Peter Joseph Berger (Viersen, 2 oktober 1798 – Venlo, 15 december 1865), ook wel Pierre Joseph, Petrus Josephus of P.J. Berger genoemd, was een Venlose ondernemer, bankier en politicus. Berger was vanaf 1851 tot aan zijn dood lid van de gemeenteraad van Venlo. Ook was hij van 1859 tot 1865 actief als lid van de Provinciale Staten van Limburg. Hij geldt als de Pater familias van de Venlose bankiersfamilie Berger, en was grondlegger van de 'economische duizendpoot' Bank- en Handelsvereeniging v/h P.J. Berger. / Berger's Bank (1819-1920/32).
Levensloop
Jeugd in Viersen miniatuur|207x207px|Emilia Birck (1775-1842)|links Peter Joseph Berger werd op 2 oktober 1798 als zoon van Johannes Hermanus Berger en Emilia Birck te Viersen geboren. Hij was de middelste van vijf kinderen en groeide op in een welgesteld katholiek gezin. In de 18e en 19e eeuw was Viersen een belangrijk centrum van textielnijverheid, in 1807 gold Viersen als het grootste centrum van de linnenhandel aan de Nederrijn. Zijn vader was, samen met zijn oom Leonard Berger, linnenfabrikant van de firma Gebrüder Berger. Deze firma was destijds een van de grootste van Viersen en omstreken, en gaf werk aan zo'n 800 linnenwevers. Toen Berger negen was, overleed zijn vader. De zaken van de firma werden na diens overlijden voornamelijk behartigd door oom Leonard, maar moeder Emilia en haar kinderen bleven wel aandeel houden in het bedrijf. Peter Joseph heeft enkele jaren als leerling bij zijn oom in de firma gewerkt. Op latere leeftijd begonnen de zonen van Johannes de zaken van de firma Gebrüder Berger geleidelijk over te nemen. Na overleg met hun oom werden ze dan ook rond 1817 verschillende regio's uit gestuurd. De oudste zoon Leonardus Berger vestigde zich in Amsterdam. De jongste zoon, Johan Berger, bleef in Viersen, en nam daar de zaken van zijn vader over. Peter verhuisde naar Venlo. Vanuit deze gebieden werkten ze nauw samen.
Leven in Venlo Vanuit Venlo bleef Peter de zaken van de firma Gebrüder Berger behartigen. Broer Leonardus kocht goederen in op de Amsterdamse goederenmarkt, van hieruit werd het naar Venlo getransporteerd om het vervolgens aan een groot afzetgebied van Luik tot diep in Duitsland te verkopen. Peter begon na aankomst in Venlo, op 18-jarige leeftijd ook een levensmiddelenhandel. Hij werd daarbij vanuit Viersen gesteund door zijn oom, die zelf naast zijn textielfabriek, ook een groothandel in levensmiddelen dreef. Het eerste halfjaar stuurde Peter Joseph 24 brieven naar oom Leonard in verband met de bevoorrading van zijn firma. Hij bestelde bij zijn oom onder meer: 'karwijzaad, anijszaad, blauwsel, zout, kaas, gerst, chocolade, Cichorei, Málaga rozijnen, koffie bonen, Keulse rijst (...)'. Berger hield zich tijdens zijn eerste jaren in Venlo nog niet bezig met geldzaken. Toen Berger een zekere financiële reserve had opgebouwd, begon hij monetaire nevenactiviteiten te vervullen. miniatuur|Venlo vanuit het dorp Blerick gezien in 1858 met een stoomraderboot op de Maas. Hoogstwaarschijnlijk van P. J. Berger.|links P.J. Berger ontwikkelde zich tot veruit de belangrijkste en meest invloedrijke koopman van Venlo, en groeide uit tot een van de meest welvarende inwoners van Limburg. Hij kreeg op 29 juni 1851, na zo'n 34 jaar in Nederland te hebben gewoond, de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Hij schreef premier Johan Rudolph Thorbecke over de concurrentiepositie van Nederland indien de Belgen een Schelde-Maas-Moezel-Rijnkanaal zouden mogen aanleggen. In zijn jaren in de politiek zette hij zich onder meer in voor de aanleg van spoorwegen. Berger werd omschreven als een 'man van buitengewone energie en koopmansgeest'.
