miniatuur|N.H. Nierstrasz (1834-1917) Nicolaas Hendrik Nierstrasz (Gorinchem, 31 december 1834 – Hilversum, 28 januari 1917) was een Nederlands waterbouwkundige en spoorwegingenieur.
Levensloop Hij was de zoon van Cornelis Johannes Nierstrasz en Johanna de Jong. Zijn vader was rechter in Gorinchem, maar die stierf kort na zijn geboorte. Zijn moeder verloor hij op 14-jarige leeftijd. Na geplaatst te zijn op de zogenaamde „Fransche school" (kostschool in Gorinchem) van D. van 't Sant, die in het bijzonder opleidde voor Breda (leger) en Medemblik (marine), deed hij in 1850 hij het vergelijkend examen als cadet der genie aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda, waar dat jaar voor het eerst, behalve de cadetten voor alle wapenen van het leger in Nederland en in Nederlands-Indië, ook de adelborsten van de Koninklijke Marine zouden worden opgeleid. In zijn gedenkschrift herdenkt Nierstrasz dankbaar het onderwijs dat hij daar genoot van mannen als Delprat (mechanica), Badon Ghyben (wiskunde en grondwaterstroming) en Van der Hoeven (militaire en burgerlijke bouwkunde). Hij knoopte daar kameraadschappelijke vriendschapsbanden aan met mannen die hij in zijn latere leven terugzag als opper- of vlagofficieren, of nadat zij net als hij een burgerlijke werkkring hadden gezocht en gevonden.
Hij trouwde op 14 november 1861 in Brielle met de zes jaar jongere Caroline Henriëtte Geertruide Hein uit Brielle. Hij was toen eerste luitenant bij de Genie.
Militaire carrière In 1854 werd hij benoemd tot tweede luitenant bij het corps ingenieurs, mineurs en sappeurs te Utrecht. In het volgende jaar werd hij overgeplaatst bij de genie te Hellevoetsluis, alwaar hij onder andere een kruitmagazijn, het aardwerk voor een kustbatterij en een beweegbare brug aan de Brielsche poort (een hefrolbrug) ontwierp en uitvoerde, en belast was met opname. Voor de praktijk van het civiel ingenieursvak was deze werkkring een uitmuntende voorbereiding. Intussen begon hij ernstig te lijden aan de "Zeeuwsche koorts" (malaria). In 1856 bevorderd tot eerste luitenant werd hij in 1859 wegens gezondheidsredenen op zijn verzoek overgeplaatst naar Nijmegen. De wijze van de landsverdediging bracht in die dagen de gemoederen in beweging. Elke stad in Nederland van enige omvang werd als een versterkt punt beschouwd. In de revolutionaire geschriften van ir. Thomas Joannes Stieltjes sr (een oud genie-officier) en van generaal Willem Jan Knoop werd echter de sloop bepleit van alle onnodige versterkingen, die slechts leidden tot versnippering van de strijdkrachten. Deze strategieën van de nieuwe tijd betoogden dat naast een paar echt noodzakelijke sterke punten het vooral belangrijk was om een krachtig veldleger te hebben. Nijmegen behoorde tot de oudste (en zeer verouderde) vestingen. De Nijmegenaars waren vol geestdrift voor de moderne verdedigingsbegrippen en hoopten dat hun stad als vesting gesloopt zou worden. De minister van Oorlog vond dat de vesting Nijmegen verbeterd moest worden, dus behouden moest blijven en hij benoemde een commissie die over de noodzakelijke verbeteringswerken zou adviseren. De commissie had als voorzitter de kolonel der genie Jacob Johan van Kerkwijk. Leden waren: de majoor van de generale staf Hendrik Johannes Enderlein, de luitenant-kolonel der genie te Nijmegen Willem Steven van der Hart-Beek en Nierstrasz, die bovendien belast werd met de projecten voor de uitvoering van wat de commissie nodig zou vinden. Van hogerhand was de commissie tot grote spoed aangezet, alsof de vijand reeds aan de grenzen stond. Binnen de onmogelijk korte tijd van veertien dagen was het rapport van de commissie voor de minister klaar. Heel bijzonder was dat de door de commissie ontworpen werken al in 1861 en 1862 tot uitvoering kwamen. Maar ze werden binnen tien jaar allemaal alweer gesloopt, omdat zij niet pasten in het volgens geheel nieuwe beginselen aangenomen stelsel van landsverdediging. Maar voor Nierstrasz zelf was de inspanning en het werk onder leiding van iemand als de overste Van der Hart Beek, die de naam had een van de beste toenmalige genieofficieren te zijn, een uitmuntende leerschool in de praktijk van de ingenieur. „Aan hem heb ik te danken” volgens Nierstrasz op zijn tachtigste verjaardag, „wat een jong ingenieur het meest nodig heeft: de kunst om te werken. Op de Academie had ik wel studeren geleerd, maar deze chef leerde mij werken in de zin van voortbrengen, het werken door gebruik te maken van de kennis der dingen, logisch toegepast op het gebruik in het leven."
