miniatuur|Taalkundig experiment van farao Psammetichus, Lambertus Antonius Claessens, naar Jacques Kuyper (1800) Het taalexperiment van Psammetichus I is een bekend verhaal overgeleverd door geschiedschrijver Herodotus in zijn Historiën. Psammetichus I (664-610 v. C.), in de zevende eeuw v. C. farao van Egypte, beoogde met een taalexperiment uit te maken welk volk het oudst was. Dat deed hij door twee pasgeborenen te laten afzonderen en na te gaan welke taal ze zouden gaan spreken. Oxford Reference omschrijft de proefneming als het eerste gedocumenteerde psychologische experiment.

Verloop van het taalexperiment volgens de overlevering van Herodotus Herodotus (485-425 v. C.) beschreef in Euterpe, het tweede boek van zijn Historiën, hoe Psammetichus een experiment liet uitvoeren dat licht zou werpen op wat de oudste taal van de wereld was. Herodotus verhaalde hoe de Egyptenaren in de tijd van Psammetichus veronderstelden dat hun volk als eerste was ontstaan. Psammetichus twijfelde daaraan en bedacht een manier om na te gaan welk volk het oudste volk was: als hij kon achterhalen wat de oertaal van de mens was, zou hij daaruit kunnen afleiden uit welk volk de mensen afstammen.

Dat deed hij aan de hand van een experiment. Herodotus doet verhaal van twee versies. In een eerste versie volgens priesters van Hephaistos in Memphis bracht Psammetichus twee pasgeboren kinderen met een goede gezondheid onder de hoede van een herder, die hen in zijn geitenstal liet opgroeien, afgezonderd van de rest van de wereld. Psammetichus droeg hem daarbij op dat niemand een woord mocht uiten in hun bijzijn. Alleen de herder mocht hen benaderen om hen van melk te voorzien en hen te verzorgen als dat nodig was, zij het zonder te communiceren. De woorden die de kinderen als eerste zouden uitbrengen na een fase van onverstaanbaar gebrabbel, zou de oertaal zijn, aangezien ze die zonder enige invloed van anderen uit zichzelf zouden produceren.

Herodotus rapporteert hoe de kinderen na twee jaar zo te hebben geleefd, voor de herder op hun knieën vielen en hem smekend het woord bekos toespraken. Dat gebeurde niet één keer maar herhaaldelijk, waarop Psammetichus de kinderen liet komen en zelf ook de taaluiting vaststelde. Nadat hij zich had geïnformeerd bij andere volkeren, bleek in het Frygisch bekos brood te betekenen. Daaruit concludeerde hij dat de Frygiërs het oudste volk waren, ouder dan de Egyptenaren.

Het is echter waarschijnlijk dat de kinderen een uiting als bekos zouden hebben geproduceerd door de aanwezigheid en invloed van de geiten. Die werden volgens de overlevering van Herodotus immers steeds naar de ruimte van de kinderen gebracht, om hen van melk te voorzien. Bekos lijkt dan ook een klanknabootsing van het gemekker van de geiten te zijn. Daar heeft Psammetichus noch Herodotus op gewezen.

Een tweede versie, die van de Hellenen, vertelt volgens Herodotus een ander verhaal. Daarin is het niet een herder die de pasgeborenen opvoedt, maar zijn het verschillende vrouwen. Om zich ervan te verzekeren dat ze geen woord konden laten ontsnappen in het bijzijn van de kinderen, zou Psammetichus hen de tong hebben afgesneden.

Authenticiteit van het verhaal Er heerst grote twijfel over de vraag of het verhaal dat Herodotus beschrijft, wel degelijk als historisch beschouwd kan worden, of eerder een legende zou zijn. De grote mate van detail waarmee het verteld wordt, draagt bij aan de geloofwaardigheid. Bovendien zijn de omstandigheden van het experiment opmerkelijk gecontroleerd: een geïsoleerde omgeving, minimaal contact en de jonge leeftijd van de kinderen. Het vermelden van het gebrabbel van de kinderen geeft ook een waarheidsgetrouwe indruk. Daarnaast wijkt de uitkomst af van de verwachtingen van de Egyptenaren, die hun eigen volk als het oudst zagen.