Dat Berger met de heer Thorbecke in contact stond blijkt nogmaals uit briefwisselingen tussen Thorbecke en zijn vrouw, waarin hij schrijft persoonlijk op bezoek te zijn geweest bij Berger toen hij op 6 Juli 1855 in Venlo aanwezig was.
Hij werd lid en later ook onderdeel van het bestuur van de in 1828 opgerichte sociëteit 'Amicitia', welke in 1891 werd opgeheven.
Berger overleed op 15 juli 1865 aan een langdurige keelkwaal. Vlak voor zijn overlijden was hij mentaal en fysiek nog erg gezond. Na zijn dood werd bepaald dat er een herdenkingsmis zou worden opgedragen, bekostigd door de pachters en landarbeiders die verbonden waren aan zijn eigendommen, uit hun initiatief. Daarnaast werd vastgelegd dat aan de betrokken 'onderhorigen', overeenkomstig de laatste wil van de overledene, een hoeveelheid steenkool (ter waarde van een kar, circa zes hectoliter) zou worden verstrekt.
P.J. Berger & Cie. miniatuur|196x196px|Portret van P.J. BergerRond 1820 begonnen de broers hun zaken meer te scheiden, in het begin van het jaar 1821 berichtte Berger aan zijn handelscontacten en relaties dat er een verandering in de grondslag van zijn bedrijf was gekomen. Zijn broers gingen hun eigen kanten op, en ook Peter ondertekende brieven voortaan onder zijn eigen naam. Goederenhandel Door de gunstige locatie aan de Maas, en het dichtbij gelegen Duitse grensgebied, was Venlo de ideale locatie om handel te drijven.
De levensmiddelenhandel van Berger breidde zich langzaam uit tot een uitgebreid handelsnetwerk waarbij hij goederen verkocht als linnen, koloniale waren, steenkolen, kalk en cement. De handel van Berger was voornamelijk gericht op België en Duitsland, maar liep tot in het Verenigd Koninkrijk door. Zo had hij via Manchester onder meer contact met het Duitse handelshuis H.J. Merck & Co. en groothandelaren James & John Holford te ManchesterJames & John Holford.links|miniatuur|De kunstmesthandel van de firma P.J. Berger aan de Nieuwstraat.|262x262pxDe kern van de activiteiten bestond uit de groothandel in koloniale waren en kruideniersartikelen. Koffie vormde het belangrijkste handelsproduct, met varianten uit onder meer Java en Suriname, gevolgd door rijst en suiker. Daarnaast bood Berger een breed assortiment aan goederen aan, waaronder thee, specerijen (zoals kaneel, kruidnagel en peper), gedroogde vruchten, tabak, zeep en andere handelswaren. Deze diversiteit wijst op een vraaggestuurde handelsstrategie, waarbij werd ingespeeld op beschikbare producten en winstkansen. Aanvankelijk combineerde Berger de groothandel met detailhandel, maar deze laatste activiteit werd na enkele jaren afgestoten om zich volledig op de groothandel te kunnen concentreren.
Vanaf 1824 bemiddelde Berger bovendien tussen textielfabrikanten in Viersen en handelsfirma’s in Manchester, waarbij katoengarens werden aangevoerd voor verwerking in de lokale industrie. Ondanks deze activiteiten in de textielsector bleven de handel in koffie, rijst, suiker en chocolade gedurende meerdere decennia de belangrijkste pijlers van het bedrijf.
De gunstige ligging van Venlo aan belangrijke waterwegen en later ook spoorverbindingen droeg in belangrijke mate bij aan het succes van de onderneming. Tot in de tweede helft van de 19e eeuw werden via Venlo aanzienlijke hoeveelheden, met name koffie en rijst, naar het Duitse gebied geëxporteerd.
