Jan Dircksz. Lam was een schipper, koopman en admiraal in dienst van de VOC en de WIC. Hij leidde meerdere eskaders in Azië in gevechten met de Spanjaarden en Portugezen en was van november 1618 tot juni 1621 gouverneur van de Molukken. In 1626 leidde hij in dienst van de WIC een aanval op het Portugese Fort Elmina aan de Goudkust van West-Afrika.
In dienst bij de VOC Verovering van Batjan miniatuur|340x340px|Kaart van Batjan met VOC-schepen, ca. 1720. Vóór Lam dienst nam bij de VOC is niets over hem bekend. Hij werd in eerste instantie aangenomen als koopman op de vloot van Paulus van Caerden van 1606, maar uiteindelijk werd het de vloot van Pieter Verhoeff, die een jaar later vertrok, op 27 november 1607. Op deze vloot bevonden zich meerdere personen die later bekendheid zouden verwerven, zoals Jan Pieterszoon Coen, Jacques Specx, Piet Hein en Cornelis van Nijenrode. De vloot moest onderweg Mozambique, Goa en Malakka aanvallen, maar het lukte niet deze hoofdvestigingen van de Portugezen in te nemen. Vanaf Bantam voer Verhoeff met een deel van de vloot naar de Banda-eilanden, waar hij in mei 1609 met veel anderen tijdens onderhandelingen door de Bandanezen vermoord werd. Het bevel ging toen over op Simon Jansz. Hoen, met wie Lam in oktober op het schip Geuniëerde Provincieën naar de Molukken voer. Lam veroverde daar samen met kapitein Apollonius Schotte op 30 november 1609 met enkele schepen en ondersteuning van krijgers uit Ternate het eiland Batjan op de Portugezen. Ook werden twee Spaanse schepen uit Manilla gekaapt. Met de 50 Spaanse opvarenden werd in maart 1610 de door de Spanjaarden op Ternate gevangen genomen Paulus van Caerden vrijgekocht.Van Caerden moest ook nog 6000 realen van achten betalen uit eigen beurs. Van Caerden was erg tevreden over Lam. In juni schreef hij over hem aan de Heren XVII: 'gelieven denselven van mij als een getrouw dienaer voor gerecommandeert houden'.
Retourvloot miniatuur|293x293px|Tentoonstelling van vondsten uit het wrak van de Witte Leeuw in het Rijksmuseum. In oktober 1610 was Lam terug in Bantam, waar hij het bevel kreeg op het schip Cleyne Son, een van de schepen die Cornelis Matelieff in Azië had achtergelaten, terwijl het merendeel van de vloot van Verhoeff terugkeerde naar de Republiek. Met de Cleyne Son voer Lam naar Ambon en Banda, en nam met de nieuw aangestelde gouverneur-generaal Pieter Both op diverse schepen deel aan eskaders die kruisten op Spaanse schepen. Lam keerde pas in januari 1613 terug naar Nederland, als commandeur van een retourvloot van vier schepen: 't Wapen van Amsterdam, de Vlissingen, de Bantam en de Witte Leeuw. Both had hem als lid van de Raad van Indië benoemd en schreef aan de Heren XVII: ‘Hebbe niettemin all vlijt voorgewent om hem noch een tijt bij mij te houden door sijn getrouwicheydt ende goet beleyt’. Onderweg sloten zich nog twee schepen bij de vloot aan: de Solomon (een schip van de EIC) en een particulier Engels schip, de Pearl. In juni 1613 verversten de schepen bij Sint-Helena. Bij het vertrek van daar bleef de Pearl nog even achter, en werd toen verrast door twee grote Portugese kraken, waardoor een groot deel van de bemanning en de watervoorraad op het eiland moesten worden achtergelaten. De Engelse koopman, Samuel Castleton, voer achter Lam aan en vroeg om hulp. Terwijl de Vlissingen verder zeilde keerde Lam met drie schepen om en viel de kraken aan. Het lukte echter niet ze te verschalken. De Witte Leeuw raakte in het gevecht in brand door een ontploft kanon, zodat het zonk. Ongeveer 50 opvarenden kwamen hierbij om het leven. De rest ging aan boord van de andere schepen, die nu ook de terugreis voortzetten. Lam keerde in oktober met de 't Wapen van Amsterdam in Nederland terug. De Bantam liep bij Texel alsnog aan de grond en werd door de branding uit elkaar geslagen. De Vlissingen was wel goed aangekomen. De Pearl en de Solomon keerden veilig in Engeland terug.
