Jonker Harmen (ook: Herman) Sickinghe (ca. 1540 - vóór 1606) was een Nederlands politicus, lid der Staten-Generaal, tresorier-generaal en speciaal gedeputeerde voor de Groningse Ommelanden. Hij was hoofdeling te Oldehove, Uithuizen, Uithuizermeeden en Zuidwolde. Hij was heer van slot Holwinda en borg Beyum. Sickinghe kende een bewogen (politiek) bestaan tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Zo werd hij in 1577 samen met zijn broer Feijo Sickinghe als Ommelander edelman door de stad Groningen gevangen genomen en vastgezet.

Sickinghe was betovergrootvader van de hertog van Ripperda en Grande der eerste klasse, baron Johan Willem Ripperda en oudvader van Ludolph Luirdt baron Ripperda, Spaans ambassadeur te Wenen en Juan María Vicencio, Baron de Ripperdá, brigadegeneraal en gouverneur van Spaans Texas en Honduras.

Afkomst Sickinghe stamde uit uit het oud adellijke regentengeslacht Sickinghe. Hij was een zoon van de Groningse burgemeester dr. Johan Sickinghe (1495–1572) en Anna Gysens (Chiesens). Hij werd vernoemd naar zijn grootvader van moederskant, Harmen Gysens.

Harmen had twee broers: Peter Sickinghe (†1578), die drost van Harlingen en grietman van Barradeel was, en Feijo Sickinghe (1546–1579), een Ommelander heer.

Zijn grootvader was de bekende staatsman, ridder en burgemeester van Groningen Peter Sickinghe (1455–1532). Daarnaast was Harmen de oom van de Noord-Groningse landedelman en jonker Johan Sickinghe (1576–1652).

Huwelijk en kinderen miniatuur|Ingemetseld gipsafgietsel van een wapenschild uit 1644 van (Ludolf) Heerma en (Bele) Sickinghe (die toen de borg Holwinde bewoonden) in de apsis van de kerk van Usquert miniatuur|De titelpagina van de toespraak van Johan Sickinghe (1602-1624), zoon van Harmen, bij zijn afscheid van de Latijnse school in 1619 Sickinghe trouwde rond 1567 met Wobbe Lewe tot Peise (1540). Zij stamde uit het adellijke geslacht Lewe tot Peise en was een dochter van Joost Wigbolts Lewe (1515-1589).

Zijn tweede huwelijk was met Beele Clant. Zij stamde uit het hoofdelingengeslacht Clant en was een dochter van de burgemeester van Groningen Johan Clant. Samen met Beele kreeg hij vier kinderen, te weten:

Wobbe (Bele) Sickinghe (1595-1674), trouwde met Ludolf Heerma, heer van Holwierde. Samen kregen zij een dochter, Ave Isabella Heerma (geb. 1615). Deze Ave Isabella trouwde met Wigbolt Ripperda (geb.1613), heer te Winsum. Samen kregen zij een zoon: Ludolph Luirdt Ripperda (±1648-1721). Deze Ludolph was de vader van de hertog van Ripperda en Grande der eerste klasse, baron Johan Willem Ripperda (1682-1737); Groninger jonker, ambassadeur en later eerste minister van Spanje. Bele was daarmee overgrootmoeder van laatstgenoemde en betovergrootmoeder van Johans zoons, Ludolph Luirdt baron Ripperda (1707-1739); Spaans ambassadeur in Wenen en Juan María Vicencio, Baron de Ripperdá (1725-1780); brigadegeneraal en later gouverneur van Spaans Texas en Honduras. Johan Sickinghe (1602-1624), heer van Uithuizermeeden en Beijum, eigenaar van de dijkrechten te Humsterland. Hij was getrouwd met Cathérine Henriquez (ex. Gallia). Johan studeerde aan de Groningse Universiteit en hield in 1619 op 17-jarige leeftijd een toespraak bij zijn afscheid van de Latijnse school. De toespraak had als titel: “Schooltoespraak waarin wordt aangetoond hoe groot de kracht van opvoeding en onderwijs is, zowel ten goede als ten kwade, en hoeveel dank we verschuldigd zijn aan de betrouwbare architecten van het karakter en de studie.” Anne/Anna Sickinghe (†1643), schoonmoeder van de Groningse legeraanvoerder Rembt ten Ham, trouwde in 1619 met Christoffer Van Ewsum Raschweert (†1644). Hij stamde uit de adellijke familie Van Ewsum en was een achterkleinkind van Wigbold van Ewsum (ca. 1470–1528) en Beetke van Rasquert (†1554). Harmentje Sickinghe (†1648), trouwde met Haje Nanninga (†1652), heer van borg Dijksterhuis