Toch zijn er goede redenen om aan te nemen dat het verhaal niet historisch zou zijn. Zo wijzen verschillende elementen op een mogelijke Ionische oorsprong in plaats van een Egyptische. Gecontroleerde methodes als die van het experiment van Psammetichus zouden bijvoorbeeld ook al door Griekse artsen in Ionië zijn uitgevoerd. Bovendien dronken mensen in Egypte koeienmelk als voeding en geen geitenmelk, terwijl in het Ionisch gebied juist eerder naar geiten- en schapenmelk gegrepen werd dan naar koeienmelk. Het onderzoek zou zich dus in Ionië kunnen hebben afgespeeld, waarna het naar Egypte is geëmigreerd. Het verhaal zou ook fictief kunnen zijn en als doel gehad hebben de Egyptenaren in diskrediet te brengen. Het is dus niet duidelijk in hoeverre het experiment van Psammetichus daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Reacties van taaldenkers op de uitkomst van het experiment miniatuur|left|Portret van Johannes Goropius Becanus, door Johannes Wierix (1580) Ook na Psammetichus hebben verscheidene taaldenkers zich beziggehouden met de vraag welke taal de oorspronkelijke was. Hoewel tot na de middeleeuwen in het Westen de aanname heerste dat het Hebreeuws de oudste taal was, volgens de bijbelse traditie, stelden taaldenkers dat ook meermaals in vraag. Naar het taalexperiment van de farao werd dan ook verschillende keren verwezen.

Johannes Goropius Becanus (Jan Van Gorp, 1519–1573) interesseerde zich in de zestiende eeuw ook in de oorsprong van taal. Zoals Simon Stevin (1548-1620) in ongeveer dezelfde periode de eigen volkstaal, het Diets, had geportretteerd als volmaakte taal, zo had ook Becanus aandacht voor het Diets. In zijn Origines Antwerpianae beargumenteerde hij dat het Diets, en meer bepaald het Antwerpse dialect, het meest vergelijkbaar met de ‘moeder der talen’ was. Hij betwistte eveneens de veronderstelling dat het Hebreeuws de oertaal was. Toch getuigde zijn verklaring nog steeds ook van een theologische visie. De taal van het aards paradijs zou door de kleinzoon van Noach, Gomer, zijn doorgegeven aan het volk dat hij leidde, de Cimmerii. Het volk bouwde volgens de redenering van Becanus niet mee aan de toren van Babel. Daarom bleef hun taal, het Cimmerisch, in tegenstelling tot de andere intact. Het hedendaagse Diets zou als enige taal rechtstreeks afstammen van die oertaal en er zeer veel gelijkenissen mee vertonen.

Voor het Diets als oertaal geeft Becanus allerlei etymologische argumenten, en ook het verhaal van Psammetichus zet hij in voor zijn theorie. Hij neemt de uitkomst van het experiment ernstig, maar ziet het juist als etymologische ondersteuning voor de primordialiteit van het Diets. Hij gaat ervan uit dat de taal waarin bekos brood betekent, de oertaal moet zijn. Dat leidt hem naar het Diets, waarin bec naar brood verwijst. Het woord becker ("bakker", de bereider van brood) heeft die stam nog behouden. Met dit verhaal ter inspiratie gaf Becanus zijn werk Origines Antwerpianae de ondertitel Cimmeriorum Becceselana. Bec in beccesselana verwijst er opnieuw naar brood, naar analogie met het experiment van Psammetichus. Het geheel slaat op het brood waarmee de Cimmerii de eeuwigheid konden tellen. Sel zag hij als “tel” en ana als “eeuwigheid”, door de combinatie van aan en na die samen het eeuwige omvatten.

Terwijl Becanus vasthield aan de uitkomst van de proef van Psammetichus, zette zijn tijdgenoot Schrieckius (Adriaan van Schrieck, 1560-1612), heer van Rodorne en taaldenker, het weg als ongeloofwaardig. Hij ging er in zijn Origines rerumque Celticarum et Belgicarum libri XXIII net als Becanus van uit dat het Diets bijzonder oud was, maar niet zo oud als het Hebreeuws. Schrieckius' houding tegenover de bevindingen van Psammetichus was kritisch om twee redenen. In de eerste plaats bracht hij de taaluiting van de kinderen wel in verband met het gemekker van de geiten. Ten tweede wees hij erop hoe ongeloofwaardig het was dat de kinderen om een brood zouden vragen. Ze werden volgens de overlevering van Herodotus immers alleen gevoed met melk van de geiten en zouden dus nog niet in aanraking gekomen zijn met brood. Dat Becanus zijn argumentatie op de uitkomst van dit experiment baseerde, vond Schrieckius lichtzinnig.

