miniatuur|Roman Sjoechevytsj in 1944 Roman-Taras Josypovytsj Sjoechevytsj (Oekraïens: , ook bekend onder zijn pseudoniemen Toer en Taras Tsjoeprynka (Krakovets, 30 juni 1907 - Lviv, 5 maart 1950) was een Oekraïense nationalist en militair leider van het nationalistische Oekraïense Opstandelingenleger (OePA), dat tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen de Sovjet-Unie en in mindere mate tegen nazi-Duitsland vocht voor de Oekraïense onafhankelijkheid. Hij werkte van februari 1941 tot december 1942 samen met de Duitsers: als bevelvoerend officier van het Nachtigall-bataljon begin 1941 en als Hauptmann van het Duitse hulppolitie bataljon Schutzmannschaft 201 eind 1941 en 1942.

Sjoechevytsj was een van de aanstichters van de massamoorden op tienduizenden Poolse burgers in Galicië en Wolynië.

Leven Sjoechevytsj werd waarschijnlijk geboren in Krakovets in het koninkrijk Galicië en Lodomerië in de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, volgens andere bronnen echter in Lemberg, de huidige stad Lviv. Zijn beide ouders waren betrokken bij de Oekraïense nationale heropleving in de 19e eeuw. De familie omvatte tientallen actieve gemeenschapsactivisten in de politiek, muziek, wetenschap en kunst. Sjoechevytsj ontving zijn vroege opleiding buiten de, na de Eerste Wereldoorlog deel van de Tweede Poolse Republiek en nu Lwów geheten, stad. Hij keerde terug naar Lwów om te studeren aan het Academisch Gymnasium van Lwów en woonde bij zijn grootvader, de etnograaf Volodymyr Sjoechevytsj. Zijn politieke vorming werd beïnvloed door Jevhen Konovalets, de commandant van de Oekraïense Militaire Organisatie, die van 1921 tot 1922 een kamer huurde in het huis van Konovalets.

Onderwijs In oktober 1926 ging Sjoechevytsj naar het Politechnisch Instituut van Lwów (Politechnika Lwowska) om civiele techniek te studeren. In juli 1934 voltooide hij zijn studie met een ingenieursdiploma in de specialiteit verkeersbruggen. Op dat moment stond hij bekend om zijn atletische vaardigheden, waarvoor hij talloze prijzen won. Hij was ook een ervaren muzikant en voltooide samen met zijn broer Joery studies piano en zang aan het Lysenko-muziekinstituut. Hij zong af en toe solo met zijn broer in de opera van Lwów. Tijdens zijn tijd op het gymnasium werd Sjoechevytsj een actief lid van de Oekraïense scoutingorganisatie Plast. Hij was lid van de Lisovi Tsjorty ("Bosduivels"). Hij organiseerde Plast-groepen en richtte in 1927 de "Tsjornomortsi-koerin" ("Zwarte Zee-Kozakken") op.

Van 1928 tot 1929 vervulde Sjoechevytsj zijn militaire dienst in het Poolse leger. Als tertiair student werd hij automatisch naar een officiersopleiding gestuurd. Hij werd echter als onbetrouwbaar beschouwd en vervulde in plaats daarvan zijn militaire dienst als soldaat bij de artillerie in Wolynië. Oekraïense militaire organisatie miniatuur| Sjoechevytsj (links) in de Tweede Poolse Republiek in 1930 In 1925 sloot Sjoechevytsj zich aan bij de Oekraïense Militaire Organisatie (OeVO). In 1926 gaf het regionale team van de OeVO Sjoechevytsj de opdracht om de hoofdschoolinspecteur van Lwów, Stanisław Sobiński, beschuldigd van het "poloniseren" van het Oekraïense onderwijssysteem, te vermoorden. Roman Sjoechevytsj en Bohdan Pidhajny voerden de moord uit op 19 oktober 1926. In 1928-1929 diende Sjoechevytsj zijn militaire dienst in het Poolse leger als artillerist.

In februari 1929 werd in Wenen de Organisatie van Oekraïense Nationalisten (OOeN) opgericht. Sjoechevytsj werd onder de naam "Dzvin" ("Bel") een vertegenwoordiger van de Oekraïense uitvoerende macht.

