De geschiedenis van Socotra beschrijft de geschiedenis van het Jemenitische eiland Socotra.
Etymologie Er bestaat geen zekerheid over de oorsprong van de naam van het eiland. De naam Socotra kan afkomstig zijn van:
Een Griekse term afgeleid van de naam van een Zuid-Arabische stam die in Sabeïsche en Hadramitische inscripties wordt genoemd als Dhū-Śakūrid (S³krd). De Griekse naam Dioskouridon nēsos (Διοσκουρίδων νῆσος) wat "het eiland van de Dioskouren" betekent. De Arabische benaming Suqutra. Dit woord bestaat uit de woorden Suq ("soek" of "markt") en qutra, dat een verbasterde vorm is van qatir, wat verwijst naar drakenbloed. De Portugezen schreven in de 16e eeuw dat de plaats Suq de toenmalige hoofdstad van Socotra was.
Prehistorie Op verschillende plekken op het eiland zijn stenen werktuigen gevonden die volgens Russische onderzoekers dateren uit de periode van de Oldowan-cultuur (Vroegpaleolithicum).Zhukov, V.A. (2014) Результаты исследований стоянок каменного века на острове Сокотра (Йемен) в 2008—2012 гг.. - Moskou: Triada. p. 114, ill. 134, .
Ongeveer drieduizend jaar geleden ontstond zeevaart langs de kusten van Arabië en Noordoost-Afrika onder invloed van de moessonwinden. Daarbij voer men ook langs Socotra. In het eerste millennium voor Christus kwam Socotra onder de heerschappij van de heersers van het koninkrijk Hadramaut.
Op het eiland zijn verschillende rotstekeningen gevonden die niet allemaal goed te dateren zijn en zich uitstrekken over een grote periode:
De petrogliefen van Eriosh nabij de noordkust op 20 kilometer ten zuidwesten van de hoofdstad Hadibu bevatten petrogliefen met figuren van mannen, kamelen, voeten en kruizen waarvan de datering onzeker is.Naumkin, Vitaly; Sedov, Alexandr (1993). "Monuments of Socotra". Topoi. 70 (2): 569–623. In de buitenwijken van Suq bevindt zich een rotstekening met symbolen van kruizen, planten en voeten. In 2001 troffen Belgische speleologen in de Hoqgrot bijna 250 tekeningen en inscripties aan uit de 1e eeuw voor tot 6e eeuw na Chr.. Vooral in het Brahmi, maar ook in het Bactrisch, Ethiopisch, Grieks en Palmyreens. Deze tekeningen en teksten vormen belangrijke bronnen voor de studie van de handel op de Indische Oceaan in deze periode en wijzen uit dat de bevolking van Socotra uit de wijde regio afkomstig was.Bukharin, Mikhail D. et al. (2012), Foreign Sailors on Socotra. The inscriptions and drawings from the cave Hoq. Bremen: Dr. Ute Hempen Verlag. p. 592, .Sidebotham, Steven E. (2011). Berenike and the Ancient Maritime Spice Route. California. p. 189. Vermoedelijk is de Sanskrietse naam “Dvipa sukhadhara” (“eiland van gelukzaligheid”) in die tijd ontstaan. In de Dahaisigrot op het Momiplateau in het oostelijke binnenland van het eiland zijn pictogrammen gevonden van kruisvormige en geometrische motieven, Arabische inscripties en zoömorfe figuren daterend uit vier fasen tussen de eerste eeuw voor Christus en de vijftiende eeuw na Christus.Rensburg, J.J. van (2018). "The rock art of Dahaisi cave, Soqotra, Yemen". Rock Art Research. p. 35.
Oudheid miniatuur|Socotra volgens Claudius Ptolemaeus. Vermoedelijk gemaakt door de Grieks-Byzantijnse monnik Maximus Planudes rond 1300. Op het eiland staat 'Dioscoridis insula' (eiland). Onderaan het eiland staat 'Dioscoridis ciuitus' (stad). Linksboven het Arabisch Schiereiland. In werkelijkheid ligt het eiland een kwartslag gedraaid en bestaat het kleine eiland aan rechterbovenzijde niet. Ook ligt het eiland in werkelijkheid veel verder naar het westen. Volgens de 9e-eeuwse Arabische historicus Al-Masudi en de 10e-eeuwse Arabische geograaf al-Hamdani (in zijn werk Sifat Jazirat ul-Arab of Geografie van het Arabische Schiereiland)Republic of Yemen, Socotra Archipelago, Proposal for inclusion in the World Heritage List - UNESCO, januari 2006. stuurde in 330 v. Chr. Alexander de Grote op advies van zijn Griekse mentor Aristoteles een Griekse troepenmacht om Socotra te veroveren en zo de toegang tot de 'beste aloë van de wereld' veilig te stellen. De Grieken verdreven daarbij de aanwezige hindoes van het eiland en hernoemden het eiland tot Dioskouridon nēsos (Διοσκουρίδων νῆσος); "het eiland van de Dioskouren".
