Cosa was een Romeinse stad in de buurt van het huidige Ansedonia in het zuidwesten van Toscane, Italië. Het ligt op een strategische positie in het voorgebergte op 113 m boven zeeniveau aan de Tyrreense Zee. De plaatsnaam is waarschijnlijk afgeleid van de Etruskische stad die hier lag. In de stad liggen de overblijfselen van een van de eerste basilica's in het Romeinse Rijk en in de haven van Cosa liggen de vroegst bekende structuren van opus caementicium ofwel Romeins beton. Het wordt als een belangwekkende plaats beschouwd in de klassieke archeologie en sinds 1948 vinden er vrijwel doorlopend opgravingen plaats.

Geschiedenis Republikeinse tijd miniatuur|De Porta Romana. Oorspronkelijk lag hier een stad van de Etrusken, ongeveer waar nu de moderne stad Orbetello ligt, met de naam Cusi of Cusia., Cosa I: History and Topography in Memoirs of the American Academy in Rome, Vol. 20 (1951), pp. 7, 16, 23, 27, 69, 78, 82, 85. Nadat de Romeinen in 280 v.Chr. de Etruskische stad Vulci hadden veroverd werd in 273 v.Chr., Historia Romana, I 14.7 op een geconfisqueerd stuk land van 15 ha dat ager Cosanus "land van Cosia" werd genoemd de Romeinse kolonie Cosa met haven Portus Cosanus gesticht., Monumentality, Building Techniques, and Identity Construction in Roman Italy: The Remaking of Cosa, post-197 BCE., in Size Matters - Understanding Monumentality Across Ancient Civilizations. (2019), pp. 241, 245, 249-250, . De eerste bouwwerken waren het religieuze platform op de capitoolheuvel, het stratenplan, de stadsmuren, de riolering en een reeks cisternen (waterkelders), belangrijk omdat de stad geen eigen watervoorzieningen had en dus afhankelijk was van de opvang van regenwater. Tussen 240 en 220 v.Chr. werden het comitium-curia-complex en de carcer, de gevangenis, op het forum en de tempel van Jupiter op de capitoolheuvel gebouwd., Cosa II: The Temples of the Arx, in Memoirs of the American Academy in Rome, Vol. 26 (1960), pp. 14, 20, 24, 27, 55, 59. Rond dezelfde tijd werd de kolonie door de Via Aurelia met het 140 km zuidelijker gelegen Rome verbonden. Cosa staat vermeld op de Romeinse reiskaart Tabula Peutingeriana, tussen Albinia Flumen (Albegna) en Succosa, waarschijnlijk een voorstad van Cosa die oostelijk hiervan aan de voet van de stad lag. Op de kaart staan twee afsplitsingen: van Cosa naar Portus Herculis (Porto Ercole) en van Succosa naar Saturnia.

Rond het forumplein werden aan het einde van de 3e en begin van de 2e eeuw v.Chr. acht atriumhuizen gebouwd: twee aan de beide korte zijden en vier aan de zuidwestelijke zijde tegenover de publieke gebouwen. Tussen de vier atriumhuizen werd een open verbindingsgebouw neergezet waarmee het plein werd verbonden met de brede processieweg naar het capitolium. Aan de processiewegen werden nog zestien grote woningen gebouwd: dertien aan straat P en drie aan straat Q, aan weerszijden van de twee atriumwoningen die aan het plein lagen., Cosa V: An intermittent Town, Excavations 1991-1997. (2003), pp. 3, 14, 16, 19, 23, 24, 26-33, 62, 65-69, Daarna werd de triomfboog gebouwd die het forum verbond met de hoofdweg naar de Porta Romana en rond 140 v.Chr. was het laatste gebouw op het forum gereed; de basilica, waarvoor enkele huizen moesten worden gesloopt. De versterkte stad Cosa had op haar hoogtepunt waarschijnlijk zo'n 1000 inwoners; verreweg de meeste van de meer dan 10.000 kolonisten woonden buiten de versterkingen;, The Roman Port and Fishery of Cosa: A Center of Ancient Trade. (1987), pp. 18, 21, 24, 26, . dit waren voornamelijk plebejers: vissers, boeren en arbeiders in de keramische industrie, steengroeves, visverwerking en zoutpannen. De kolonie strekte zich zo'n 30 km langs de kustlijn uit in het gebied dat heden ten dage de Maremma wordt genoemd., The Roman Port of Cosa, in Scientific American, Vol. 258, No. 3 (maart 1988), pp. 102-109.