De Zweedse medicus en professor Olaus (Olav) Rudbeck (1630-1702) was daarentegen wel overtuigd van de relevantie van het experiment, net zoals Becanus. Hij zette het een eeuw na die laatste eveneens in ter ondersteuning van zijn eigen taaltheorie. In zijn Atlantica betoogt hij met uiteenlopende argumenten uit verschillende vakdomeinen dat Zweden de locatie van Atlantis is, de stad die aan de basis van de civilisatie ligt volgens Plato. Het Zweeds is bijgevolg in zijn ogen de moeder der talen. De anekdote van Psammetichus diende als ondersteunende bewijslast daarvoor: zoals Becanus het Dietse becker in verband bracht met het eerste woord van de kinderen, zo wees Rudbeck op Zweedse woorden die er etymologisch sterk mee verwant waren: baca (“bakken”), bactare (“bakker”) en bacebulla (“brood”) bijvoorbeeld.

Het verhaal over het taalexperiment van Psammetichus is dus verschillende keren als argument gebruikt voor theorieën die blijk geven van een waardering van de eigen volkstaal, in een context van een groeiend proto-nationalisme. Daarbij wijzen de bedenkers van die theorieën op de etymologische verwantschappen tussen de taaluiting van de twee kinderen en woorden uit hun taal.

Navolging van het experiment Het experiment dat Psammetichus liet uitvoeren is geen geïsoleerd geval: het heeft in de middeleeuwen en de vroegmoderne periode navolging gekregen van verschillende andere proefnemingen die vandaag eveneens als onethisch bestempeld zouden worden. Keizer Frederick II van Hohenstaufen (1194-1250) bijvoorbeeld heeft in de dertiende eeuw een gelijkaardige poging ondernomen. De keizer, bekend als Stupor mundi, had een grote interesse in empirische wetenschap en kenmerkte zich door zijn kritische houding tegenover de dogma’s van de Kerk. Zijn hof was een vruchtbaar klimaat voor astrologie en alchemie, maar ook fysica en geneeskunde werden er veelvuldig beoefend. De kroniekschrijver Salimbene de Adamis (1221-1288) wees op de extreme vormen die zijn nieuwsgierigheid kon aannemen. Zo vertelt hij dat de keizer bij wijze van experiment een man liet opsluiten in een wijnvat, tot hij stierf. Hij trachtte zo na te gaan of samen met het lichaam ook de ziel zou heengaan. Hij was immers op zoek naar een bewijs tegen de aanname dat er leven na de dood was. miniatuur|Frederick II met adelaar, uit De Arte Venandi Avibus van Frederik II, door onbekende maker (circa 1240) Salimbene beschreef ook een taalexperiment van Frederick II waarin hij wilde achterhalen wat de oorspronkelijke menselijke taal was. Hij bracht kinderen onder de hoede van opvoedsters en droeg hen op om hen borstvoeding te geven en hen te wassen, maar voor de rest geen enkele vorm van affectie te tonen. Volgens de veronderstelling van de keizer zouden de kinderen Hebreeuws, Grieks, Latijn of Arabisch gaan spreken, ofwel de moedertaal van hun ouders. Zijn proefneming leverde echter niets op, aangezien alle kinderen vroegtijdig stierven. Daaruit volgde de conclusie dat de kinderen niet zonder gebaren en liefkozingen van hun verzorgers konden leven.

Hoewel het opzet van het experiment van Frederick II hetzelfde was als bij Psammetichus, verschilt het op een aantal punten van dat van die laatste: het aantal kinderen (onbepaald tegenover twee), de omgeving van de proef (bij gewone verzorgsters tegenover in een geitenstal) en de uitkomst (geen uitkomst tegenover een concrete uitkomst). De historicus Kantarowicz laat echter in zijn biografie over Frederick II uitschijnen dat Psammetichus mogelijk ter inspiratie diende voor de keizer, net zoals de Arabische roman van Ibn Tufail uit de twaalfde eeuw, genaamd Hayy ibn Yaqdhan. Daarin wordt een kind op een eiland opgevoed door een ree. Het kind leert er de taal van het dier en komt zo tot filosofische inzichten. Als kenner van de Arabische en ook de Griekse taal is het mogelijk te veronderstellen dat Frederick II beide werken gelezen heeft.