Aan het einde van de 2e eeuw v. Chr. schreef de Griekse geograaf Agatharchides dat kooplieden uit Potana naar de "Gezegende Eilanden" (Socotra) kwamen om handel te drijven met Alexandrijnse kooplieden.Agatharchides of Cnidus, On the Erythraean Sea, vertaald naar het Engels en bewerkt door Stanley M. Burstein. London: Hakluyt Society. 1989. p. 169.
In de 1e eeuw v. Chr. schreef de Griekse historicus Diodorus van Sicilië: "Socotra is 's werelds belangrijkste leverancier van wierook en mirre. Het eiland is het begin van de Arabische ‘weg van wierook’: van hieruit worden kostbare harsen en andere waardevolle goederen over zee afgeleverd naar Aden en Qana” (nu Bir Ali). Andere goederen waarin het eiland handelde waren schildpad en drakenbloed. Drakenbloed was zeer kostbaar en werd veel gebruikt in medicijnen en cosmetica.Grant, Grainne (2005). "Socotra: Hub of the Frankincense Trade". The UC Davis Undergraduate Research Journal. 8: pp. 119–138.
Het Griekse navigatieboek Periplus van de Erythraeïsche Zee uit de 1e eeuw na Christus, verhaalt over de Socotriërs die zich volgens het handboek in het noordelijke deel van Dioscorides vestigden:
De Periplus maakt melding van Indiase handelaren uit de Gujaratische steden Barygaza (nu Bharuch) en Hathab (in Bhavnagar). Ook is er epigrafisch bewijs voor handelaren uit het zuidwestelijke Malabar en is op het eiland een tekst aangetroffen in het noordwestelijk-Indiase Kharosthi-schrift.
Zoals ook uit de verschillende rotstekeningen blijkt leidde de zeehandel tot het ontstaan van een gemengde bevolking die afkomstig was van de kusten van de westelijke Indische Oceaan, de Rode Zee, Oost-AfrikaSeland, Eivind (2014). "Archaeology of Trade in the Western Indian Ocean, 300 BC–AD 700". Journal of Archaeological Research. 22 (4): pp. 367–402. en de Middellandse Zee. Uit DNA-onderzoek op enkele tientallen individuen uit de 7e tot de 15e eeuw is echter gebleken dat daarvan meer dan 85% verwantschap had met inwoners van de Jemenitische streek Hadramaut, 14% vermoedelijk een Perzische achtergrond had en ongeveer 2% verwantschap met het Indiase subcontinent. De vroege afkomst van deze inwoners gaat verder voor een groter deel terug op Natufische jagers-verzamelaars uit het Laat-Pleistoceen, wat erop wijst dat er hier tussen het Pleistoceen en het Holoceen geen volledige volksverhuizingen hebben plaatsgevonden.
In de 4e eeuw daalde de vraag naar harsen en ontstond in plaats daarvan een economie gericht op pastorale veeteelt op basis van transhumance, verdeeld over clangebieden (Socotri: dabar). Dit is nog steeds een belangrijke basis voor veel bewoners van het eiland buiten de grotere plaatsen Hadibu en Qalansyah.
Middeleeuwen Volgens de overlevering werd de bevolking van Socotra in het jaar 52 bekeerd door de apostel Thomas op zijn reis naar India. Volgens deze overlevering leed hij er schipbreuk en bouwde van het scheepswrak een kerk.
In 582 bezocht de Griekse koopman Kosmas Indikopleustes het eiland. Hij schreef dat de bevolking bestond uit Griekse christenen geleid door de nestoriaanse katholikos van Babylon. Dit is het eerste historische document waarin gesproken wordt over de aanwezigheid van christenen op Socotra.Cohen, G. (2006), The Hellenistic Settlements in Syria, the Red Sea Basin, and North Africa, Berkeley: University of California Press. p. 326 In de 12e eeuw schreef de Syrische geograaf Yaqut al-Hamawi: "Wie naar het Land van de Zanj gaat, vaart voorbij Socotra. De meerderheid van de bevolking bestaat uit christelijke Arabieren. Vandaar worden aangevoerd aloë en de hars van een boom die alleen op dit eiland groeit." De 13e-eeuwse handelsreiziger Marco Polo, die het eiland zelf niet bezocht, vermeldde ook dat "de inwoners gedoopte christenen zijn en een aartsbisschop hebben", die "niets te maken heeft met de paus in Rome, maar onderworpen is aan een aartsbisschop die in Bagdad woont".Polo, Marco (1958). The Travels of Marco Polo. Translated and introduction by Ronald Latham. Penguin Books. pp. 296–297. ISBN 978-0-14-044057-7.