Een vloot naves onerariae, Romeinse vrachtschepen, met voorraden voor het leger in Hispania werd aan het begin van de Tweede Punische Oorlog in 217 v.Chr. bij Portus Cosanus door de Carthaagse vloot veroverd., Ab urbe condita 22.11.6-7. Consul Gnaeus Servilius Geminus werd er met een vloot vanuit Ostia achteraan gestuurd, maar de Carthagers wisten hem te ontwijken. Dit was een van de weinige successen van de Carthaagse vloot hoewel het eigenlijke doel, zich in de buurt van Pisa bij het leger van Hannibal voegen, mislukte. De stad heeft waarschijnlijk behoorlijk geleden onder de inval van Hannibal in Italië, want in 197 v.Chr. kreeg de stad 1000 nieuwe kolonisten toegewezen, na een vergeefs verzoek twee jaar eerder., Ab urbe condita 32.2.7, 33.24.8-9. Door de goede land- en zeeverbindingen volgde een periode van voorspoed, maar rond 70 v.Chr. werd de stad vernietigd en vrijwel geheel verlaten, mogelijk na een grote aanval van Cilicische piraten., Succes and Failures in Cosa (Roman and American) in Journal of Roman Archaeology 18 (2005), p. 616.

Keizerlijke tijd Ten tijde van Augustus aan het einde van de 1e eeuw v.Chr. werd de stad gedeeltelijk herbouwd, voornamelijk op de capitoolheuvel en rond het forumgebied. Een aantal huizen werd weer bewoond aan het plein en in de zeven aanliggende huizenblokken aan de straten N, O en P tot aan straat 4. De nieuwe bevolking concentreerde zich dus in het centrum van de stad, westelijk van en aan het forumplein. Waarschijnlijk was de economie afhankelijk van de haven en de visteelt in de lagune ten oosten van Cosa. De lagune is heden voor twee derde verzand, inclusief het westelijk gedeelte waar de viskwekerij zich bevond. Het verzande deel is nu als weiland in gebruik. Vanaf het midden van de eerste eeuw ging het grondgebied van Cosa deel uitmaken van de keizerlijke bezittingen van de gens Domitia, de familie van keizer Nero. Het was volgens diens orders dat renovatiewerken op het forum werden uitgevoerd, inclusief de transformatie van de oude basilica in een odeum. Blijkbaar was de opleving van korte duur, want in de 2e eeuw lag de stad er opnieuw grotendeels verlaten bij.

Aan het begin van de 3e eeuw onder keizers Septimius Severus en Caracalla vertoonde de stad een kleine opleving. De oprichting van de Res publica Cosanorum, waarvan de identificatie met de stad Cosa nog steeds niet helemaal zeker is, getuigde van de wens om het lot van de stad en haar territorium, de ager Cosanus, nieuw leven in te blazen. Ze werden opgedragen aan de Romeinse keizers vanaf Caracalla tot Aurelianus. In deze periode concentreerde de bewoning zich in vier huizenblokken in het noordoosten van de stad rondom de Porta Roma. Aan het forumplein was enkel atriumhuis I nog in gebruik. Aan het einde van de 3e eeuw was Cosa echter opnieuw vrijwel verlaten. Ook in de voor de stad zo belangrijke haven werden alle onderhoudswerkzaamheden stopgezet. Van slechts twee gebouwen zijn in de 4e eeuw nog sporen van gebruik gevonden, namelijk het voornoemde atriumhuis I en het heiligdom van Liber Pater. Daarna lijkt de stad volledig te zijn verlaten. De 5e-eeuwse Romeinse dichter Rutilius Namatianus beschreef Cosa en andere vervallen steden tijdens zijn reis over zee naar zijn thuisland Gallië, enkele jaren na de inval van de Visigoten in Italië onder Alarik: Hij vermeldde ook nog dat de bewoners zich volgens de legendes hadden afgekeerd van de Lares, waarna een invasie van ratten volgde., De reditu suo, 1.289-290. Nadat het gebied een eeuw lang nagenoeg verlaten was herrees ten zuiden van de ruïnes van Cosa het oorspronkelijk Etruskische Cusia als het Byzantijnse Ansedonia uit de as.

