Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Bonaire.
Samenvatting De oorspronkelijke bewoners van Bonaire waren de Arawak-sprekende inheemse indianen die vanuit de noordkust van Zuid-Amerika het eiland hebben bevolkt. De eerste Europese invloeden kwamen van de Portugezen en Spanjaarden. Vervolgens werd het eiland gekoloniseerd door de Nederlanders. De Europeanen namen de tot slaaf gemaakte Afrikanen mee naar Bonaire. Bonaire heeft qua taal en cultuur een historische band met de zustereilanden Curaçao en Aruba.
Na de afschaffing van de slavernij begon een lang proces van emancipatie en de bloei van de kunukucultuur. Na de Tweede Wereldoorlog begon een periode van emigratie. Met het opbloeien van het toerisme nam het bevolkingsaantal weer toe. Vooral sinds de staatkundige verandering van 10 oktober 2010 is er een significante groei in immigratie vanuit Europees Nederland en Latijns-Amerika.
Caquetíotijd Voor de aankomst van de Spanjaarden in 1499 waren de eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao bewoond door de Caquetíostam. Amerigo Vespucci en Alonso de Ojeda beschreven Aruba als een 'eiland van reuzen', vanwege de verhoudingsgewijs grote lengte van de Caquetíobewoners.
De Caquetío's waren waarschijnlijk rond 1000 na Christus van het vasteland naar Aruba, Bonaire en Curaçao getrokken in de houten kano's die ze voor de visserij gebruikten. Vanaf het schiereiland Paraguaná in Venezuela naar Aruba is de afstand 27 km over open zee. Archeologisch materiaal wijst in de richting van nauwe banden tussen de Caquetío op het vasteland en op de eilanden gedurende de precolumbiaanse periode.
Toen de eilanden in 1513 door de Spanjaarden werden uitgeroepen tot eilanden zonder nut ('islas inútiles') werden er twee jaar later een 2000-tal Caquetíos van de drie eilanden tezamen naar Hispaniola afgevoerd om in de mijnen te werken. Zij behelsden vermoedelijk de gehele bevolking van de eilanden. In 1526 werden slechts 150 tot 200 personen teruggestuurd om werkzaam te zijn in de uitvoer van brazielhout, kwihi en dividivi.
Het Nederlandse gouvernement registreerde het overlijden van de laatste Caquetío op het eiland Aruba rond 1862. Recent mitochondriaal DNA-onderzoek op Aruba toont aan dat Indiaans DNA tot de dag van vandaag is terug te vinden in de populatie.Gladys Toro-Labrador et al. Mitochondrial DNA Analysis in Aruba: Strong Maternal Ancestry of Closely Related Amerindians and Implications for the Peopling of Northwestern Venezuela. Caribbean Journal of Science, Vol. 39, No. 1, 11-22, 2003 Onderzoek op andere Caribische eilanden wijst uit dat er in de regio relatief hoge percentages DNA zijn terug te vinden van de oorspronkelijke Arawak-sprekende Indiaanse bevolking. 23 tot 30 procent bij Dominicanen; 33 procent bij Cubanen en zelfs 61 procent bij Puertoricanen.
Restanten van de Caquetíocultuur zijn onder andere te vinden in de vorm van rotstekeningen in de buurt van Boka Onima aan de oostkust van Bonaire. Deze inheemse sporen worden op Bonaire Marka indjan genoemd. Andere plekken waar deze zijn te vinden zijn de grotten van Spelonk, Pos Kalbas en Fontein. De markeringen zijn met de hand gemaakt in de kleuren donkerrood en zwart. De kleurstoffen komen van steenkool vermengd met rode aarde of het gesteente dat hematiet wordt genoemd.Tromp, D., Marka Indjan, Publicatie OCW Rijksdienst Caribisch Nederland, 2022,
Hoewel de Caquetío tijdens de West-Indische Compagnie (WIC) onder een “Kapitein van de Indianen” vielen, zijn hun familienamen nergens geregistreerd geweest. Over hun leefwijze kunnen we lezen in de antropologische en archeologische studies van Frans Booi en Jay Haviser.
Woorden in het Papiaments die uit de taalfamilie van de Arawakken komen, zijn: kunuku (lokale boerderij/ranch); chogogo (flamingo); lora (papagaaisoort); yuana (groene leguaan).Cultuurhistorische exhibitie van 'Mangazina di Rei' te Rincon. Zie permanente tentoonstelling. . Gearchiveerd op 25 maart 2023.