Midden 8e eeuw werd het eiland veroverd door de Ibadi uit Oman - mogelijk omdat men soms werd aangevallen door piraten vanaf het eiland. Het is niet bekend of de Omanen zich er ook vestigden. Volgens de 10e-eeuwse geograaf al-Hamdani bevond zich toen een moskee in de hoofdplaats Suq, die mogelijk door de Ibadi's gesticht werd. De christenen op het eiland maakten zich vervolgens weer vrij. Volgens sommige bronnen veroverde in het jaar 880 een Ethiopisch expeditieleger het eiland en werd er een oriëntaals-orthodoxe bisschop ingewijd. De Ethiopiërs zouden kort daarna echter weer zijn verdreven door een door imam Al-Salt bin Malik uit Oman gestuurde scheepsvloot.Martin, E. G. (1974). "Mahdism and holy wars in Ethiopia before 1600". Proceedings of the Seminar for Arabian Studies. 4: p. 114. Tegenwoordig wordt het echter zeer onwaarschijnlijk geacht dat de Ethiopiërs zich ooit zover naar het zuiden begaven. Volgens de Omaanse geschiedschrijver Nur al-Din al-Salimi kwamen de christenen op het eiland echter rond 860 wel in opstand tegen Al Malik en vermoordden de Omaanse gouverneur en zijn gezin en plunderden de eigendommen van de islamieten op het eiland. Ergens tussen 863 en 867 werd daarop de Omaanse vloot van 101 schepen gestuurd door Al-Salt, maar deze bleek niet in staat om de christenen te verslaan. De bronnen zwijgen echter over wat er precies gebeurde. Mogelijk werden alleen de Ibadi op het eiland aangevallen en werkten de christenen samen met andere islamitische groepen. Door aanvallen van buitenaf waren de Omanen vervolgens lange tijd niet meer in staat om het eiland aan te vallen.
In de 10e eeuw meldde de Arabische geograaf Al-Masudi dat Socotra in die tijd een piratenbasis was: "Laat me u verder vertellen dat veel kapers aan het einde van een cruise op dit eiland aanmeren en hier hun kamp opslaan en hun buit verkopen".Doe, Brian (1992). Socotra Island of Tranquility. Immel. pp. 136–137. ISBN 978-0907151319.
Rond 1200 probeerde een Ajjoebidische expeditie van 4 schepen het eiland te veroveren, maar moest terugkeren omdat men het eiland niet kon vinden, volgens geschiedschrijvers door 'tovenarij' van de Socotri. In de 13e eeuw werd het eiland vermoedelijk voor het laatst aangedaan door nestoriaanse geestelijken van buitenaf, mogelijk als gevolg van de pest die toen rondging op het vasteland.
De 13e-eeuwse Perzische geograaf Ibn al-Mujawir beschreef de cultuur en het dagelijks leven van de bewoners en schreef over hun geloof in goede en kwade djinns. Hij vermeldde dat er twee groepen mensen op het eiland waren, de inheemse bergbewoners en de van buiten het eiland afkomstige kustbewoners.Smith, Rex (1985). "Ibn al-Mujāwir on Dhofar and Socotra". Proceedings of the Seminar for Arabian Studies. 15. In de 13e eeuw betaalden de inwoners schatting aan Aḥmad Ibn Muḥammad Ibn ʿAbd Allāh Ibn Mazrūʿ al-Ḥabūḍī uit een plaats nabij Shibam, al was dit in de praktijk waarschijnlijk erg los, daar er in die tijd nog steeds vaak sprake was van piraterij vanaf het eiland. De dominicaanse missionaris Guillaume Adam verbleef volgens een beschrijving in zijn boek Tractatus quomodo Sarraceni sunt expugnandi begin 14e eeuw 9 maanden op een eiland in de Golf van Aden (waarmee alleen Socotra kan zijn bedoeld) en schreef dat de bewoners wanneer ze aangevallen werden bij gebrek aan versterkingen vluchtten naar grotten in het binnenland.
In 1355 werd het eiland geplunderd en kreeg de bevolking schatting opgelegd door de Rasoelidische officier Aḥmad Ibn ʿAbd Allāh Abā Duǧāna.
Sultanaat Mahra