De Union Army of het Grand Army of the Republic of het Federal Army of het Northern Army (Noordelijk leger) was het leger van de Verenigde Staten van Amerika tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861 – 1865). De kern van de Union Army bestond uit een beroepsleger, aangevuld met vrijwilligers en dienstplichtigen.
Statistieken Tijdens het conflict dienden 2.128.948 personen in het Union Army. 178.895 personen of 8,4% was van Afro-Amerikaanse origine. 25% van de manschappen had een immigrantenachtergrond.McPherson, pp.36–37. 596.670 soldaten sneuvelden, raakten gewond of werden als vermist opgegeven. Oorspronkelijk duurde de diensttijd drie maanden. Veel soldaten tekenden daarna bij voor een periode van nog eens drie jaar.
Oprichting van het leger thumb|Een afbeelding van een uniform van een soldaat uit het Union Army thumb|Rekruteringsposter voor het 1st New York Mounted Rifles Regiment Toen in april 1861 de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak, telde het U.S. Army tien regimenten infanterie, vier regimenten artillerie, twee cavalerieregimenten, twee dragonderregimenten en één regiment van bereden infanterie. Deze regimenten waren in alle uithoeken van het land verspreid. Van de 197 compagnieën die het U.S. Army telde, bezetten 179 compagnieën 79 buitenposten in het westen. De overige 18 bemanden garnizoenen ten oosten van de Mississippi langs de Canadese grens, waarvan er één aan de Amerikaanse oostkust gelegerd lag. Dit beroepsleger bestond uit 16.367 soldaten, onder wie 1108 officieren. Ongeveer 20% van deze officieren was afkomstig uit de Zuidelijke Staten en nam na het uitbreken van de oorlog ontslag om zich aan te sluiten bij het Confederate States Army. Zo'n tweehonderd afgestudeerden van de United States Military Academy keerden terug in actieve dienst na april 1861. Bekende namen zijn Ulysses S. Grant, William Tecumseh Sherman en Braxton Bragg. Ongeveer de helft zou dienst nemen bij het Union Army, de andere helft bij het Confederate States Army.Newell, p. 52.
Toen de Zuidelijke Staten zich afsplitsten van de Verenigde Staten van Amerika, riep president Abraham Lincoln vanwege de beperkte omvang van het beroepsleger 75.000 vrijwilligers onder de wapenen voor een tijdsduur van drie maanden. Daarmee hoopte hij de Zuidelijke opstand neer te slaan en Washington D.C. te beschermen tegen een vijandelijke aanval.
Deze oproep voerde de druk op de grensstaten op. Vier splitsten zich af en kozen de zijde van de Confederatie, die nu elf staten sterk was. De oorlog zou veel langer duren en op een veel grotere schaal plaatsvinden dan oorspronkelijk voorzien was, zowel door het Zuiden als door het Noorden. Op 22 juli 1861 keurde het Amerikaans Congres een wet goed om een vrijwilligersleger van 500.000 soldaten op te richten.
De eerste roep om vrijwilligers werd snel beantwoord door patriottische Noordelijken die uit de abolitionistische hoek kwamen en immigranten die over een goed inkomen beschikten. Meer dan 10.000 Duitse Amerikanen uit Pennsylvania en New York schreven zich onmiddellijk in. Ook Franse Amerikanen waren er snel bij. Toen de oorlog langer duurde, daalde het aantal vrijwilligers. Dienstplichtigen vormden een groeiend onderdeel van het Noordelijke leger. Ook namen naar schatting 100.000 mannen uit de Zuidelijke staten die sympathiseerden met het Noorden dienst in het Union Army.Crofts, Daniel W. CIVIL WAR SESQUICENTENNIAL: Unionism, digitalcommons.lsu.edu Tussen april 1861 en april 1865 dienden ten minste 2.128.948 personen in het Noordelijke leger, van wie het merendeel uit vrijwilligers bestond. Aan het begin van de oorlog waren er 824 gegradueerden van de United States Military Academy in actieve dienst. Hiervan namen er 296 ontslag of ze werden ontslagen. 184 van hen sloten zich aan bij het Confederate States Army. De verhouding van beroepsofficieren was 642 voor het Noorden en 283 voor het Zuiden.Hattaway & Jones, pp. 9–10Eicher, p. 46. Een van de officieren die ontslag nam, was kolonel Robert E. Lee, die oorspronkelijk het commando zou voeren bij het neerslaan van de Zuidelijke opstand. Lee was geen voorstander van de afscheuring van de Zuidelijke Staten, maar hij kon niet de wapens opnemen tegen zijn thuisstaat Virginia. Hij nam ontslag uit het U.S. Army en zou uiteindelijk bevelhebber worden van het Zuidelijke Army of Northern Virginia en zelfs opperbevelhebber van het Confederate States Army.
