De Nieuwstad is een deel van het Jekerkwartier in de Nederlandse stad Maastricht. Het gebied aan de zuidzijde van het stadscentrum heeft een oppervlakte van slechts twee hectare.kaartviewer.maastricht.nl (selecteer 'Meetfunctie' » 'Meet vlak m²'). Het wordt gedomineerd door de Nieuwstadfortificaties, een laatmiddeleeuwse uitbreiding van de tweede stadsmuur van Maastricht, met als belangrijkste onderdelen de vroegzestiende-eeuwse rondelen Haet ende Nijt en De Vijf Koppen. Met hun omvang en de in het interieur aanwezige kazematten demonstreren ze het toegenomen belang van het vuurgeschut in deze periode.Morreau (1979), p. 105. De rondelen en de tussenliggende courtinemuur, met daarin de neogotische Poort Waerachtig, vormen, omringd door vijvers en ingebed in het groen van het Stadspark Maastricht, een veel gefotografeerde bezienswaardigheid. Daarnaast telt de Nieuwstad een tweetal voormalige watermolens op de Jeker. Zowel de fortificaties als de watermolens zijn beschermd als rijksmonument. Diverse andere objecten zijn gemeentelijke monumenten.Inventaris vestingwerken (2011), p. 2.kaartviewer.maastricht.nl (selecteer 'Gemeentelijk Monument' en 'Rijksmonument').

Geschiedenis Eerste en tweede stadsmuur Over de bouwgeschiedenis van de eerste en tweede stadsomsluiting van Maastricht bestaat nog veel onduidelijkheid. De meeste auteurs gaan voor de eerste stadsmuur uit van een ontstaansgeschiedenis in het tweede kwart van de dertiende eeuw. Daarvoor, uiterlijk in 1204, maar mogelijk al in het laatste kwart van de twaalfde eeuw, bestond er een aarden stadswal met daarop houten palissades.Morreau (1979), pp. 3-4. In 1229 verleende hertog Jan I van Brabant toestemming voor de bouw van een stenen stadsmuur. Waarschijnlijk werd nog in hetzelfde jaar begonnen met het (opnieuw) opwerpen van aarden wallen, het graven van grachten en de bouw van een stenen muur met stadspoorten en waltorens. Van de enige bewaard gebleven poort van de eerste stadsomsluiting, de Helpoort, wordt aangenomen dat deze dateert uit circa 1230. De stenen muur was vermoedelijk omstreeks 1250 voltooid.Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), pp. 54, 56-58.Morreau (1979), pp. 4-5.Ubachs/Evers (2005), pp. 552-553: 'vesting'.

Al na enkele decennia bleek de 2,4 km lange enceinte (omsluiting) te krap. Vanaf de jaren 1290 werd gewerkt aan een tweede, veel ruimere stadsomsluiting. De bouw ervan sleepte zich meer dan een eeuw voort. In 1380 werd de muur, hoewel nog steeds niet overal op de gewenste hoogte, in gebruik genomen. De tweede stadsmuur was circa 4,4 km lang, waarvan 3575 m nieuw en 800 m reeds bestaande muur, voornamelijk aan de Maaszijde. De oppervlakte van de ommuurde stad op de linker Maasoever was daarmee verdrievoudigd: van 36 hectare naar 114 hectare.Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), pp. 54-55, 69-72.Morreau (1979), pp. 86, 105.

In het zuiden van de stad kon de tweede enceinte ten oosten van de Sint-Pieterspoort niet op logische wijze worden uitgelegd, omdat het daar gelegen dorp Sint Pieter Luiks grondgebied was en de bisschop van Luik geen toestemming gaf voor de bouw van een wal of muur. Om die reden boog de tweede stadsmuur vanaf de Sint-Pieterspoort af naar het noordoosten en sloot iets ten noorden van de "toren achter de Feilzusters" (de naam Pater Vincktoren dateert van veel later) aan op de eerste muur, die zich vanaf dat punt voortzette in de richting van de Helpoort en de Jekertoren. Het feit dat direct ten zuiden van de stadsmuur de bebouwing van het dorp Sint Pieter begon, maakte dit een zwak punt in de stadsomsluiting. Sint Pieter was een Luikse heerlijkheid; Maastricht was een tweeherige, Luiks-Brabantse stad. Vanuit de Sint Pieterse huizen kon elk moment een onverhoedse aanval op de stad gelanceerd worden. Er zijn aanwijzingen dat in dit gebied tevens het dinghuis van Sint Pieter lag, even als het munthuis van de bisschop en het gasthuis.Ubachs/Evers (2005), pp. 373-374: 'Nieuwstad'.