Kassiersdiensten De firma P.J. Berger werd in het jaar 1819 voor het eerst vermeld in een door De Nederlandsche Bank uitgegeven lijst van handelsbanken. Dit maakte de bank tot een van de eerste van Nederland en Limburg. Hoewel de heer Berger de eerste jaren na aankomst alleen handelde als koopman, begon hij steeds vaker kassiersdiensten voor zijn handelscontacten te verlenen. Dit was echter geen gek verschijnsel voor die tijd, zo heeft de Van Lanschot Kempen bank een zelfde soort achtergrond. Berger begon in de loop van de jaren steeds minder aandacht te besteden aan de goederenhandel die hij dreef, en begon zich vooral in te zetten als kassier.miniatuur|Kantoorgebouw van de NV Bank- & Handelsvereeniging, v/h P.J. Berger (Keulsepoort te Venlo).
Hij breidde niet alleen zijn eigen ondernemingen uit, ook verleende hij goedgeefs financiële steun aan personen die volgens hem door ijver en onberispelijk gedrag kredietwaardig waren. Als gevolg werd voor veel bedrijven de grondslag gelegd, waarop nog verschillende aanzienlijke firma's gegrondvest zijn. Er zijn weinig oude firma's in de streek van Venlo waarbij de naam Berger niet in de oude boeken voorkomt.
Ook buiten Venlo was Berger van groot belang, zo trad hij onder andere op als kassier voor de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, wat later door een fusie Nederlandse Spoorwegen (NS) is gaan heten. Ook trad Berger op voor de Osse boterhandelaren de gebroeders Jurgens, die aan de wieg van het Unilever-concern stonden. In december 1864 werd Berger als correspondent van de Nederlandsche Bank aangesteld.
Na de dood van Berger zetten zijn nabestaanden de zaak voort. Zo verrichtte de firma onder meer allerlei geldtransacties voor de firma van Lodewijk van der Grinten, waaruit later het huidigde Océ voortkwam. Ook de firma Gebr. Teeuwen, een keramisch bedrijf uit Tegelen opende ten behoeve van hun onderneming een rekening bij P.J. Berger & Cie.
Vanaf 1894 ging de firma verder als Naamloze Vennootschap, en heette de bank vanaf nu 'Bank & Handelsvereeniging voorheen P.J. Berger'. Er werden drie kleinzonen van de heer Berger als directeuren aangesteld; Louis J.W. Berger, Emile P.J. Berger en H. Martin Berger. Emile zou optreden als expediteur en Martin als Kassier. miniatuur|Kantoorgebouw van de N.V. Berger's Bank (1921-1932) te Venlo. Door voorzichtige dividendpolitiek en het jaren lang geleidelijk vormen van flinke reserves, kon de zaak alle tegenwinden en crises doorstaan, zonder hiervoor leningen af te moeten sluiten.
Door het afvallen van twee leden van de directie in de jaren 1919 en 1920, die zelf geen opvolgers hadden, besloot de algemene vergadering tot liquidatie. Familieleden en familierelaties kregen de kans tot overname van delen van de onderneming. Hoewel de bankafdeling op 1 januari 1920 fuseerde met de Zuid-Nederlandsche Handelsbank, onderdeel van de Rotterdamsche Bank, later ABN AMRO Bank N.V., werd er een jaar later alweer een nieuwe bank opgericht, de N.V. Berger's Bank, onder bestuur van de voorheen genoemde Martin Berger en bankier Clemens Hellegers. Ook het correspondentschap van De Nederlandsche Bank werd door Martin overgenomen. Voor zover er geen liefhebbers waren, werden alle acitva geleidelijk voor hoge prijzen verkocht. Een jaar na besluit, in 1921, waren alle afdelingen geliquideerd.
Expediteursdiensten miniatuur|'De Louisa', een van de stoomboten van het expeditiebedrijf P.J. Berger aan de Venlose Maaskade, jaartal onbekend.|links