miniatuur|Het zegel van Evert Sickinghe, provest van Loppersum, 13 april 1452 Evert Sickinghe (genoemd 1431), heer van de westelijke Ripperdaborg en het Sickinghehuis, was een Gronings hoofdeling, proost, redger en hoofdman uit het regentengeslacht Sickinghe. Hij behoorde tot de Ommelander elite die in Stad en Lande en de aangrenzende Oost-Friese regio zowel wereldlijke als kerkelijke functies vervulde.
Hij was gehuwd met Amke Ukena, dochter van de bekende hoofdeling en legeraanvoerder Focko Ukena, en raakte daardoor betrokken bij het netwerk rond de Oost-Friese machtsconflicten. In deze context trad hij op als vertegenwoordiger van de Ukena’s bij de erf- en machtsconflicten rond Emden, in de nasleep van de val van de heerschappij van Ocko II tom Brok en de vestiging van het huis Cirksena als regionale machtsfactor.
In 1463 werd Sickinghe door de bisschop van Utrecht, David van Bourgondië, beleend met de Tamminga-tienden, die eerder in bezit waren geweest van zijn vader en grootvader.
Afkomst en opleiding Sickinghe, telg uit het oud adellijke regentengeslacht Sickinghe, werd geboren als zoon van Johan Sickinghe (†1421/1445) en Jey van Heemstra (†1436), telg uit het Fries oud adellijke geslacht van Heemstra. Zowel zijn vader Johan als zijn broer Ludolf Sickinghe waren burgemeester van de stad Groningen geweest. Zijn broer, Feyo I Sickinghe, was heer van de borg te Winsum.
Ook zijn grootvader Lubbert Sickinghe, erkend stamvader van het geslacht Sickinghe, was burgemeester van de stad. Evert zelf was op zijn beurt een oom van de burgemeester en hoofdman van Groningen Peter Sickinghe; destijds een van de aanzienlijkste leden van het patriciaat.
Hij stond sinds 1431 aan de Universiteit van Keulen ingeschrevenSamme Zijlstra - Het geleerde Friesland, studenten ca. 1380 - 1650, Everardus Sickinge (05847)
Familierelaties en bezittingen miniatuur|De schoonvader van Evert Sickinghe, Focko Ukena (rechts), krijgt Ocko II tom Brok na de Slag op de Wilde Ackers gevangen voorgeleid Sickinghe was tussen 1457 en 1470 hoofdeling te Winsum. Hij was een neef van Catharina van der Does, telg uit het oud adellijke geslacht van der Does.
Sickinghe was getrouwd met Amke Ukena (ca. 1390 - 1445), dochter van de bekende Oost-Friese hoofdeling Focko Ukena (ca. 1365 - 1437).Groninger Archieven, toegang 572 (Familie Sickinghe, 1257 - 1974), 12, Uittreksel uit een brief van het stadsbestuur van Hamburg, d.d. 1451, aan Burgemeesters en Raad van Groningen, betreffende aanspraken van Evert Sickinge, schoonzoon van Focke Ubena .. Cartago, Register Feith: 1451.019, Inventarisnummer 0012, jaar: 1451. De eerste echtgenoot van Amke, Sibet Papinga van Riustringen (1394-1433), sneuvelde met 2 van haar broers tijdens de Oost-Friese bevrijdingsoorlog bij de slag bij Bargebur. Amke trok na de nederlaag met haar vader Focko richting de Ommelanden. Ten tijde van de hoog oplopende spanningen tussen Focko Ukena en Ocko II tom Brok, liet Focko zijn zoons en dochters allemaal strategische huwelijken met belangrijke hoofdelingenfamilies in de Ommelanden sluiten.R.H. Alma, De Ommelander adel in de late middeleeuwen, Virtus 2 (1994/1995) afl. 2, p. 29. Hieronder viel de familie Sickinghe en enige tijd na hun aankomst in de Ommelanden trouwde Amke (tussen 1438 en 1445) met Evert Sickinghe.Jakobus Isebrandus Harkenroht, Oostfriesche oorspongkelykheden, Tweede deel, Groningen 1731, p. 195 & 796.Gedenkboek van Winsum - mevrouw Luitjens - Dijkveld Stol (1957)
Een oorkonde van 21 februari 1438 bevat de belofte van Ulfrede, opgelegd aan Emden, door Elso Fockema en Johan te Made. Evert Sickinghe staat vermeld als getuige. Het zegel hangt nog volmaakt ongeschonden aan de oorkonde.Universitätsbibliothek Heidelberg, Heidelberger historische Bestände (digital), Friedländer, Ernst: Ostfriesisches Urkundenbuch (Band 1): 787 - 1470 (Emden, 1878), 1438, 491. 21 februari 1438, p. 439.