Bouw Nieuwstadfortificaties

Voorafgaand aan de laatvijftiende-eeuwse versterking van de Nieuwstad, werd omstreeks 1456 al een kleine uitbreiding van het stadsgebied buiten de Helpoort gerealiseerd. Door aanslibbing was de Jeker, die hier de grens tussen Maastricht en Sint Pieter vormde, enkele meters naar het zuiden opgeschoven (aan de oostzijde ca. 25 m). Volgens oud recht behoorde het aangeslibde land toe aan de eigenaar van de betreffende oever, in dit geval de stad Maastricht. Om de nieuwe grens te benadrukken liet het stadsbestuur vanuit de linker Jekeroever een stenen muur optrekken met een gebogen verloop tussen de waterpoorten nabij de Pater Vincktoren en de Jekertoren. De bouw van deze "muur tegenover den Ancker", soms ook aangeduid als bolwerk, betekende mogelijk het einde van de Helpoort als stadspoort, voor zover dat niet al eerder was gebeurd. Het ommuurde terrein op de linker Jekeroever werd volgens een raadsbesluit uit 1471 bestemd voor de bouw van een pestbarak, ook wel "sieckhuyss", "pesthuys" of "Het Paradijs" genoemd.Ubachs/Evers (2005), pp. 410-411: 'pesthuis'. Later zou de naam Pesthuys, onterecht, overgaan op de nabijgelegen papiermolen Het Ancker. In de negentiende eeuw lag op de locatie van de oude pestbarak het Gemeentelijk Slachthuis. De "muur tegenover den Ancker" bestaat nog gedeeltelijk als kademuur tussen Pater Vincktoren en Pesthuys en is omstreeks 1907 met oude blokken Naamse steen iets verhoogd.Morreau (1979), pp. 100-101.

De voortdurende onveiligheid aan de zuidzijde van de stad leidde in 1486 tot de eenzijdig annexatie van een deel van Sint Pieter door Maastricht. Daarmee werd het mogelijk in dit gebied meer doeltreffende fortificaties op te richten. Nog in hetzelfde jaar werd begonnen met de aanleg van een aarden wal en het graven van een gracht. De omwalling, waarin zich ten minste één bolwerk bevond ter plaatse van het latere Haet ende Nijt, was in 1490 voltooid. Het omwalde gebied werd vanaf eind vijftiende eeuw aangeduid als de Nieuwstad. Tussen 1515 en 1517 werd de aarden omwalling van de Nieuwstad versteend en kreeg daarmee een meer permanent karakter. De werkzaamheden vonden mogelijk plaats onder leiding van bouwmeester Coenraad (I) van Neurenberg. Het rondeel Haet ende Nijt werd voltooid in de periode dat Herman van Zaraziën beheerder van de stadsfinanciën was. Hij liet zijn naam graveren op een naamsteen op het bolwerk.Koreman (1984), p. 21. Er was nu tevens sprake van een tweede bolwerk, De Drie Duiven. Tussen 1542 en 1551 werden diverse verbeteringswerkzaamheden uitgevoerd. Zo werd de gracht verder uitgediept en de Jekermonding verlegd (mogelijk te zien op het hiernaast afgebeelde stadpanorama). Ook werden de torens of bolwerken, die nog hol waren, opgevuld met aarde, ter versteviging en tevens om er kanonnen op te plaatsen.Morreau (1979), pp. 102-104.

Nieuwstadversterking als onderdeel van de primaire verdedigingslinie Het beleg door de Luikenaren (1407-1408) was vermoedelijk de eerste 'testcase' voor de effectiviteit van de enkele decennia daarvoor in gebruik genomen tweede stadsmuur, die nog niet geheel op hoogte was en nog zonder de Nieuwstadversterking. Bij de belegering – eigenlijk twee belegeringen – slaagden de Luikse en Loonse opstandelingen er niet in om Maastricht, waar prins-bisschop Jan van Beieren tijdelijk zijn toevlucht had genomen, in te nemen. In 1465 dreigde opnieuw een Luikse belegering. Deze keer was het prins-bisschop Lodewijk van Bourbon, die zijn heil binnen de muren van Maastricht had gezocht. Het dorp Sint Pieter, dat de zijde van de opstandelingen had gekozen, werd daarop platgebrand. Ook het begijnhof, dat buiten de zuidelijke stadsmuur lag, werd verwoest. Het gevreesde beleg liep met een sisser af, maar kort daarop kondigde Lodewijk van Bourbon af dat Sint Pieter nooit meer mocht worden opgebouwd, een verbod dat in 1467 door hertog Karel de Stoute werd bevestigd. In 1489 deed Robrecht I van der Marck, hertog van Bouillon en een broer van de in 1485 op het Vrijthof onthoofde Willem I van der Marck, een poging, maar ook hij werd door de Maastrichtenaren op de vlucht gedreven.Morreau (1979), p. 42. In hoeverre de toen bijna voltooide aarden omwalling van de Nieuwstad daarin een rol speelde, is moeilijk vast te stellen.