De Confederatie beschikte over verschillende militaire academies, zoals The Citadel en het Virginia Military Institute. Ze leverden minder officieren af dan de militaire academie van West Point. Reguliere soldaten hadden niet het recht ontslag te nemen. Zij moesten ofwel deserteren of wachten tot hun diensttijd erop zat voordat zij zich konden aansluiten bij het Confederate States Army. Over hun aantallen is niets bekend.
Organisatie thumb|Generaal George B. McClellan met zijn staf en hoogwaardigheidsbekleders, waaronder van links naar rechts: Gen. George W. Morell, Lt. Col. A.V. Colburn, Gen. McClellan, Lt. Col. N.B. Sweitzer, Prince de Joinville (zoon van koning Lodewijk Filips I van Frankrijk) en Graaf van Parijs (de neef van de prins (volledig rechts)
Commandostructuur De operaties te velde werden aangestuurd door de general-in-chief, maar Abraham Lincoln was als president de opperbevelhebber, terwijl de politieke verantwoordelijkheid werd gedragen door de Minister van Oorlog. In het begin van het conflict was dat Simon Cameron, vanaf januari 1862 Edwin Stanton. De functie van bevelhebber te velde werd door verschillende generaals uitgeoefend:United States Army Logistics, 1775–1992: An Anthology. (1997). United States: Center of Military History, U.S. Army. p. 194-195 Winfield Scott: 5 juli 1841 tot 1 november 1861 George B. McClellan: 1 november 1861 tot 11 maart 1862 Henry W. Halleck: 23 juli 1862 tot 9 maart 1864 Ulysses S. Grant: 9 maart 1864 tot 4 maart 1869
In de periode tussen 11 maart en 23 juli 1862 namen Lincoln en Stanton rechtstreeks de leiding. Ze werden bijgestaan door een officieus oorlogskabinet dat opgericht werd op 17 maart 1862 met Ethan A. Hitchcock als voorzitter. De leden waren de hoofden van de militaire departementen, waaronder Lorenzo Thomas (Adjutant General), Montgomery C. Meigs (kwartiermeester-generaal), Joseph G. Totten (Genie), James W. Ripley (Chief of Ordnance, munitie) en Joseph P. Taylor (verantwoordelijk voor de religieuze ondersteuners van de troepen).Eicher, pp. 37–38.
De Minister van Oorlog stond aan het hoofd van het United States Departement of War, dat bestond uit verschillende departementen. Bij het begin van de oorlog waren dat: adjutant general (HR-afdeling), inspector general (audit), paymaster-general (lonen), judge advocate general (rechtspraak), chief of engineers (genie), chief of topographical engineers (topografische dienst), quartermaster general (bevoorrading), commissary general of subsistence, chief of ordnance (munitie en wapens), and surgeon general (medische dienst).
Na het begin van het conflict werd de Provost Marshal General opgericht, die zich bezighield met rekrutering en onderzoeken naar desertie. Initieel maakte deze sinds de oprichting op 24 september 1862 deel uit van het departement van de adjutant general. In mei 1863 werd het een afzonderlijk departement onder leiding van James B. Fry.Eicher, p. 58 Het Signal Corps werd opgericht en gecontroleerd door Albert J. Myer.
Het grote nadeel van dit systeem was, dat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Minister van Oorlog en zijn assistenten en de bevelhebber te velde niet helder gedefinieerd waren. De inspanningen van de vier logistieke departmenten (Quartermaster, Subsistence, Ordnance & Medical) werden niet op elkaar afgestemd, met alle problemen van dien. Tijdens de oorlog werd dit niet verholpen door het officieuze oorlogskabinet; pas onder generaal Ulysses S. Grant werd er begin gemaakt met een algemene coördinatie.