Sjoechevytsj was een leider tijdens een golf van aanvallen op Poolse eigendommen en woningen in Galicië in 1930, bedoeld om de Poolse autoriteiten tot vergelding uit te lokken en de Oekraïense samenleving te radicaliseren. De Poolse regering nam wraak met een proces van "pacificatie", waardoor het anti-Poolse sentiment werd versterkt en het Oekraïense nationalisme toenam. Sjoechevytsj plande en nam ook deel aan terroristische activiteiten en moordaanslagen. Deze omvatten:

de coördinatie van een reeks "onteigeningen" uit Poolse overheidsgebouwen om de voortdurende opstand in de strijd om de Oekraïense nationale eenheid te financieren, dat wil zeggen bankovervallen en aanvallen op postkantoren of transporten de moord op Tadeusz Hołówko op 1 september 1931, een gematigde Poolse politicus, die pleitte voor culturele autonomie voor Oekraïners; zijn moord veroorzaakte een schok en werd door beide samenlevingen veroordeeld de moord op 22 maart 1932 op politiecommissaris Czechowski de mislukte moordpoging op de Sovjetconsul in Lwów als protest tegen de Holodomor in Centraal-Oekraïne; in plaats daarvan vermoordde Mykola Lemyk per ongeluk de speciale afgezant van de NKVD, Aleksej Majov de aanval van 30 november 1932 op het postkantoor in Gródek Jagielloński met directe deelname van Sjoechevytsj, waarbij een aantal burgers omkwam

Sjoechevytsj ontwikkelde samen met Stepan Bandera, Stepan Lenkavsky, Jaroslav Stetsko, Jaroslav Staroech en anderen een concept van "permanente revolutie". Volgens hun manifest kon het Oekraïense volk, uitgebuit door bezetters, alleen vrijheid verkrijgen door voortdurende aanvallen op de vijand. Als gevolg hiervan nam de OOeN de taak op zich om zich voor te bereiden op een geheel Oekraïense opstand. Sjoechevytsj propageerde het idee dat de revolutie een compromisloos conflict was om de vijand permanent te verslaan.

Sjoechevytsj nam actief deel aan de ontwikkeling van een concept met betrekking tot de vorming van een Oekraïens leger. Er bestonden destijds twee tegengestelde argumenten. De eerste stelde voor een leger van Oekraïense emigranten te vormen; de tweede pleitte voor het rekruteren van een nationaal leger in West-Oekraïne, georganiseerd door Oekraïners.

Gevangenisstraf Na de moord door de OOeN op de Poolse minister van Binnenlandse Zaken Bronisław Pieracki op 15 juni 1934, werd Sjoechevytsj op 18 juli gearresteerd en naar de Bereza Kartuska-gevangenis gestuurd. In december 1934 werd hij vrijgesproken en vrijgelaten wegens gebrek aan belastend bewijsmateriaal.

Vanaf 19 januari 1935 werd Sjoechevytsj vanwege zijn lidmaatschap van het regionale OOeN bestuur opgesloten in de Brygitki-gevangenis in Lwów. De advocaat in het proces was zijn oom Stepan Sjoechevytsj. Sjoechevytsj werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf; Vanwege een amnestie in 1935 werd hij echter vrijgelaten, nadat hij een half jaar in de Bereza Kartuska en twee jaar in een andere gevangenis had doorgebracht.

Tijdens het proces in Warschau tegen de OOeN (18 november 1935 - 13 januari 1936) werd Sjoechevytsj als getuige opgeroepen. Sjoechevytsj hield zich aan zijn recht om Oekraïens te spreken, waarvoor hij een boete van 200 złoty kreeg. Nadat hij de rechtbank had begroet met de oproep "Glorie aan Oekraïne", werd Sjoechevytsj opnieuw geïnterneerd.

Tijdens het Lwów-proces tegen de OOeN (25 mei - 27 juni 1936) werd Sjoechevytsj beschuldigd van verraad en lidmaatschap van de antiregeringsorganisatie OOeN en veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Hij werd op 27 januari 1937 tijdens een amnestie vrijgelaten.

Na zijn vrijlating in 1937 richtte Sjoechevytsj een reclamecoöperatie op genaamd "Fama", die een dekmantel werd voor de activiteiten van de OOeN. Al snel werden er verkooppunten opgezet in Galicië, Wolynië en op de rest van Pools grondgebied. De werknemers van het bedrijf waren lid van de OOeN, vaak onlangs vrijgelaten politieke gevangenen. Het bedrijf was zeer succesvol en had afdelingen die met de pers en film werkten, boekjes publiceerden, posters drukten, mineraalwater verkochten en adreslijsten opstelden. Het opende ook een eigen transportafdeling.

