De moerbeitoppen ruischten is een gedicht van Nicolaas Beets (1814-1903) dat in nagenoeg geen bloemlezing ontbreekt.
Beets schreef het toen hij al over de tachtig was. Het is opgenomen in zijn laatste dichtbundel, Dennenaalden (1900), met gedichten uit de jaren 1892 tot 1900. De ik in het gedicht wordt in de nacht door God toegesproken, waardoor "kwellende en ontstellende gedachten" verdreven worden. Hij slaapt in, en blij begroet hij de morgen die hem wekt, want hij weet God nog nabij.
De eerste regel van het gedicht is tussen citaattekens geplaatst. Geen letterlijk citaat, maar een verwijzing naar een tekst uit de Statenbijbel, (2 Samuel 5, 22-25 en 1 Kronieken 14, 14-17). Daarin wordt koning David aangevallen door de Filistijnen, maar op bevel van God moet hij wachten met de tegenaanval, totdat gij hoort het geruisch van een gang in de toppen der moerbeziënbomen.
Poëziekenner Gerrit Komrij vond het een vlekkeloos gedicht. De plechtstatigheid van het ‘ruisen’ en het ‘gaan’, de wisselwerking tussen ‘moerbei’ en ‘voorbij’ de alliteratie van ‘God’ en ‘ging’, de afwisseling van klanken, het metrum, de sterke cesuur, niets in deze eerste zes woorden lijkt toevallig. Niets is vervangbaar. (...) Waarom hadden bijvoorbeeld ook ‘God kwam voorbij’ of ‘God ging langs’ de werking volledig bedorven?
Tussen 1930-1950 voorzag Adriaan C. Schuurman (1904-1998) het gedicht van een melodie, waarbij hij drie verschillende zettingen schreef, onder andere met de cantus firmus in de tenor. Deze versie is gepubliceerd in de 12e druk van de bundel Oude en nieuwe zangen, ook wel bekend als de Bundel Van Woensel Kooy. Zie ook de beschrijving op de pagina van de Kerkliedwiki In 2004 voorzag Kerkmusicus Willem Vogel (1920-2010) het gedicht van een vierstemmige melodie. Organist Jan Schraal uit Julianadorp (Nederland) arrangeerde deze voor 4 mannenstemmen. https://youtu.be/dlqB32gKkwI?si=StMUb3cIOSghU45h
Categorie:Gedicht Categorie:Werk van Nicolaas Beets