Spaanse koloniale tijd In 1499 landden Alonso de Ojeda en Amerigo Vespucci als twee van de eerste Europeanen op Bonaire. Zij namen het eiland voor Spanje in bezit. Aanvankelijk noemden ze het eiland "Eiland van de Brazilboom". Omdat Bonaire echter geen goud had en niet geschikt was voor de landbouw zagen de Spanjaarden geen noodzaak een kolonie te stichten en rekende in 1513 het samen met Curaçao en Aruba tot de islas inútiles (nutteloze eilanden). De lokale indianen werden afgevoerd om als slaven te dienen in plantages in Zuid-Amerika.
(Je kwam, vertrapte, verpletterde totdat je de schoot van mijn geboorteland uit elkaar trok. Om dan nog het lef te hebben het nutteloos te noemen. De heilige vrede van mijn wezen in eindeloze stukken verbrijzelde schreeuw opgeblazen. Maar [..] wat denk je dat je hebt veroverd? De waarde van mijn ziel, zal voor altijd de mijne zijn. Roodgezicht ben ik en roodgezicht zal ik blijven. Tot in de eeuwen der eeuwen.)
In 1515 werd een groot deel van de Caquetío bevolking door de Spanjaarden naar Hispaniola getransporteerd om daar in de mijnen te werken. Vanaf 1526 werden er weer indianen terug naar de eilanden getransporteerd voor de export van hout van diverse boomsoorten.Gladys Toro-Labrador et al. Mitochondrial DNA Analysis in Aruba: Strong Maternal Ancestry of Closely Related Amerindians and Implications for the Peopling of Northwestern Venezuela. Caribbean Journal of Science, Vol. 39, No. 1, 11-22, 2003
In 1527 zouden de Spanjaarden een nederzetting stichten in het plaatsje Rincon, dat in een vallei tussen de heuvels veilig was voor piraten, en gebruiken als bannelingenoord voor veroordeelden en krijgsgevangenen. Dankzij waterbronnen in het dal konden deze eerste Spanjaarden leven van landbouw. De Spanjaarden introduceerden ook vee op Bonaire. Als gevolg hiervan komen ezels (of buriku) en geiten (of kabritu) er in het wild voor.
Nederlandse koloniale tijd In 1636 veroverden Nederlanders Bonaire op de Spanjaarden. Het kwam onder bestuur van de West-Indische Compagnie. Deze importeerde tot slaaf gemaakte Afrikanen voor landbouw (voornamelijk hout, mais en zoutwinning). De eerste in 1636 gekaapte slavenschepen hadden tot 30% kinderen aan boord. Uit het Amsterdamse Notaris Archief blijkt dat twee kinderen werden geteld als één volwassene.
De eerste familienamen van tot slaaf gemaakten werden geregistreerd in het jaar 1744. Zij kunnen gerekend worden tot de eerste families van Afrikaanse afkomst op Bonaire. Enkele voorbeelden zijn: Anthony, Coffie, Domacasse, Frans, Goeloe, Janga, en Wanga. Uit de tweede helft van de 18e eeuw stammen ook de eerste families van Europese afkomst, zoals Evertsz, Thielman, Daal, Thode, Pourier, Neuman, en de Jongh.
Na het faillissement van de WIC in 1791 werd Bonaire een regelrechte Nederlandse kolonie. Het Nederlandse gouvernement werd daarmee direct slavenhouder. Er was een onderverdeling tussen 'Gouvernementsslaven' en 'Partikuliere slaven'.
De tot slaaf gemaakten die in de zoutwinning werkten, liepen vanuit de vestiging Rincon naar de zoutpannen. Vanaf 1850 verbleven zij in slavenhutjes bij de zoutpannen. Deze huisjes, nauwelijks hoger dan twee meter, zijn nog steeds te zien op Zuid-Bonaire. Zij zijn gelegen aan obelisken die de nationale Nederlandse kleuren rood, wit, blauw en oranje hebben. Deze obelisken gaven de ankerpunten aan waar de zoutschepen voor anker konden gaan om het zout te laden.
thumb|Fort Oranje met de vuurtoren In het begin van de negentiende eeuw verloor Nederland de heerschappij over de Antillen twee maal aan Groot-Brittannië (1800 en 1807). Van 1795 tot 1813 nam het Frankrijk van Napoleon Bonaparte de macht over in Nederland. Zo werden de Nederlandse kolonies onderdeel van Frankrijk. Van 1803 tot 1815 waren er de Napoleontische oorlogen, waarin Frankrijk het beheer over Nederlandse kolonies verloor aan het Verenigd Koninkrijk. Toen de eilanden in 1816 definitief aan Nederland werden toegewezen, bouwde de Nederlandse overheid Fort Oranje in Kralendijk om het eiland te beschermen. De kenmerkende vuurtoren in het fort is gebouwd in 1868.