Bezittingen miniatuur|Slot Holwinde met het wapen van Sickinghe (ook boven de hoofdingang getekend) en Herema In 1591 ruilde Sickinghe en zijn vrouw land te Oldehove tegen land te Wehe; het laatste grensde in het zuiden aan 'Dr. Sickinghe erfgenamen'. In 1578 kocht hij land en rechten te Uithuizermeeden, op 21 maart 1592 land te Uithuizen.Groninger Archieven, toegang 1032 (Verzameling afschriften en reproducties, 1360 - 1942), 722: Verzegeling, waarbij Cornelis Boelsen en echtgenoot verkopen aan Harmen Sickinga en Wibbe Leeuwen ehelieden 3¼ grazen land gelegen onder Uithuizen, 1592 maart 21.

Na het overlijden van zijn broer Pieter Sickinghe in 1578, kwam borg Beyum in zijn bezit. De borg ging na het overlijden van Harmen over op zijn zoon Johan en dienst vrouw Cathérine Henriquez.

In 1599 verwierf hij samen met zijn neefje Johan een recht op Zuidwolde. In 1606 trad deze Johan, samen met burgemeester Clant en Geert Clant, op als voogd van de minderjarige kinderen van Harmen. In 1618 volgde de boedelscheiding. Harmen Sickinghe kreeg uit de erfenis van zijn ouders de door zijn moeder in 1571 verworven borg Ulgersma te Uithuizermeeden.

Sickinghe kocht op 22 april 1601 het slot Holwinde. Na zijn dood ging de heerd bij de boedelscheiding over op zijn zoon Johan. Deze schonk de heerlijkheid en haar rechten aan zijn zus Bele. Zij trouwde met Ludolph Herema en woonde met hem op Holwinde.

Positie Aan de Ommelander kant In tegenstelling tot hun vader waren Harmen en zijn broer Feijo groot voorstander van de politiek van de Ommelanden tegen de stad Groningen. Als Ommelander heer was Harmen betrokken bij verschillende aangelegenheden in de regio. Hij maakte snel carrière als lokaal politicus.

De eerste melding van Harmen is in 1561. Op 6 oktober van dat jaar verklaren de pastoors te Hummers, ingevolge opdracht van Stadhouder en Hoofdmannen, Rempt Jensema, Harmen Sickinghe, Renier Fritema en Lubbo Tyaersema te hebben gekozen om met de drie dijkrechters het dijkrecht na te zien en te verbeteren.Groninger Archieven, toegang 713 (Dijkrecht van Humsterland, 1564 - 1863), Regest 14, 1561 oktober 6: Sitetus Ybema, pastoor van Oldehoeve, Henricus van Drolshagen, pastoor van Nijehoeve en Cornelius Everardi, pastoor van Zaexum, tezamen als de pastoors in Hummers, verklaren ..

In 1563 komt hij voor nabij Oldehove. Hier behoorde hij tot een van de gecommitteerden die in 1563 het dijkrecht van Humsterland 'gecorrigeerd' hebben. Tot zeker 1572 heette hij Harmen Sickinghe 'tot Oldehove'. Zoals vermeld bevond Sickinghe zich in eerste instantie aan de Ommelander kant. Zo was hij in 1572 lid van een Ommelander gezantschap naar Brussel en behoorde hij in 1576 behoorde tot een Ommelander commissie die verband hield met de heffing van de vijfde penning van huren en renten in Stad en Lande, ter afbetaling van het Spaanse krijgsvolk.

Sickinghe was ten minste in 1588 kerkvoogd van De Marne en daarmee ook van Warffum, de plaats waar de Warffumborg van zijn vader stond. In deze functie kreeg hij op 7 april 1588 een volmacht van de eigenerfden van Warffumer en Breeder uiterdijk om samen met Johan Apherdianus, commandeur van Warffum en Thomas Groningensis, pastoor van Warffum, met de landmeter Gerryt Hopper tot een overeenkomst te komen over zijn salaris voor het opmeten van landen van eerstgenoemden.Groninger Archieven, toegang 318 (Hervormde gemeente Warffum (1), 1474 - 1855, 30: Volmacht van de eigenerfden van Warffumer en Breeder uiterdijk voor Johannes Apherdianus, commandeur van Warffum, en Thomas Groningensis en Harmen Sickinge .. , 1588 apr. 7

