Werner Stertzenbach (, 4 april 1909 – , 10 juli 2003) was een Duitse communist, journalist en verzetsstrijder. In 1933 vluchtte Stertzenbach vanuit nazi-Duitsland naar Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij het verzet en hielp hij bij de ontsnapping van ongeveer twintig mensen uit Kamp Westerbork.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 keerde hij terug naar zijn geboorteland. In West-Duitsland werkte hij voor verschillende linkse kranten en weekbladen. Hij was hoofdredacteur van de en . In zijn journalistieke werk richtte hij zich voornamelijk op onderwerpen als verzet en vervolging. Daarnaast zette hij zich bij de VVN-BdA actief in voor de rechten en belangen van de vervolgden van het naziregime.
Voor zijn verzet tegen het nationaalsocialisme kreeg hij in 1994 de Johanna-Kirchner-Medaille.
Jeugd en opleiding Stertzenbach werd geboren op 4 april 1909 in als zoon van de zelfstandige huisschilder en . Hij had een drie jaar oudere broer genaamd Herbert. Het liberaal-joodse gezin woonde aanvankelijk in Oberhausen en verhuisde later naar Essen. In zijn jeugd bezocht Stertzenbach de en de . Daarnaast was hij lid van de joodse jeugdbeweging .
In 1923 behaalde Stertzenbach zijn diploma van de middelbare school . Zijn vader wilde hem een vervolgopleiding aan het gymnasium laten volgen, maar zijn ouders hadden niet de financiële middelen om hem dat te laten doen. Zijn broer werd net als hun vader schilder, maar Stertzenbach wilde zich meer richten op het bedrijfsleven. Om die reden begon hij aan een handelsopleiding en werkte daarna als boekhouder.
Naar eigen zeggen begon hij zich in deze periode te ontwikkelen als antiklerikaal en antireligieus. In 1928 liet hij zich uitschrijven als lid van de Joodse gemeente. Hij werd actief in verschillende links georiënteerde organisaties, zoals de (VdAFD), de en de . In 1929 trad hij toe tot de (KPD) en kwam daarmee voor het eerst in het vizier van de Duitse autoriteiten.
Vlucht naar Nederland Na de Rijksdagbrand in februari 1933 ging de (SA), de beschermingsdienst van Hitler, over tot massale en willekeurige arrestaties van communisten en andere tegenstanders van de nazi's. Stertzenbach stond op een zwarte lijst van de SA en werd op 3 maart 1933 gearresteerd op verdenking van communistische activiteiten. Hij werd zonder gerechtelijke uitspraak gevangen gezet – de zogeheten – in Kleef. Zijn vader zette zich in om hem vrij te krijgen. Dankzij zijn werk als huisschilder kende hij veel mensen, onder meer bij de politie. Tijdens gesprekken met de autoriteiten droeg zijn vader zijn IJzeren Kruis uit de Eerste Wereldoorlog als bewijs van goed Duits vaderlandschap. Dankzij zijn invloed lieten de autoriteiten Stertzenbach na zes maanden vrij, waardoor hij werd behoed voor transport naar .
Volgens Stertzenbach gaf een kennis die lid was van de SA hem na zijn vrijlating het advies om het land zo snel mogelijk te verlaten, met de waarschuwing dat een volgende arrestatie permanent zou zijn. In oktober 1933 stak hij te voet de grens over en vluchtte hij naar Amsterdam waar hij Stella Pach trof. Hij werd in het gezin Pach vriendelijk ontvangen en haar ouders boden hem tijdelijk onderdak. De twee ontmoetten elkaar in 1928 tijdens een Internationaal Esperanto-congres en onderhielden sindsdien contact.
Stertzenbach meldde zich bij de Internationale Rode Hulp, een hulporganisatie die ondersteuning bood aan naar Nederland uitgeweken communistische vluchtelingen. Friedl Baruch adviseerde hem daar om contact op te nemen met het Comité voor Joodse vluchtelingen (CJV), omdat hij als joods vluchteling een grotere kans had om toegelaten te worden in Nederland dan als politiek vluchteling. Daarbij beschikte het CJV over meer financiële middelen. Kort daarna vond hij werk bij het CJV in het opvangcentrum aan het 's-Gravenhekje in Amsterdam. Volgens een rapport van de Centrale Inlichtingendienst woonde hij tot maart 1934 aan de Sarphatistraat.