Karpato-Roethenië In november 1938 kreeg Karpato-Roethenië autonomie binnen de Tsjechoslowaakse staat. Sjoechevytsj organiseerde financiële steun voor de regering van de jonge republiek en stuurde OOeN-leden om de Karpatische Sitsj op te richten. In december 1938 stak hij illegaal de grens van Polen naar Tsjechoslowakije over en reisde naar de Roetheense stad Choest. Daar, met de hulp van lokale OOeN-leden en Duitse inlichtingendiensten, richtte hij het algemene hoofdkwartier op voor de strijd tegen de Tsjechoslowaakse centrale regering.

Bovendien besloot de OOeN in januari 1939 de autonome regering, die hen te pro-Tsjechoslowaaks leek, omver te werpen. Een poging tot staatsgreep vond plaats in de nacht van 13 op 14 maart, in verband met de uitroeping van de onafhankelijkheid van de Eerste Slowaakse Republiek, beheerd door Duitsland. Met hulp van sympathisanten onder de politie verkregen de opstandelingen onder leiding van Sjoechevytsj de wapens van de gendarmerie, maar hun aanvallen op garnizoenen van het Tsjechoslowaakse leger mislukten. Alleen al in Choest werden 11 OOeN-strijders gedood en 51 gevangengenomen. Echter, na de oprichting van de Slowaakse vazalstaat op 14 maart en de Duitse bezetting van Tsjecho-Slowakije op 15 maart, werd Karpato-Roethenië onmiddellijk binnengevallen en geannexeerd door Hongarije. Sjoechevytsj nam actief deel aan de gewapende confrontatie met de Hongaarse strijdkrachten en kwam hierbij bijna om het leven.

Nadat de bezetting van Karpato-Roethenië door Hongarije was beëindigd, reisde Sjoechevytsj door Roemenië en Joegoslavië naar Oostenrijk, waar hij overlegde met OOeN-commandanten, nieuwe bevelen kreeg en naar Danzig werd gestuurd om subversieve activiteiten uit te voeren.

Tweede Wereldoorlog De Duitsers en de Sovjets ondertekenden in augustus 1939 het Molotov-Ribbentrop-pacten in september vielen Duitsland en de USSR Polen binnen, waardoor de Tweede Wereldoorlog begon en nieuwe uitdagingen en kansen ontstonden voor de Oekraïense nationalistische beweging. In de herfst van 1939 verhuisde Sjoechevytsj met zijn gezin naar Krakau, waar hij optrad als contactpersoon voor het Oekraïense Nationalistische Commando onder leiding van Andriy Melnyk. Hij organiseerde het illegale transport van documenten en materiaal over de Sovjet-Duitse grens en verzamelde informatie over OOeN-activiteiten in Oekraïne.

De leiding van de Oekraïense nationalisten kon niet tot een gezamenlijk akkoord komen over de tactieken. Als gevolg hiervan splitste de organisatie in Krakau zich op 10 februari 1940 in twee facties: de ene onder leiding van Stepan Bandera en de andere onder Andriy Melnyk, respectievelijk bekend als OOeN-B en OOeN-M. Sjoechevytsj werd lid van het Revolutionaire Commando van de OOeN-B onder leiding van Bandera en nam de leiding over de sectie die zich bezighield met de gebieden die door de Oekraïners waren opgeëist en die na het Molotov-Ribbentrop-pact door Duitsland waren ingenomen (Podlachië, Chełm, Nadsanja en Lemkivsjtsjyna).

Er werd een krachtig net gevormd voor de voorbereiding van ondergrondse activiteiten in Oekraïne en paramilitaire trainingen opgezet. Er werden militaire kaders voorbereid die het bevel zouden voeren over een toekomstig Oekraïens leger. Sjoechevytsj bereidde het Tweede Grote Congres van de OOeN voor, dat in april 1941 plaatsvond.

Nachtigall-bataljon Voorafgaand aan Operatie Barbarossa eind juni 1941 werkte de OOeN actief samen met Nazi-Duitsland. Volgens de Nationale Academie van Wetenschappen van Oekraïne en andere bronnen hield OOeN-B-leider Stepan Bandera bijeenkomsten met de hoofden van de Duitse inlichtingendienst over de vorming van de "Nachtigall"- en "Roland"-bataljons. Op 25 februari 1941 keurde het hoofd van de Abwehr, Wilhelm Canaris, de oprichting van het "Oekraïense Legioen" onder Duits bevel goed. De eenheid zou 800 personen omvatten. Sjoechevytsj werd commandant van het Legioen van de OOeN-B-kant. De OOeN verwachtte dat de eenheid de kern van het toekomstige Oekraïense leger zou worden. In het voorjaar ontving de OOeN 2,5 miljoen mark voor subversieve activiteiten tegen de USSR.