebied) betekende min of meer het einde van de defensieve waarde van de Maasmuur, en was daarmee een voorafspiegeling van het einde van de vesting in 1867.

Tweede stadsmuur als primaire verdedigingsmuur