Structuur van het leger Het Noordelijke leger bestond uit een reeks van onderverdelingen die grotendeels geografisch georganiseerd was.
Divisies, departmenten en districten Tijdens het conflict was een militair departement een organisatie die de inspanningen binnen een bepaald gebied beheerde en coördineerde. De naamgeving verwees dan ook naar herkenningspunten, bijvoorbeeld rivieren; voorbeelden zijn de Military Division of the Mississippi, Middle Military Division, Military Division of the James).
Een militair departement was een verzameling van verschillende divisies die verantwoordelijk was voor alle legers en militaire infrastructuur binnen hun toegewezen gebied. Soms werden ze vernoemd naar bezette Zuidelijke Staten, maar doorgaans kregen ze namen van rivieren. Voorbeelden zijn het Department of the Tennessee, Department of the Cumberland of (Department of the Pacific, Department of New England, Department of the East, Department of the West en Middle Department).
Deze indeling kon naargelang de behoefte tijdelijk onderverdeeld worden in kleinere regio’s.
Legers De legers te velde werden meestal toegewezen aan een district of departement. Een leger bestond uit één tot acht korpsen, gemiddeld drie.Eicher, p. 65-66
De grootste legers waren: Army of the Cumberland: onder leiding van William S. Rosecrans en George H. Thomas; voornamelijk actief in Tennessee en later ook in Georgia. Army of Georgia: onder leiding van Henry W. Slocum; dit leger nam deel aan Shermans Mars naar de Zee en de Carolina's-veldtocht. Army of the Gulf: onder leiding van Benjamin Butler, Nathaniel P. Banks en Edward Canby; opereerde in de regio die grensde aan de Golf van Mexico. Army of the James: onder leiding van Benjamin Butler en Edward Ord; in de periode 1864 – 1865 ingezet op het schiereiland van Virginia. Army of the Mississippi: in 1862 onder leiding van John Pope en William S. Rosecrans, in 1863 van John A. McClernand. dit tijdelijke leger werd ingezet langs de Mississippi. Army of the Ohio: onder leiding van Don Carlos Buell, Ambrose E. Burnside, John G. Foster en John M. Schofield; voornamelijk ingezet in Kentucky; later werd ook slag geleverd in Tennessee en Georgia. Army of the Potomac: onder leiding van George B. McClellan, Ambrose E. Burnside, Joseph Hooker en George G. Meade; dit hoofdleger nam het op tegen Robert E. Lees Army of Northern Virginia. Army of the Shenandoah: onder leiding van David Hunter, Philip Sheridan en Horatio G. Wright; ingezet in de Shenandoahvallei. Army of the Tennessee: onder leiding van Ulysses S. Grant, William T. Sherman, James B. McPherson en Oliver O. Howard; het bekendste leger aan het westelijk front, ingezet in Kentucky, Tennessee, Mississippi, Georgia en in Noord-Carolina en Zuid-Carolina. Army of Virginia: onder leiding van John Pope; ingezet tijdens de Veldtocht in noordelijk Virginia. Ieder leger werd doorgaans aangevoerd door een generaal-majoor. Normaal was de bevelhebber van het Departement of district tevens de aanvoerder van het veldleger. Uitzonderingen hierop waren er als legers bepaalde geografische grenzen overstaken. De bevelvoerende officier had verschillende aide-de-camps en een militaire staf tot zijn beschikking. De militaire staf bestond uit de vertegenwoordigers van de bevelhebbers van de cavalerie en artillerie (de infanterie werd altijd vertegenwoordigd door de bevelvoerende officier zelf) en de verschillende ondersteunende stafofficieren.Eicher, p. 40 Die ondersteunende stafofficieren hadden de rang van kolonel en waren de vertegenwoordigers van de verschillende ondersteunende diensten, zoals kwartiermeesters.newell & shrader, p. 71 De aantallen soldaten en officieren die deel uitmaakten van het hoofdkwartier van een leger konden sterk uiteenlopen. Het hoofdkwartier van generaal-majoor George Meade tijdens de Slag bij Gettysburg telde niet minder dan 3.486 personen.Griffith, P. (2001). Battle Tactics of the Civil War. United Kingdom: Yale University Press. p. 55
Tactische organisatie