In 1856 heerste er een cholera-epidemie op Bonaire. De epidemie begon in Rincon en verspreidde zich vervolgens over het eiland.
Het Nederlandse rijksdeel Suriname en Curaçao en Onderhorigheden werd vaak omschreven als "De West" of Nederlands West-Indië, als tegenhanger van de kolonie in Zuidoost-Azië, Nederlands Oost-Indië. Om de bestuurskosten te verlagen werden de West-Indische koloniën in 1828 tijdelijk teruggebracht tot één kolonie onder de Gouverneur-generaal in Paramaribo. In 1845 kwam men hier gedeeltelijk op terug omdat het besturen van de eilanden vanuit Suriname niet goed werkte. Vanaf dat jaar waren er weer twee West-Indische koloniën: Suriname Curaçao en Onderhorigheden, zowel de Bovenwindse als de Benedenwindse Eilanden
Bonaire werd toen via het centrale gouvernement in Curaçao bestuurd.
Slavernij Zout werd de grootste bron van inkomsten voor het eiland en de productie van zout was zo groot geworden dat er vier obelisken gebouwd werden om de schepen naar de zoutpannen te leiden. Zuiver zongedroogd baai- of zeezout was specifiek geschikt voor het inzouten van haring en andere gezouten producten als zuurkool, gerookt vlees en gedroogde stokvis. Met zout geconserveerd voedsel was nodig om de maandenlange zeilhandelsreizen te ondernemen en grote zeeslagen te voeren, en dus cruciaal voor de internationale scheepvaart, slavenhandel en andere koloniale activiteiten.
De manuele arbeid voor deze industrie werd verricht door de tot slaaf gemaakte Afrikanen. In 1833 schreef monseigneur Niewindt over de erbarmelijke omstandigheden waarin de slaven moesten leven. Op plantage Fontein vonden de enige twee bekende slavenopstanden van Bonaire plaats. De eerste was in september 1765 (kort na de opstand in Berbice) en de tweede in 1834, onder leiding van Martis di Katalina Janga.Stichting Cocari II, Plantage Fontein In 1850 werden de slavenhuisjes gebouwd. Enkele jaren daarna werd een onderzoek naar de woon- en leefomstandigheden van de slaven aangekondigd. In 1863 werd de slavernij op Bonaire afgeschaft. In 2022 bood Nederland excuses aan voor haar slavernijverleden.
Emancipatie Het opheffen van de slavernij in de kolonie van Caribisch Nederland op 1 juli 1863 werd ook wel de Emancipatie genoemd. Daarmee werd verwezen naar de juridische emancipatie die de slaven voor de wet gelijkstelde. Dit was in feite pas het begin van een veranderingsproces van sociale, politieke, economische en culturele verhoudingen in de maatschappij.
Voor de afschaffing van de slavernij maakte de gevestigde orde zich wel zorgen over de gevolgen. Men vroeg zich af of de geëmancipeerde slaven wel in dienst zouden willen blijven en op het eiland zouden willen blijven. Men was ook bezorgd over het risico dat de vrijgelatenen zich tegen hun voormalige meesters zouden keren. In het koloniaal verslag van 1864 staat: ...ten aanzien van de in 1863 vrijgemaakte slaven, ...voortgingen met zich ordelijk en rustig te gedragen. De vrees dat zij zich bewust van hun getalsterkte tegen de blanken oproerig zouden gedragen, bleek... ongegrond te zijn geweest.'1 juli een heugelijke dag?, Gedenkboek 140 jaar Emancipatie.' Nationaal Archief, Lanternu, no. 22, Drukkerij: De Curacaosche Courant, 2003,
De slaveneigenaren werden na de vrijlating met 200 gulden per tot slaaf gemaakte gecompenseerd voor hun verlies. De voormalige tot slaaf gemaakten kregen geen enkele compensatie. Wel werden zij geattendeerd op het feit dat zij voor voedsel en kleding niet meer bij de voormalige meesters hoefden te zijn.
Proclamatie