Ronse (Frans: Renaix) is een stad en faciliteitengemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen. De stad telt ruim 27.000 inwoners, die RonsenaarsVRT-Taalnet worden genoemd. Ronse is gelegen in het Zuid-Vlaamse Heuvelland of de zogenaamde Vlaamse Ardennen. De schrijver Omer Wattez noemde Ronse ook wel "de koningin der Vlaamse Ardennen", omwille van de ligging en groene omgeving. De patroonheilige van de stad is Sint Hermes.
Ronse geldt als een handelsstad met een provinciaal karakter en een belangrijk regionaal onderwijscentrum met verzorgende functie. Als "Parel van de Vlaamse Ardennen" profileert de taalgrensstad zich als een cultuur-toeristisch centrum van waaruit men de natuur van de Vlaamse Ardennen kan ontdekken. Hierdoor kent Ronse een steeds toenemend dagtoerisme.
Geschiedenis Etymologie De naam Ronse, voor het eerst vermeld als Rotnace (855-873), wijst op een Belgische of Keltische oorsprong. De naam is afgeleid van de nabijgelegen rivier de Ronne met het Keltische achtervoegsel -acum, wat "vestiging aan de Ronne" betekent. Door de eeuwen heen heeft de naam zowel een Germaanse ontwikkeling, met klemtoon op de eerste lettergreep (Ronse), en Romaanse ontwikkeling, met klemtoon op de laatste lettergreep (Renaix), doorgemaakt.
De rivier stroomt echter net ten zuiden van Ronse en doorkruist nooit haar grondgebied, wat deze verklaring onzeker maakt. Toponymisten geloven nu dat de naam Ronse zowel van een rivier als van een persoon afkomstig kan zijn, en dat we nooit zeker zullen zijn van de oorsprong van de naam van de stad.Félicien de Tollenaere, Ronne en Ronse ?, in Annalen van de kring Geschied-en Oudheidkundige Kring van Ronse en het Tenement van Inde (GOKRTI), Ronse, t. LIII, 2004, blz 13-16.
Vroege nederzettingen Vanaf het Paleolithicum werden reeds verschillende heuvels in de Vlaamse Ardennen door de mens bewoond. Ook in en rond het Muziekbos zijn sporen van menselijke activiteit gevonden. Maar pas tijdens het Neolithicum is er in Ronse sprake van een permanente nederzetting, die vooral gebaseerd was op landbouw en veeteelt. In 1836 en 1875 werden van een 17-tal grafheuvels of tumuli uit de vroege en midden Bronstijd (ca. 2.100-1.200 v.Chr.) blootgelegd, waaronder twee met urnen met crematieresten in een grafkamer van lokale zandsteen.
Ook in de Romeinse tijd bevond zich op het grondgebied van Ronse een nederzetting. Dit wordt bevestigd door fragmenten van een Romeins bouwwerk die als recuperatiemateriaal gebruikt werden in de romaanse gewelven van de Sint-Hermescrypte. Ook zijn er Romeinse munten gevonden op de Muziekberg en in het Bois Joly daterend uit de 2de en 4de eeuw na Christus. Eind de 5de eeuw werden de Romeinen verjaagd door Childerik. Daar waar de Romeinse cultuur de Germaanse bezetting overleefde, ontstond de taalgrens.
thumb|left|150px|Amandus, stichter van Ronse
Middeleeuwen Vroege middeleeuwen Nadat tijdens de ‘donkere’ middeleeuwen de Romeinse infrastructuur volledig in verval is geraakt, stichtte Sint-Amandus, met de steun van de Merovingische vorst Dagobert I, voor de evangelisatie van de Lage Landen in de 7de eeuw een klooster gewijd aan de heiligen Petrus en Paulus.Catholic Encyclopedia, St. Amandus Deze patrocinia als Sint-Pieter, Sint-Paulus en Sint-Martinus zoals in Ronse duiden op de vroegste kersteningsperiode van deze streken in de 7de eeuw.Over heiligen en de kerstening van westelijk Vlaanderen, Jean Luc MeulemeesterDEVOS, E.. Ronse in de Vlaamse Ardennen. Leuven: Davidsfonds, 2002, 112 p.