Middeleeuwen Nadat Cosa in de 4e en 5e eeuw tot ruïnes was vervallen blijkt er in de 6e eeuw weer sprake te zijn van enige bedrijvigheid: op de ruïnes van de oude basilica werd een kerkgebouw neergezet en nog bestaande gebouwen werden weer gebruikt: op de resten van enkele atriumgebouwen aan het plein werden horrea gebouwd en op de plaats van atriumhuis I naast de triomfboog lag een werkplaats met oven. Er zijn Byzantijnse teksten uit deze periode waarin Cosa-Ansedonia als een civitas wordt gedefinieerd. De bewoningssporen in deze periode zijn minimaal: op de resten van enkele insulae werden hutten gebouwd en er werd een aan de Longobarden verbonden necropolis gevonden. De laatste vroegmiddeleeuwse structuren in het oostelijke deel van de stad zijn resten van een houten versterking. Aan het einde van de 9e en het midden van de 12e eeuw werden twee nieuwe kerkgebouwen gebouwd, één op het forum op de ruïnes van een oude tempel ten oosten van de curia en één op het capitolium. Tussen de 9e en 11e eeuw werd grondgebied van Cosa terloops toegevoegd aan het klooster van San Anastasio in aquas salvias en in de 12e eeuw werd het grondgebied onderworpen aan het pauselijke gezag. In de 13e eeuw ging Cosa eerst over naar de Toscaanse adellijke familie Aldobrandeschi en vervolgens naar de stad Orvieto. In 1329 viel een leger uit Siena, dat in conflict was met Orvieto, Cosa aan en vernietigde de vestingwerken van de stad.

Stadsplan miniatuur|400px|Plattegrond van Cosa met de belangrijkste opgravingen.

Muren Ten tijde van de stichting van de kolonie in de 3e eeuw v.Chr. was de Romeinse Republiek in Italië nog kwetsbaar voor aanvallen, waardoor het noodzakelijk was om een stadsmuur om Cosa te bouwen. Deze muur beslaat een totale lengte van 1500 meter en is gebouwd in de opus siliceum-techniek; grote veelhoekige natuurstenen werden zo gestapeld dat ze door hun eigen gewicht zonder gebruik van mortel op hun plaats bleven liggen. De binnenmuur is onbewerkt, maar de buitenmuur is zo glad mogelijk gemaakt. De buitenmuur is bovendien hoger dan binnenmuur, zodat deze als borstwering kon dienen. Bij latere reparaties zijn voornamelijk rechthoekige steenblokken gebruikt; het verschil tussen de originele veelhoekige stenen en de later aangebrachte rechthoekige stenen daarboven is heden nog goed zichtbaar., The Cities and Cemeteries of Etruria. Vol. II. Chapter XLVII. Ansedonia.-Cosa. (1848), pp. 271, 273, 275.

Het capitolium was ook aan de stadzijde, binnen de stadsmuren, ommuurd en bevatte in het westen tegen de binnenmuur een kleine poterne. De stenen werden uit groeves nabij de stad gehaald. De ommuring bevat 18 torens, op onregelmatige afstand van elkaar geplaatst. Ze zijn op één na allemaal vierkant en werden met dezelfde techniek gebouwd als de stadsmuur. De laatste toren is rond en staat bij de Porta Romana; bij deze toren zijn de stenen met mortel gemetseld. De muur heeft drie stadspoorten; in het noordwesten de Porta Fiorentina, in het noordoosten de Porta Romana en in het zuidoosten de Porta Marina. De drie poorten delen dezelfde propylonstructuur; dubbele poorten met een tussenruimte. , Paesaggi d'Etruria. Valle dell'Albegna, Valle d'Oro, Valle del Chiarone, Valle del Tafone. (2002), p. 113, . De buitenpoort had een valhek en de binnenpoort werd met deuren afgesloten. De poorten hadden aan de bovenzijde geen stenen boog maar een houten lateibalk, waarvan in de stijlen de vierkante gaten nog zichtbaar zijn. Vanuit de Porta Marina liep een weg de berg af naar Portus Cosanus, de haven van Cosa die ten oosten van de stad lag. Vanaf de Porta Romana liep een weg naar het zuidoosten naar de Via Aurelia richting Rome. Een tweede weg liep vanaf de Porta Fiorentina naar het noordwesten, waar deze aansloot op de Via Aurelia richting Pisae (Pisa).

Stratenplan