thumb|left|175px|De staak waarop 5 hoofden van terechtgestelden werden tentoongesteld na het verraad van 1638 Voorafgaand aan het beleg van 1579 werd aan de voet van de rondelen Haet ende Nijt en De Drie Duiven aarden geschutplatforms met spitse saillanten aangelegd, omgeven door muren van Sichener steen, in feite een soort bastions (foutief afgebeeld op de latere herdrukken van de plattegrond van Braun en Hogenberg uit 1575; correct weergegeven op de hiernaast afgebeelde maquettes).Morreau (1979), p. 104. Bij het beleg wist Alexander Farnese met zijn circa 20.000 manschappen na bijna vier maanden de stad met veel geweld in te nemen. Naast de verschrikkingen van het beleg zelf en de drie dagen van moord en plundering die op de inname volgden, moet het voor de Maastrichtenaren een desillusie zijn geweest dat de stad niet onneembaar was gebleken, ondanks de vele opofferingen die men in de decennia daarvoor gebracht had om de vesting te verbeteren, onder andere in de vorm van verhoogde belastingen en gedwongen tewerkstelling. In 1632 werd de stad ingenomen door Frederik Hendrik van Oranje. Toen enkele Maastrichtenaren in 1638 een poging deden de stad weer in handen van de Spanjaarden te spelen, werd daartegen streng opgetreden. Vijf afgehakte hoofden van terechtgestelden werden op een staak op het rondeel De Drie Duiven tentoongesteld, dat daarna De Vijf Koppen werd genoemd.

In de eeuwen daarna wisselden succesvolle en mislukte belegeringen elkaar af. De ommuurde vestingstad, inclusief de Nieuwstadfortificaties en de almaar uitdijende gordel van buitenwerken, had inmiddels haar reputatie als "sleutel van Brabant" en "bolwerk der Nederlanden" gevestigd. Net als de rest van de vestingwerken, hadden de Nieuwstadversterkingen regelmatig onderhoud nodig. In 1643 moest de muur tussen de Jeker de De Vijf Koppen worden vernieuwd. In 1679 moest de bouwvallig geworden muur tussen de Sint-Pieterspoort en De Vijf Koppen opnieuw worden gefundeerd. Het platform aan de voet van het rondeel Haet ende Nijt werd in 1739 hersteld. Het platform bij De Vijf Koppen werd waarschijnlijk in 1792 of kort daarna afgegraven.

Kanaal Luik-Maastricht en slachthuis Tussen 1845 en 1850 werd op de linkeroever van de Maas het Kanaal Luik-Maastricht aangelegd, vanaf 1847 werd ook op Nederlands grondgebied gegraven. In Maastricht zou het kanaal door de zuidelijke vestingwerken en deels door de ommuurde stad lopen. De stad was bereid hiervoor een deel van de middeleeuwse binnenstad op te offeren.Ubachs/Evers (2005), pp. 263-264: 'Kanaal Luik-Maastricht'. Het kanaal kwam aan de zuidzijde van de stad bij het kroonwerk Hessen de vesting binnen, waar het slechts vijf meter breed omheen zwenkte. Daarna liep het in wat ruimere bedding door naar het rondeel De Vijf Koppen, waar de bestaande stadsgracht ('Zwanengracht') werd verruimd tot een zwaaikom. Een probleem was dat de Jeker tussen het rondeel en de Jekertoren oostwaarts naar de Maas stroomde. Zij zou hier dus het van zuid naar noord lopende kanaal kruisen. Het probleem werd opgelost door het kanaal te versmallen tot 7 meter en de Jeker er met een sifon (onderleider) onderdoor te leiden.