Rond 1445 woont Sickinghe samen met zijn vrouw op de westelijke Ripperdaborg. In datzelfde jaar komt hij voor als mede-erfgename bij de akte van scheiding tussen enerzijds Evert Sickinghe en Hiddeke van Wijtwerd en aan de andere zijde Abeke en Hidde Onsta. Hidde was een oom van Evert. Verschillende akten uit die tijd laten zien dat Evert en zijn vrouw vele steenhuizen en boerderijen bezaten. Na hun kinderloos overlijden ging een groot aantal onroerende goederen over op het geslacht Ripperda en haar Winsumer stamvader, Focco I Ripperda. Enige tijd na het overlijden van hun vader Johan Sickinghe, werd op 1456 een akte van scheiding van de nalatenschap tussen Evert en Feyo opgemaakt. In 1457 verkopen Evert en zijn broer Feyo aan de zoons van Abel Onsta het Sickinghehuis. Dit was hun ouderlijk huis, met hofstede, gang, schuur en hof, gelegen ten Westen van de Boteringenstraat, naast Potters huis. Daarnaast regelen zij het recht op kerkstoelen en zitplaatsen in de Martinikerk, de A-kerk en de Broerkerk. miniatuur|Voorstellende de Ripperdaborg of het huis te Winsum. De tekening is een mystificatie uit 1622. Mocht dit de borg bij Winsum voorstellen, dan is het wel een ontzettend groot gebouw geweest.
Betrokkenheid bij Oost-Friese erfgeschillen Uit een Hamburgse diplomatieke brief van 30 juni 1451 en verwante Oost-Friese bronnen blijkt dat Sickinghe betrokken was bij de erf- en machtsconflicten rond Emden, in de nasleep van de val van de heerschappij van Ocko II tom Brok en de opkomst van de Cirksena’s.
In deze context schaarde Hamburg zich in de onderhandelingen achter de aanspraken van Evert Sickinghe, Eggo Addinga en Olde Imel. Deze aanspraken hadden betrekking op de verdeling van de politieke en materiële erfenis van de Oost-Friese hoofdelingenfamilies, waarbij Sickinghe specifiek optreedt binnen de erfopvolgings- en legitimiteitskring rond de partij van zijn schoonvader Focko Ukena in Emden. Ukena’s aanhang vertegenwoordigde in deze fase de verliezende factie in de machtsstrijd tegen de opkomende Cirksena’s, waarbij zijn voormalige netwerk van bondgenoten en erfgenamen zich in ballingschap of diaspora bevond.
Pas in de nazomer van 1450 kon Imel Allena, namens deze ontheemden, samen met Evert Sickinghe, optredend als vertegenwoordiger van de erfgenamenkring van Ukena, en Eggo Addinga, als erfgenaam van de Emder familie Abdena, zich tot Groningen wenden met het verzoek om militaire steun tegen de Hamburgse belangen in Emden. De stad Groningen weigerde weliswaar directe militaire interventie, maar liet diplomatieke ondersteuning toe, waarmee zij ruimte hield tussen de rivaliserende Oost-Friese facties en de Hamburgse positie.