Het wrak van de Witte Leeuw werd in 1977 bij Sint-Helena door duikers gevonden. Het was geladen met peper en specerijen, maar ook met Ming porselein en allerlei andere goederen. Een aantal kanonnen en een deel van de lading werd geborgen, en is deels te zien in het Rijksmuseum. Het verlies van de kostbare lading leidde in 1617 tot een waarschuwing in de algemene instructies van de VOC aan uitvarende kooplieden. Zij moesten weliswaar proberen Spaanse en Portugese schepen te veroveren, maar 'sonder hare schepen al te onvoorsichtelijck te avonturen, of elkanderen onversiens eenige schade te doen, gelyck als Godt betert eens in de rescontre van de Witte Leeuw en andere schepen met de twee caracquen onder het eylandt van St. Helena gebeurt is.'
Raad van Indië Al in mei 1614 vertrok Lam als Raad van Indië opnieuw naar Azië, met de schepen ‘t Wapen van Amsterdam, de Engel van Delft en de Enckhuysen, en kwam na een lange en moeizame reis zonder de Enckhuysen, maar met de Walcheren, de Vlissingen en de Witte Beer, op 2 december 1615 in Bantam aan. De commandeur van de laatste drie schepen was evenals veel anderen onderweg overleden. Ook Pieter Reynst, de zoon van gouverneur-generaal Gerard Reynst, behoorde tot de doden. Hij overleed aan boord van de Witte Beer. Op 6 december ging Lam naar Jacatra. Daar trof hij Gerard Reynst ‘zeer kranck’ aan. Reynst overleed de volgende dag aan de ‘bloedganck’ (dysenterie) en werd op 8 december begraven.
De verovering van Pulau Ai miniatuur|Kaart van Pulau Ai van Artus Gijsels uit 1635 met fort Revengie. Het eiland ingedeeld in perken voor de nootmuskaatteelt. Intussen had men in Bantam vernomen van het plan van John Jourdain, hoofd van de Engelse factorij daar, om met de schepen Swan en Defence nogmaals te proberen de handel voor de Engelsen op de Banda-eilanden Pulau Ai en Pulau Run nieuw leven in te blazen, ondanks de handelsverdragen die de VOC daar had gesloten. Jourdain kreeg van Jan Pieterszoon Coen (toen boekhouder-generaal en hoofd in Bantam) een 'insinuatie' dat Engelse schepen die in de specerijeilanden werden aangetroffen vijandig zouden worden bejegend. Lam, die in januari 1616 met 't Wapen van Amsterdam en de Vlissingen in Ambon was aangekomen, werd naar Pulau Ai gezonden om het eiland voor de Compagnie te veroveren. Nu niet met een 'vliegend assault', zoals bij de mislukte aanval door Gerard Reynst in 1615, maar 'met belegeringe omme dat eylant geheel te incorporeren'. Lam moest de vijand 'op den hals springhen', en hem geen tijd gunnen om zich voor te bereiden zoals in 1615 gebeurd was.
Onderweg lichtte hij het garnizoen van fort Henricus in Solor (onder Willem Jansz) en nam het mee ter versterking van de aanval. Met een vloot van negen schepen't Wapen van Amsterdam, de Veere, Vlissingen, Walcheren, Rode Leeuw, Oud-Zeelant, Ceylon, Hoorn, de Hoop en de sloep Cleyn Enckhuysen. voer hij naar Pulau Ai. Onderweg trof hij vier Engelse schepen aan die een delegatie van Pulau Ai die in Engeland op bezoek was geweest terugbrachten naar hun eiland. De schepen versperden in eerste instantie de weg, maar bleken onder leiding te staan van Lams oude bekende Samuel Castleton. Toen deze ontdekte dat de Nederlandse bevelhebber Jan Dircksz. Lam was, bood hij tegen de zin van zijn scheepsraad aan om zich verder afzijdig te houden, onder voorwaarde dat Pulau Run buiten het VOC-monopolie bleef en de Engelse koopman Richard Hunt op Pulau Ai mocht blijven. Lam accepteerde dat aanbod. In maart 1616 bij Pulau Ai aangekomen bevond Lam het eiland 'een cleyn paradys van vruchten ende schoonheyt; is groot twee mylen in 't ronde, maer en heeft geen reede om schepen te ligghen.' De bewoners hesen de Engelse vlag en schoten vanaf de rotsen op de schepen, zonder die echter te beschadigen.