Als Ommelander gevangene van de stad Groningen Op 28 oktober 1577 ontvingen de staten der Ommelanden een acte, ondertekend door de stadhouder George van Lalaing en de hoofdmannen der stad Groningen. De akte was voorzien van een zegel van de Koning en gold als vrijgeleide om als zodanig bijeen te komen op de landdag te Groningen in het Minderbroedersklooster. Het klooster was de vaste plaats voor bijeenkomsten en landdagen van de Ommelanden. Diezelfde middag verschenen de Ommelander heren, waaronder Harmen en zijn broer Feijo, niet op de geplande bijeenkomst. De gilden van de stad hadden in de namiddag hun poorten op slot gedaan. Hierdoor waren de Ommelander edelen niet in staat zich richting het klooster te bewegen. De stad had haar kans schoon gezien. Niet eerder had zij zoveel Ommelander heren in haar midden gehad en dus besloten zij hen nu op te pakken en te dwingen tot onderwerping. 8 uur na de geplande bijeenkomt op het klooster zond de stadhouder zijn secretaris Jan Hiddinga, vergezeld door de secretaris van de stad Julsing, naar de landdag en liet doorgeven dat het landschap op de raadkamer in de Stad werd verwacht. Het landschap, ontdaan door de vijandige opsluiting van haar edelen, weigerde te verschijnen. Men wilde niet de schijn wekken dat het verbond tussen de Stad en de Ommelanden nog bestond. Aangezien de gevangenneming gepland moest zijn sloten ook zij hun poorten.

Het verhaal ging dat een burgemeester in de ochtend zou hebben gezegd dat hij niet wilde eten en drinken voordat de gedeputeerden gevangen genomen waren. Enige tijd naar de gevangenneming zei een raadsheer van de stad Groningen dat hij zo blij was dat de gedeputeerden gevangen waren genomen, dat hij haast was vreugde was opgesprongen.

Harmen en Feijo Sickinghe werden samen met enkele andere gedeputeerden vastgezet in de het ouderlijk huis van de Sickinghes. Niemand had toestemming om hen te zien of bezoeken. Ook geen eigen bedienden of echtgenoten. Zij werden geacht zelf de tafel te dekken en zichzelf te bedienen. De bewakers stonden zo dichtbij dat het hen onmogelijk was vrijuit te spreken met huisgenoten. Ook werd het hen verboden in het Frans of Latijn te converseren. Daar bovenop moesten zij de bewakers (schildwachten) vaak zelf voorzien van bier, geld, turf en kaarsen. De gevangen prelaten werden in sloten en ketenen door de stad gevoerd en moesten over de markt door de dikste mesthopen lopen. miniatuur|350x350px|De stad Groningen rond 1575

Na de gevangenneming van de Ommelander heren, protesteerden de Staten der Ommelanden direct bij het Hof tegen het geleden geweld en alle beledigingen. De Generale Staten zonden op 2 januari 1578 Filips van Marnix van Sint-Aldegonde en Dr. Nicasius de Sille naar Groningen met de opdracht de gevangenen vrij te laten. Diezelfde avond werden zij binnengelaten en mochten zij spreken met de gevangengenomen heren. De heren bedankten hen voor het bemiddelen.

De stad stelde een lijst op met de volgende beschuldigingen:

De gevangengenomen heren zouden het verbond met de stad hebben opgezegd en nu vreesde de stad voor geweld en wraakneming. De gevangengenomen heren zouden Delfzijl hebben opgezet tegen de Stad. Zo zouden zij de hopman Hans van Meppen met Duitse soldaten hebben aangenomen en beëdigd ten dienste van de Ommelanden. De heren zouden geschut dat voor de Stad bestemd was onderschept hebben. Zij zouden zendbrieven rond hebben laten gaan en landdagen en deputaten-vergaderingen hebben uitschreven. Dat de landsyndicus de jongste landdag, in strijd met het gebruik, had opgeroepen om in het Minrebroerklooster bijeen te komen. En dat de gedeputeerde heren dat bij een eerdere landdag ook gedaan hadden. Dat de gevangen heren aan anderen in de Ommelanden een nieuwe ongebruikelijke eed hadden doen zweren en een samenzwering ten nadele van de stadsprivilegiën op touw hadden gezet. Dat een van de gevangenen gezegd zou hebben dat hij wenste dat de Stad een waterpoel was en dat de gevangenen zich hadden bewapend en de Ommelanden tegen de stad in geweer hadden gebracht.

De gevangengenomen heren antwoordde het volgende:

De opzegging van het verbond was geschied ten tijde van de stadhouder Bilij, waarop de stadhouder had volstaan te bepalen, dat de Ommelanden tegen de stad zouden mogen werven.