Werkdorp Wieringermeer miniatuur|Hoofdgebouw van het Joodse Werkdorp Nieuwesluis (1936) Stertzenbach maakte in maart 1934 deel uit van de eerste groep die werd opgeleid in het Joodse Werkdorp Nieuwesluis. De Stichting Joodse Arbeid beheerde het werkdorp, dat als doel had gevluchte jonge Duitse joden in veiligheid te brengen. Het werkdorp bood een tweejarige opleiding aan voor praktische beroepen als boer, bouwvakker en meubelmaker. De bedoeling was dat de leerlingen na het afronden van de opleiding emigreerden, bijvoorbeeld naar Palestina.
In het werkdorp volgde Stertzenbach opleidingen tot metselaar en betonwerker. Volgens hem paste dit het beste bij hem, aangezien hij gezond en krachtig was, en zijn vader in zijn beroep ook veel te maken had gehad met de bouw. Samen met andere bewoners bouwde Stertzenbach de funderingen voor achttien woonbarakken en hielp hij mee aan de aanleg van de straten en het hoofdgebouw. De halfronde, gemetselde boog boven de deur van de ingang van het hoofdgebouw was zijn meesterproef aan het einde van de opleiding.
Stertzenbach droeg naast het volgen van een opleiding bij aan de werkdorpkrant . Hij uitte samen met een groep communisten en socialisten kritiek op de organisatie en de religieuze regels van het werkdorp. Stertzenbach kon zich niet vinden in het zionistisch gedachtegoed en had onder meer kritiek op de strikte naleving van de spijswetten. Nadat de kritiek werd gepubliceerd in de werkdorpkrant werd deze verboden. De organisatie van het werkdorp hanteerde een politiek neutrale aanpak, waarbij politieke actie niet was toegestaan. De leidinggevenden verboden het gebruik van een muurkrant als alternatief. Nadat hij tijdens een bonte avond opnieuw kritiek had geuit, besloten de leidinggevenden dat hij het werkdorp moest verlaten.
Uitzetting en illegaliteit Op 1 april 1936 werd hij ingeschreven als inwoner van Amsterdam en betrok een woning aan de Rijnstraat. Hij kreeg de mogelijkheid om naar Paraguay te emigreren en ontving hiervoor een doorreisvisum en een ticket voor de overtocht. Stertzenbach wilde dit echter niet, vanwege de militaire conflicten in het land. Omdat hij niet naar zijn geboorteland kon terugkeren, overwoog hij te emigreren naar de Joodse enclave Birobidzjan in de Sovjet-Unie. Hij volgde lessen Jiddisch, maar kreeg van de autoriteiten geen inreisvisum.
In augustus 1936 zetten de Nederlandse autoriteiten hem illegaal uit naar het Belgische Luik. Stertzenbach gaf in een naoorlogs interview aan dat hij in België niemand kende, en daarom met de trein terugkeerde naar Nederland. Na zijn terugkomst verbleef hij illegaal in Rotterdam, waar een aantal havenarbeiders hem hielpen door hem van eten te voorzien. Hij wendde zich opnieuw tot de Internationale Rode Hulp en de organisatie hielp hem bij het vinden van onderdak.
In mei 1937 arresteerde de Nederlandse politie hem bij een toevallige fietscontrole en brachten ze hem onder in het huis van bewaring te Rotterdam als ongewenste vreemdeling. Socialistische, communistische en pacifistische groepen protesteerden in deze periode tegen de uitwijzing van Duitse vluchtelingen, waarna de autoriteiten besloten Stertzenbach niet terug naar Duitsland te sturen. In plaats daarvan brachten ze hem in 1938 over naar de strafkazerne van het Korps Politietroepen in Nieuwersluis. Hier zaten tevens andere Duitse gevangenen, onder wie communisten, deserteurs en Duitse joden. In mei van datzelfde jaar verklaarde de Duitse overheid hem stateloos op grond van een wet uit 1933 die de intrekking van het Duitse staatsburgerschap regelde. De Duitse overheid kon dit doen bij personen die zich in het buitenland bevonden of van wie men vond dat hun gedrag in strijd was met 'de loyaliteitsplicht jegens het Reich en het volk'.
