De wereld als markt en strijd (oorspronkelijke Franse titel: ) is een roman van Michel Houellebecq uit 1994, die zes jaar later in het Nederlands verscheen. Het is Houellebecqs debuutroman. Het boek verscheen in Frankrijk bij een relatief kleine uitgever en trok aanvankelijk weinig aandacht, maar groeide geleidelijk uit tot een 'cultboek'. Na het verschijnen van Houellebecqs succesvolle tweede roman, Elementaire deeltjes (1998), werd de voorganger alsnog een bestseller. Het boek is vertaald in ruim 25 talen. 'Whatever > Editions' op goodreads.com, geraadpleegd 20 juli 2024.
In De wereld als markt en strijd staat het westers cultuurpessimisme centraal. De hoofdpersoon is een depressieve IT'er, een incel avant-la-lettre, een antiheld met een scherpe blik op een maatschappij waarin het marktdenken centraal staat, ook wat betreft relaties tussen mannen en vrouwen. Zijn versimpelde theorie luidt: mooie mensen krijgen alles, lelijke niets. Hijzelf behoort tot de laatste categorie.
Inhoud Titel De oorspronkelijke Franse titel 'Extension du domaine de la lutte' betekent letterlijk 'uitbreiding van het strijdtoneel' en verwijst naar een vergelijking die de ik-verteller maakt tussen economie en seksualiteit:
In de meeste vertalingen is de titel min of meer letterlijk vertaald (zie hieronder). De Nederlandse titel 'De wereld als markt en strijd' wijkt daar enigszins vanaf, maar geeft wel de kerngedachte van het betreffende citaat weer. Het is tevens een speelse verwijzing naar Arthur Schopenhauers hoofdwerk De wereld als wil en voorstelling (1818), een door Houellebecq veelvuldig aangehaald boek. De Engelse vertaling 'Whatever' kent geen precedent.
Opbouw Het boek telt 175 pagina's (Nederlandse hardcovereditie) en bestaat uit de eigenlijke roman (158 pagina's), gevolgd door een 'Verklarende woordenlijst' (2 pagina's) en een 'Nawoord van de vertaler' (7 pagina's), beide door Martin de Haan. De drie delen van de eigenlijke roman beginnen met een titelpagina, voorafgegaan en gevolgd door een blanco pagina, en zijn onderverdeeld in genummerde en soms ook getitelde hoofdstukken. Eerste deel (67 pagina's; 12 hoofdstukken, waarvan 6 getiteld) Tweede deel (73 pagina's; 10 hoofdstukken, waarvan 6 getiteld) Derde deel (36 pagina's; 6 hoofdstukken, waarvan 3 getiteld) Zeven hoofdstukken beginnen met een citaat. In twee gevallen is de herkomst niet duidelijk. De andere citaten zijn uit de Brief van Paulus aan de Romeinen, de Dhammapada en Satipatthana Soetta (beide boeddhistische geschriften), en van Neil Young en Roland Barthes.
Verhaallijn
Het verhaal speelt zich min of meer af in het heden, dat wil zeggen omstreeks 1990, toen Houellebecq aan zijn eerste roman werkte. Verschillende voor die periode kenmerkende zaken komen in het verhaal ter sprake: de zich snel ontwikkelende IT-branche, de op teambuilding gerichte bedrijfscultuur, het bestellen van een maaltijd via Minitel, het doorbladeren van een postordercatalogus, een mailing per post, een bericht op het antwoordapparaat en telefoonseks.