Werk In 1434 verkreeg Sickinghe samen met zijn vader Johan het gildrecht van Groningen en in 1438 en 1439 was hij hoofdman van de stad.Emmius, Agro Frisiae, 314; R.A. Groningen, Omm. arch., inv.nr. 133, oud Reg. Feith 1439.15. Als proost van Loppersum Op 19 september 1441 legde Evert Sickinghe de eed af aan de bisschop van Münster, Hendrik II. van Meurs, waarna hij werd benoemd tot proost van de halve proosdij te Loppersum.Landesarchiv Nordrhein Westfalen, B 009u/ Fürstbistum Münster, Hofkammer - Ostfriesische Urkunden, (Nr. 1.) Everd Sycknick bekundet, dass Heinrich II. von Moers, Fürstbischof von Münster, ihm die Hälfte der Propstei Loppersum übertragen hat, und gelobt dem Bischof, seinen Nachfolgern und Offizialen Treue und Gehorsam. Er verpflichtet sich alle drei Jahre zu einer Zahlung von fünf Mark. Hij zwoer loyaliteit en gehoorzaamheid aan de bisschop, diens opvolgers en functionarissen, en verbond zich ertoe om iedere drie jaar vijf mark te betalen. Als schoonzoon van Focko Ukena volgde Evert Focko's jong overleden zoon, Sjiabbe van Garreweer, op. In zijn rol als proost trad hij in 1452 op als zoenslid bij een geschil tussen twee families over de Fradamaheerd.Groninger Archieven, toegang: 619 (Borg Farmsum, 1246 - 1912), Regest 104. Sickinghe bleef proost tot 1464/1465. miniatuur|De eed van Evert Sickinghe aan de bisschop van Münster Hendrik II. van Meurs op 19 september 1441
Zijn laatst bekende optreden als proost is op 4 mei 1465. Op een akte vermeldt Evert Sicking, proost te Loppersum en redger in Den Andel, dat hij samen met zijn wedman Sicko aan de abt Hindrick en het klooster Selwerd vijf schaapsgrazen heeft toegewezen.Groninger Archieven (v/h Cartago), oorkondenummer: kla0473, Kloosterarch., inv.nr. 20, fol. 136r, reg. 473, 'Evert Sicking, proost te Loppersum en redger in den Ondel, oorkondt dat hij ...' Aangezien hij kinderloos overleed kwam de proosdij in het bezit van zijn zwagers Uncke Ripperda en Ewe Ewesma.
Als redger Als Ommelander bestuurder komt hij in ten minste 1447 voor als redger te BafloGroninger Archieven, toegang: 172 (Kloosters in de provincie Groningen), Regest 238 + 239., in 1462 als zodanig te Winsum en in 1465 als zodanig te Den Andel. In 1448 had Ewo Erikes, hoofdeling van Jemgum, een geschil met de kleinkinderen van Focko Ukena over een stenen huis. In 1454 werd dit geschil beslecht door een verdrag met Evert Sickinghe.
Sickinghe wordt voor het laatst vermeld in 1470. In een akte van 21 november verklaren de burgemeesters en de raad van Groningen dat Abel Onsta, hoofdeling te Sauwerd, Evert Sickinghe, hoofdeling te Winsum, Clawes Kater, hoofdeling te Bedum, en Johan Huginge het door hun onderzaten in Ubbega en Inredijck opgebrachte schot hebben afgedragen.Groninger Archieven, toegang: 2 (Ommelander Archieven, 1558 - 1862), Regest 101.
Ontvanger van de Tamminga-tienden miniatuur|De akte van verlening van de Tamminga-tienden door de bisschop van Utrecht, 1463In 1463 werd Evert Sickinghe door de bisschop van Utrecht, David van Bourgondië (1427-1496), beleend met de Tamminga-tienden.Sr. G. Acker Stratingh, Mr. H. O. Feith en Mr. W. B. S. Boeles, Bijdragen tot de Geschiedenis en Oudheidkunde, inzonderheid van de Provincie Groningen, vijfde deel, Groningen 1868, p. 302. Belener was de ambtman van Coevorden en drost van Drenthe Wolter Stelling.Groninger Archieven, toegang: 572 (Familie Sickinghe, 1257 - 1974), Inventaris: 1. Deel I; Stukken betreffende de familie Sickinghe afkomstig uit het register Feith, 1.04. Evert Sickinghe (overl vóór 1481)
Evert Sickinghe overleed waarschijnlijk tussen 1470 en 1475.
Externe links Groninger Archieven, Toegang 572: Familie Sickinghe, 1257-1974 NazatendeVries, De Ripperdaborgen bij Winsum
Evert Sickinghe (1431-1470) Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 14e eeuw Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 15e eeuw