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland boden Stertzenbach en enkele medegevangenen aan mee te vechten tegen de Duitse bezetter, maar vanwege het Haagse Landoorlogreglement werd het burgers niet toegestaan deel te nemen aan de gewapende strijd. Samen met zijn medegevangenen zou hij vervolgens naar Amsterdam worden geëvacueerd, maar kort daarna werden zij uitgeleverd aan de bezetter. Hierna werd Stertzenbach naar de gevangenis in Kleef overgebracht en vervolgens naar de gevangenis in Essen.
Tweede Wereldoorlog Doordat Stertzenbach stateloos was, kon hij niet in nazi-Duitsland berecht worden, wat hem behoedde voor deportatie naar . Hij werd vervolgens terug naar Nederland gebracht en in februari 1941 geïnterneerd in het Scholtenhuis in Groningen. In maart 1941 werd hij overgebracht naar Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork. Zijn praktische vooropleiding kwam in het kamp goed van pas en Stertzenbach sloot zich in het kamp aan bij de technische dienst.
Stella Pach, die hij na zijn vlucht naar Nederland in 1933 opnieuw had ontmoet, begon in oktober 1941 brieven aan hem te schrijven. Ze stuurde hem ook eten en boeken. Pach werd tijdelijk vrijgesteld van deportatie dankzij haar beroep als leerkracht. Ze bezocht Stertzenbach meerdere keren in Westerbork en hij verbleef in februari en juli 1942 voor korte tijd in Amsterdam. Pach en Stertzenbach ontwikkelden een hechte band en beloofden met elkaar te trouwen. De contacten tussen Stertzenbach en Pach verliepen deels via Etty Hillesum. Zij werkte voor de Joodse Raad in Westerbork en was goed bevriend met Stertzenbach. Via Hillesum liet Pach in 1942 een trouwring voor hem in Kamp Westerbork afleveren en op 19 september van dat jaar werd een ondertrouwakte opgemaakt.
Verzet in Kamp Westerbork miniatuur|Plattegrond Kamp Westerbork. Linksonder buiten het kampterrein bevond zich het crematorium (situatie 1944) miniatuur|Rioolwaterzuiveringsinstallatie van Kamp Westerbork Vanaf juli 1942 fungeerde Kamp Westerbork als doorgangskamp voor deportaties naar concentratiekampen in Oost-Europa. Stertzenbach zag de wekelijkse transporten, waarbij ongeveer duizend mensen per keer vertrokken. Net als de andere kampbewoners wist hij op dat moment niet beter dan dat zij naar 'arbeidskampen in het Oosten' gingen.
Stertzenbach bezat de status van ('oude kampbewoner'). Deze status kregen personen die voor 14 juli 1942 al in Kamp Westerbork verbleven. In het kamp werkte Stertzenbach eerst bij de rioolwaterzuivering en vanaf maart 1943 ook bij het crematorium. Zijn status en functies boden enige bescherming, doordat ze hem tijdelijk behoedden voor deportatie. Met behulp van twee gestolen radio's, verstopt in gebouwtjes van de rioolwaterzuivering en het crematorium, bleef Stertzenbach op de hoogte van het nieuws uit Londen, dat hij met zijn kampgenoten deelde.
Door zijn werkzaamheden kwam hij regelmatig buiten de prikkeldraadomheining waardoor hij in contact kwam met personen van buiten het kamp, onder wie boswachter Ger van Reemst die in de bossen rond Westerbork werkte. Van Reemst was de zwager van Trudel van Reemst-de Vries die verbonden was aan verzetsgroep Van Dien. De verzetsgroep bestond uit personen die elkaar kenden via Tehuis Oosteinde, een ontmoetingscentrum voor Duits-joodse vluchtelingen. Stertzenbach stond via een illegale telefoonlijn in direct contact met verzetsstrijdster Alice David, een van de leiders van de verzetsgroep.
Een deel van het verzetswerk van de Amsterdamse groep werd gefinancierd met behulp van geld dat ze uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Westerbork haalden. Personen die per trein aankwamen bij Westerbork kregen de waarschuwing dat hun geld in het kamp afgenomen zou worden. Wie hun geld niet aan de bezetter wilden overhandigen, verscheurden het en spoelden het door de wc. In de rioolwaterzuiveringsinstallatie vingen medewerkers de snippers op, plakten ze aan elkaar en stuurden ze naar een lid van de verzetsgroep Van Dien in Amsterdam. In totaal maakten ze ongeveer 15.000 gulden buit.