Eerste deel De hoofdpersoon, tevens de ik-verteller, is een naamloze dertiger die als goedbetaald systeemanalist-programmeur bij een softwarebedrijf in Parijs werkt. Hij heeft geen vrienden en over zijn familieachtergrond komt de lezer vrijwel niets te weten. Zijn beperkte sociale contacten komen uitsluitend voort uit zijn werk; de weekenden brengt hij meestal alleen door. Hij is eenzaam, onderhevig aan depressies en heeft sinds de breuk met zijn vriendin Véronique twee jaar eerder geen seks meer gehad. Vanwege zijn onaantrekkelijke uiterlijk, beperkte sociale vaardigheden en depressieve buiten is hij niet in trek bij de vrouwen. Soms mijmert de IT'er over zijn leven, hoe hij na een chaotisch begin zijn studie met vrij goede resultaten heeft afgerond en nu een prima baan met vooruitzichten heeft. Tegelijkertijd staat de wereld om hem heen hem steeds meer tegen: "Van de maatschappij waarin ik leef moet ik walgen; van de reclame word ik misselijk; van de informatica moet ik kotsen."Houellebecq/De Haan (1994/2000), p. 88. Af en toe schrijft hij 'filosofische dierenverhalen', waarvan fragmenten in de roman zijn opgenomen. thumb|Parijs, 12e arrondissement, Rue de Picpus. In de tijd dat Houellebecq er werkte was in de kantoortoren een afdeling van het ministerie van Landbouw gevestigd. Hier ontmoet de verteller Catherine Lechardoy Het verhaal begint op een feestje bij een collega van de verteller, waar laatstgenoemde zich bezat aan de wodka, in slaap valt, vervolgens het tapijt onderkotst en dan zijn autosleutels niet meer kan vinden. Twee dagen later gaat hij zijn auto ophalen, maar kan zich niet meer herinneren waar die staat. Hij geeft de auto op als gestolen. Enige tijd later dineert hij met Jean-Pierre Buvet, een vriend uit zijn studententijd die nu pastoor is in Vitry-sur-Seine. Deze vertelt hem dat de media en de reclame de rol van seks in de samenleving overdrijven, dat men voortdurend te horen krijgt dat het leven heerlijk en opwindend is en dat dit tot totale afstomping leidt. De verteller vermoedt dat zijn vriend denkt dat hij er slecht aan toe is. De priester raadt hem aan God opnieuw te vinden of in psychoanalyse te gaan.
De verteller verneemt dat zijn bedrijf een softwareprogramma heeft verkocht aan het ministerie van Landbouw. Het programma ("Sycomoor") moet de uitbetaling van overheidssubsidies aan boeren vereenvoudigen. Samen met een collega, waarvan de naam hem niet wordt medegedeeld, moet de hoofdpersoon trainingen gaan verzorgen bij afdelingen van het ministerie in de provincie. Zijn contactpersoon bij het centrale ministerie is Catherine Lechardoy, een 25-jarige, onaantrekkelijke vrouw met rotte voortanden. "Afgezien van de rotte tanden heeft ze flets haar en kleine oogjes die fonkelen van woede. Geen waarneembare borsten of billen. God is werkelijk niet erg vriendelijk voor haar geweest."Houellebecq/De Haan (1994/2000), p. 32. Tijdens een receptie op het ministerie overweegt hij, min of meer uit medelijden, een seksuele toenadering. Hij doet het niet, vanwege haar uiterlijk, maar ook omdat hij denkt dat ze het niet geaccepteerd zou hebben. Op het toilet moet hij braken.
Tweede deel De verteller reist met een mannelijke collega, die Raphaël Tisserand blijkt te heten, naar Rouen om daar softwaretrainingen te geven aan het personeel van de departementale afdeling van het ministerie van Landbouw. Het is 1 december. Hij heeft een voorgevoel dat het verblijf in de provincie en de samenwerking met Tisserand een ramp gaat worden: "Het probleem van Raphaël Tisserand – de kern van zijn persoonlijkheid, om precies te zijn – is dat hij zeer lelijk is. Zo lelijk dat hij vrouwen afstoot met zijn uiterlijk en ze niet het bed in kan krijgen. Hij probeert het wel, hij probeert het uit alle macht, maar het lukt niet. Domweg omdat ze hem niet moeten."Houellebecq/De Haan (1994/2000), p. 59. Tisserand moet die eerste dag in Rouen minstens drie afwijzingen incasseren. De verteller is nerveus en rookt vijf pakjes sigaretten. Drie dagen later wordt hij getroffen door een acute pericarditis. Hij wordt opgenomen in een Rouaans ziekenhuis waar hij twee weken verblijft. Tisserand bezoekt hem enige malen.