Karel de Grote, die als Karolingische vorst het beschikkingsrecht had over Ronse, schonk het klooster als financiële en materiële ondersteuning aan Heridag, de eerste bisschop van het bisdom Hamburg. Na zijn overlijden schonk zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome, tussen 831 en 834 het kloosterdomein, als onderdeel van het "Tenement van Inde", aan de abdij van Inde te Kornelimünster bij Aken.hoogtepunten in de geschiedenis van het sint-pietersmonasterium van Ronse, Albert Cambier Deze eerste bloeiperiode kwam in 860 met de komst van de relieken van Sint-Hermes van Salzburg naar Ronse op vraag van keizer Lotharius. In 880 vluchtten de monniken echter met hun kostbaarheden uit vrees voor de oprukkende Noormannen, die de Schelde gebruikten als toegangspoort tot de Lage Landen. In 940 keerden de relieken van Sint-Hermes terug door bemiddeling van de bisschop van Kamerijk, Fulbert en werden ze in 1089 ondergebracht in de crypte onder de Sint-Hermesbasiliek. De relieken stimuleerden de plaatselijke economie door de komst van vele geesteszieken, die bij Sint-Hermes soelaas kwamen zoeken.
Hoge middeleeuwen 300px|thumb|left|Graafschap Vlaanderen (eind 14e eeuw) met de grens van het Heilige Roomse Rijk in het rood met ten westen Kroon-Vlaanderen en ten oosten Rijks-Vlaanderen Met het verdrag van Verdun in 843 en het uiteenvallen van het Frankische Rijk van Karel de Grote, vormde de Schelde vanaf 925 de grens tussen het Franse en het Duitse Rijk: Het gebied ten oosten van de Schelde kwam onder het gezag van de Duitse keizer, Lotharius I, terwijl het andere viel onder de soevereiniteit van de Franse koning, Karel de Kale. Om de westgrenzen van zijn rijk te beschermen, richtte de Duitse keizer Otto II (973-983) drie belangrijke versterkingen op langs de rechteroever van de Schelde. Samen met Antwerpen en Valenciennes, werd Ename in 974 gesticht als hoofdplaats van de Mark Ename.
Uit de verbrokkeling van het West-Frankische rijk ontstond het graafschap Vlaanderen. Gesteund door een aantal aanzienlijke families uit de Scheldevallei, de huizen van Petegem, Oudenaarde en Eine, wist Boudewijn IV van Vlaanderen in 1033 Ename aan de overzijde van de Schelde te veroveren, maar de Duitse keizer wilde hem de mark evenwel niet toekennen. Toen Boudewijn V van Vlaanderen zich aansloot bij de opstand van Godfried II van Lotharingen, werd hem de mark Valencijn ontnomen, waarop hij in 1047 Ename opnieuw bezette. Kort na 1056 werd Rijks-Vlaanderen, het noordwestelijke deel tussen Schelde en Dender, door de Duitse keizer toegewezen aan de graven van Vlaanderen. Rijks-Vlaanderen is evenwel niet te verwarren met Kroon-Vlaanderen, dat ten westen van de Schelde lag en in leen werd gehouden van de Franse koningen.
De heer van Oudenaarde-Pamele verwierf, vermoedelijk als beloning voor steun aan de graaf, verschillende heerlijkheden gelegen tussen de waterlopen Maarke en Ronne op de rechter Schelde-oever, het zogenaamde Land tussen Marke en Ronne. Later hielden zij het in leen van de heren van Heinsberg en Gulik.Geschiedenis van Maarkedal (gearchiveerd)
Dezelfde heren van Pamele werden door de abt van de verafgelegen abdij van Inde aangesteld als voogd van het "Tenement van Inde", waaronder het klooster van Ronse, terwijl Gerard de Wattripont, leenman van de heer van Oudenaarde, in 1126 werd aangesteld als ondervoogd. Het was Gerard de Wattripont die de nederzetting in 1240 een stadskeure verleende, het gebied in 1264 afkocht van de abdij en zodoende de eerste heer van Ronse werd. In 1280 verkocht de abdij de overblijvende bezittingen van het Tenement, waaronder Ronse aan Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen. In 1293 verwierf hij ook de stad. Ronse, werd vanaf toen "stad en de heerlijkheid Ronse" genoemd. De vrije heerlijkheid en baronie van Ronse vormde een onafhankelijke enclave in het land van Aalst. Gwijde gaf het gebied in 1289 in leen aan zijn zoon Gwijde van Namen.Inventaris van het archief van het leenhof van het Land tussen Marke en Ronne, Herman Van Isterdael