Werk in de Waterbouw miniatuur|De Hezelpoort in Nijmegen In de winter van 1860-1861 werd Nederland geteisterd door overstromingen. Maas en Waal traden buiten hun oevers; breuken in de dijken van de Bommelerwaard joegen het water over het land tot de zuider-Waaldijk en de noorder-Maasdijk. In februari 1861 werd Nierstrasz belast met het tegengaan van het Waalwater in het gedeelte van de vestingwerken van Nijmegen, dat onder andere de polder van Nijmegen beschermde. De Waalkade in Nijmegen was, zoals bij sterke verhoging van de Waal altijd gebeurde, ter bescherming van de laaggelegen delen van de benedenstad van gemeentewege van een stevige kistdam voorzien en voor alle eventualiteiten had Nierstrasz in de Hezelpoort, die bij doorbraak van die kistdam als inlaagdijk moest fungeren, tot op manshoogte een kistdam aangebracht en de nodige materialen voor eventuele verhoging aangevoerd. Omdat er verder geen gevaar dreigde, was hij in avondkleding naar het casinobal gegaan, waar een bode hem kwam waarschuwen dat de wind was opgestoken en het water snel steeg. Hij ging onmiddellijk naar de kistdam in de Hezelpoort en leidde daar de werkzaamheden ter verhoging van de kistdam, toen een slag als van een kanonschot het doorbreken van de kistdam van de gemeente op 250 m afstand aankondigde, en het inundatiewater met grote kracht zich over de kistdam in de Hezelpoort stortte en de vestinggracht in liep (het water liep daardoor dus de stad uit). Na een paar uur trad een plotselinge verlaging in de waterstand van de Waal op, als gevolg van de grote doorbraak te Beneden-Leeuwen, die het land van Maas en Waal inundeerde en veel schade veroorzaakte, maar op andere plaatsen ontlasting gaf.
De doorbraken en overstromingen in het Land van Maas en Waal in die winter leidden tot een algemeen beroep op de weldadigheidszin van het Nederlandse volk. Het was een van de eerste publieksacties bij rampen. Op allerlei wijze en in allerlei vormen werden verenigingen opgericht ter ondersteuning van de slachtoffers. In het Nijmeegse garnizoen werd een toneelvereniging opgericht, die met steun van beroepsactrices van vaste toneelgezelschappen een liefdadigheidsvoorstelling gaf, waarbij Nierstrasz de hoofdrol vervulde in Don Cesar de Bazan (een komische opera van Jules Massenet).
Spoorwegen Na 1848 was een algemene beweging ontstaan om te komen tot uitbreiding van het spoorwegnet, dat in vergelijking met andere landen ver achterliep. Het kabinet-Rochussen diende in 1860 een wetsvoorstel in inzake de aanleg en exploitatie van de Noorder- en Zuiderspoorweg. Dit werd door de Eerste Kamer verworpen, waarna het kabinet viel. Het kabinet werd opgevolgd door het kabinet-Van Hall-Van Heemstra, dat er wel in slaagde een Spoorwegwet tot stand te brengen. Er kwam daardoor spoorwegaanleg van staatswege, terwijl de wijze van exploitatie later bij wet zou worden geregeld.
Voor de uitvoering van deze wet werd een commissie ingesteld van drie leden, onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken, belast met de voorbereiding, leiding en uitvoering van en het toezicht op de aan te leggen werken. Voorzitter was de inspecteur-generaal van de Waterstaat L.J.A. van der Kun. Kort daarop werden drie ingenieurs van de Waterstaat benoemd (J.G.W. Fijnje, J.A.A. Waldorp en J.L. Schneitter (die echter spoedig overleed) benoemd tot ingenieurs in algemene dienst. Feitelijk werkten zij als adviseurs van de commissie. Enkele civiel ingenieurs van de Academie te Delft en een paar ingenieurs en oud-genieofficieren, die zich reeds met spoorwegbouw hadden beziggehouden, werden aangesteld, zodat reeds in 1860, overeenkomstig de bepalingen van de Spoorwegwet, op veel punten met de werkzaamheden kon worden begonnen. Toch bleek het aantal beschikbare ingenieurs niet voldoende.