Na zijn herstel reist de verteller via Parijs naar La Roche-sur-Yon, waar zich eveneens een vestiging van het ministerie van Landbouw bevindt. Tisserand is er al. In de loop van de volgende dagen begint Tisserand te ontsporen, iets wat de verteller herkent uit de periode na zijn eigen scheiding. Tisserand vertelt dat hij op zijn achtentwintigste nog maagd is en dat een laatste restje trots hem ervan weerhoudt om naar de hoeren te gaan: "ik weet dat sommige mannen hetzelfde gratis kunnen krijgen, en bovendien met liefde". De verteller weet niet wat te antwoorden maar reflecteert later op zijn hotelkamer. Een samenleving gebaseerd op seksueel liberalisme brengt extremen van seksuele bevrediging en seksuele verpaupering voort, zoals het economisch liberalisme extremen van rijkdom en armoede voortbrengt. De wet van de markt. Hij denkt terug aan zijn ex-vriendin Véronique. Het spijt hem nu dat hij haar ooit heeft ontmoet. De psychoanalyse die ze onderging veranderde haar in een egocentrisch schepsel. Na zijn mislukte zelfmoordpoging beschuldigde ze hem van morele chantage; "als ik eraan terugdenk heb ik er spijt van dat ik haar eierstokken niet aan flarden heb gesneden".Houellebecq/De Haan (1994/2000), p. 110.
thumb|Les Sables-d'Olonne. In deze kustplaats bezoeken de verteller en Tisserand een discotheek en beramen een moordaanslag Op zaterdagochtend 20 december neemt de verteller een taxi naar Les Sables-d'Olonne, waar hij (slechte) vakantieherinneringen aan heeft (beschreven in een dierverhaal over een poedel en een teckel). Van het uitstapje wordt hij alleen maar depressiever. Op de terugweg koopt hij een steakmes. Op kerstavond haalt hij Tisserand over om samen naar een discotheek in Les Sables-d'Olonne te gaan, dezelfde waar hij als tiener enkele onaangename avonden had doorgebracht. In de disco begint Tisserand een gesprek met een aantrekkelijk jong meisje van een jaar of zeventien (dat volgens de verteller verschrikkelijk veel op Véronique lijkt). Het meisje staat hem vriendelijk te woord, zonder afkeer, maar daarna richt ze haar aandacht op haar vrienden of klasgenootjes. Later danst ze met een lange, donkergetinte knul van een jaar of twintig, terwijl Tisserand verslagen toekijkt. De verteller strooit zout in de wonde door Tisserand eraan te herinneren dat de blauwtjes die hij sinds zijn puberteit heeft gelopen een onuitwisbaar spoor in hem hebben achtergelaten, dat de wond steeds pijnlijker zal worden, zijn hart vervuld zal raken van een ondraaglijke, onafwendbare verbittering. Er rest hem niets anders dan de jonge vrouw te vermoorden. Tisserand antwoordt dat hij liever de knul vermoordt. Even later verlaten de twee jongeren de disco. Tisserand en de verteller volgen per auto de motorscooter van de twee in de richting van het strand, waar het stel tussen de zandduinen bij vollemaan de liefde wil bedrijven. Tisserand volgt hen te voet met het steakmes dat de verteller hem heeft gegeven. Hij keert echter snel terug en verklaart: "Ik heb me afgetrokken. Ik had geen zin om ze te doden; bloed verandert niets." Hij loopt naar de auto en laat de verteller achter in de duinen. Diezelfde nacht krijgt Tisserand op de terugweg naar Parijs een dodelijk auto-ongeluk.
Derde deel Het laatste hoofdstuk van het tweede deel begint met een anoniem citaat: "O, ja, waarden hebben!..." Het eerste hoofdstuk van het laatste deel begint eveneens met een anoniem citaat: "O, het was ironisch bedoeld! Dat is een hele opluchting..."
thumb|Omgeving station Lyon Part-Dieu, waar de hoofdpersoon een nacht rondzwerft