Late middeleeuwen thumb|left|300px|Land Van Aalst door Jacques Horenbault in 1619 Het Tenement, dat aanvankelijk bestond uit een twintigtal dorpen, zowel ten noorden als ten zuiden van de huidige taalgrens, werd door het Sint-Hermeskapittel bestuurd vanuit "De Vrijheid" voor rekening van de abdij van Inde.Ronse en de taalfaciliteiten. Een historische analyse van de omgang met het faciliteitenstatuut, Hans Haustraete, Universiteit Gent, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Vakgroep Nieuwste Geschiedenis
Gaandeweg kalfde dit patrimonium echter af, tot abt van Kornelismünster omstreeks 1280 de overblijvende bezittingen van het Tenement, waaronder Ronse, verkocht aan de graaf van Vlaanderen,Gwijde van Dampierre. Daarnaast verkoopt Gilles de Wattripont in 1293 de ondervoogdij en al zijn rechten en verwierf Gwijde van Dampierre ook de stad. Ronse werd vanaf toen "stad en de heerlijkheid Ronse" genoemd. De vrije heerlijkheid - vanaf 1549 de baronie van Ronse - vormde een onafhankelijke enclave in het land van Aalst. Gwijde gaf het gebied in 1289 in leen aan zijn zoon Gwijde van Namen.
Ronse werd in het noorden militair en strategisch afgebakend door een gordel van moten langs de Molenbeek (waaronder de Hoge Mote), terwijl de verdediging in het zuiden gevormd werd door vesten (waaronder de Oude Vesten). Voor de rest bleef de stad onversterkt en was aldus verschillende decennia betwist gebied tussen de graven van Vlaanderen en Henegouwen. Zo wordt Ronse in 1298 geplunderd en platgebrand bij de machtsstrijd tussen de Dampierres en de Avesnes omtrent het Debattenland. Pas na de Vrede van Parijs in 1323 behoorde Ronse definitief toe aan de graaf van Vlaanderen onder de kasselrij van Aalst en beschikte tot aan de Franse Revolutie over een volledige juridische en fiscale onafhankelijkheid en een eigen rechtssysteem. Op kerkelijk gebied ressorteerde Ronse tot 1559 onder het bisdom Kamerijk, nadien onder het aartsbisdom Mechelen en sinds 1801 onder het bisdom Gent.
Een tweede heerlijkheid op het grondgebied van Ronse was de vrijheerlijkheid of "De Vrijheid". Dit was het ca. 5 ha omheind gebied met het St.-Pieters-en-Hermesklooster als centrum, met de kapittelproost als wereldlijke heer en een eigen rechtsmacht.
Een derde kleine heerlijkheid, de "heerlijkheid en vrijheid van Landenbourg", tot de 17de eeuw "Audenbroeck" genoemd, vormde als leen van de heerlijkheid van Frasnes, een Henegouwse enclave in Vlaanderen.
Renaissance en ancien régime thumb|left|300px|Ronse rond 1641-1644 thumb|left|300px|Ronse rond 1777 op de Ferrariskaart In 1513 en 1553 werd Ronse getroffen door hevige stadsbranden maar de brand van 21 juli 1559 ruïneerde de stad volledig. Hierop krijgt Ronse gedurende twintig jaar een belastingvrijstelling van koning Filips II van Spanje. Tijdens de Beeldenstorm vluchtten de geestelijken en werd de Sint-Hermeskerk gesloten. In de periode tussen 1550 en 1580 was Ronse een belangrijk centrum van calvinisme in de Spaanse Nederlanden. Maar na de nederlaag van de protestanten tegen de hertog van Alva in de Zuidelijke Nederlanden vertrokken veel protestantse wevers naar Holland. Ook vertrok een groot deel van de sociale bovenklasse naar gelijkgezinde buurlanden, zoals Duitsland, Engeland en de Noordelijke Nederlanden.
Aan het begin van de 17e eeuw haalde Ronse voordeel uit de relatieve vreedzame periode onder Ferdinand en Isabella. Tijdens deze periode werd een van de grootste kastelen van de Nederlanden gebouwd voor Jan VIII van Nassau-Siegen, die sinds 1629 baron van Ronse was. Van 1680 tot 1700 werd Ronse een tijdlang aan Frankrijk gehecht, ondanks de tegenstand van de Spaanse koning.
Na de Franse Revolutie