Op grond van een zeer beslist advies van Fijnje en Waldorp werd besloten te werven onder actief dienende genieofficieren in het Nederlandse leger, die reeds enige ervaring hadden met min of meer grote werken. Men besloot geen ingenieurs uit het buitenland te werven. Op verzoek van de commissie werden daarop door de minister van Oorlog Jhr. De Casembroot, genie kapitein A.G. van Prehn, luitenant J.J. Kalff en Nierstrasz als sectie-ingenieurs ter beschikking van de spoorwegen gesteld en belast met de aanleg van spoorwegwerken en bruggen bij Amsterdam, Zutphen en Venlo.
Venlo miniatuur|Bouw van de spoorbrug bij Venlo rond 1865 Nierstrasz ontving uit dien hoofde het bevel zich op 1 juni 1861 aan te melden bij de eerstaanwezend (militaire) ingenieur te Venlo. Hij bleef in werkelijke dienst bij zijn wapen (bij de genie). Zijn promotietraject bleef ook doorgaan. Maar hij kreeg de speciale opdracht voor de werken aan de spoorweg (met brug over de Maas) bij Venlo onder leiding van de spoorwegcommissie en de daarbij betrokken vestingwerken onder de bevel van de inspecteur in de tweede inspectie der genie, kolonel Mekern. Nierstrasz kreeg de uitvoering van de derde sectie (27 km lang) van de lijn Maastricht—Venlo, die in het geheel 70 km lang was. Hij diende daarbij onder ir. Johan Arthur Kool, eveneens een oud-genieofficier en voormalig hoofdingenieur van de spoorlijn Aken-Maastricht en de spoorlijn Hasselt-Maastricht (met de daarin gelegen spoorbrug over de Maas bij Maastricht).
De kennis van een jong genieofficier over spoorwegbouw was alleen theoretisch, in Breda waren ze allen geschoold in het weinige dat in het boek Waterbouwkunde van Storm Buysing en Baud daarover geschreven is. Wel verschenen er in die tijd wat artikelen over bruggenbouw in het Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (dit is niet het weekblad De Ingenieur). Het kostte Nierstrasz nogal wat moeite om zijn gebrek aan theoretische kennis van het vak van spoorwegbouw aan te vullen, omdat hij hier geen ervaring mee had. Het werk in het terrein viel hem makkelijker. Zijn verblijf te Nijmegen onder luitenant-kolonel Van der Hart-Beek had hem een training gegeven in de studie en het opnemen van geaccidenteerde terreinen. Dat kwam hem hier goed van pas toen hij een tracé voor de spoorweg moest bepalen. Dit tracé moest voldoen aan de volgende eisen:
De spoorlijn moest de Maas haaks kruisen, onder schootsveld van het fort Sint Michel. De lijn moest vanuit die richting overgaan: westwaarts naar Roermond, oostwaarts in de richting van de Pruisische grens bij Kaldenkirchen en noordwaarts naar Geldern-Wesel. Aan de westkant van Venlo moest een groot station komen dat ook als grenskantoor voor de douane kan dienen. (Uiteindelijk kwam dit aan de zuidoostkant van de stad.) Vanuit de vesting Venlo moet de gehele lijn in het schootsveld liggen. De brug moest langs de wegen aan beide oevers met gemakkelijke toegangen uit Venlo en het tegenoverliggende dorp Blerick toegankelijk zijn. De onderkant van de ijzeren brug moet op ongeveer AP +21m komen te liggen (de gemiddelde waterstand op de Maas is AP +9.90 m) en de rails op AP +22 m (AP=Amsterdams Peil). De spoorweg moest op alle punten door het geschut van de vesting bestreken worden; en daar waar hij het vuur van achterliggende vestingwerken belemmerde, moest hij voorzien worden van bruggen met doorzichtopeningen in de pijlers.
miniatuur|Station Venlo miniatuur|uitsnede topografische kaart rond Venlo, ca 1880