Lam zette zijn troepen, ongeveer 800 man, waaronder 23 Japanse samoerai, aan land, en veroverde het eiland in april ten koste van 7 doden aan zijn kant en 16 aan de andere, 'voor soovele ze by d'onsen gevonden syn'. Een vaandrig, Myroode, werd doodgeschoten toen hij zich blootgaf om verwensingen te roepen naar een overloper, Ooghjen van Haarlem genaamd. De meeste verdedigers waren bij het gestadig oprukken van de aanvallers uit hun stellingen gevlucht en met hun vrouwen en kinderen in prauwen naar Run en Lontor gevaren. Later bleek dat 400 mensen hierbij waren verdronken, waarschijnlijk door te volle boten in combinatie met slecht weer. 'Dus syn dese cloeckmoedighe Bandanezen gevlucht, die de geheele Indien erdoor bekent en geroempt waeren voor de clouckste backeleyers, gelyck sy oock waeren op haere wijze; maer en hadden geen verstant van halve cartouwen te verwachten.'
Lam bouwde op Pulau Ai fort Revengie, zo genoemd vanwege de nederlaag die Reynst er het jaar daarvoor had geleden. Het 'fort in calck ende steen op Puloway' werd versterkt met het geschut van het schip Oudt Zeelant dat versleten was. Het kreeg een garnizoen van 150 man onder luitenant-gouverneur Adriaen van der Dussen, die de aanval geleid had. Omdat veel inwoners gevlucht waren werden door Laurens Reael honderden mensen van andere eilanden, waaronder de radja van Siau en zijn familie en onderdanen, aan land gebracht om het te 'peupleren'. Lam hoopte de militaire investering in de verovering van Pulau Ai goed te kunnen maken met een zending van muskaatnoten en foeli met de Hoorn, 'tot soulagement van d'extreme lasten', maar Coen was er niet tevreden mee. Hij vond de prijs van de foeli te hoog. miniatuur|Pulau Run. Kaart van Artus Gijsels uit 1635. Op 3 mei sloot Lam een vredes- en handelsverdrag ter hernieuwing van de in 1602 door Wolfert Harmensz gesloten, en in 1605 door Steven van der Hagen bevestigde verdragen. Het verdrag werd ondertekend door de orang kaja’s (inheemse hoofden) van Ai, Run, Lontor, Rozengain en Neira. Veel effect had het niet, want enkele maanden later werden meerdere Nederlanders doodgeslagen, en bij aankomst in december van Nathaniel Courthope met de Swan en de Defence stelden de orang kaja’s van Ai en Run zich alsnog onder de Engelse koning Jacobus I, en beloofden alle foelie en nootmuskaat voortaan aan de Engelsen te leveren. Courthope en zijn mannen bouwden op Run een fort en versterkten het met scheepsgeschut. Toen zij betrekkingen aanknoopten met Lontor probeerde Lam met 580 man in juni 1618 ook dat eiland te veroveren, maar hij moest zich terugtrekken vanwege de onneembare steile rotskust van het eiland. 'De Orangkajas te Lontor hebben al hun huizen met steenen muren rondom bewald, zoodat elk huis een fortje is', schreef Van der Hagen. Coen schreef: 'Sy sijn op’t geberchte onder de stadtsmueren geweest, dan al soo geen gereetschap hadden omme de mueren te breecken, noch leeren om die te beclimmen, sijn se met 10 gequetsten (waervan 3 gestorven sijn) wedergekeert, en dat voornemelijk vermits geen water hadden, het volck van dorst wilde smachten'.
De aanval op Manilla miniatuur|300x300px|Kaart van Zuid-Oost Azië en de Filipijnen van ca. 1619. Na de verovering van Pulau Ai teruggekeerd in Ternate was daar ook gearriveerd de vloot van Joris van Spilbergen die om de wereld was gevaren, en die van Van der Hagen, die terug kwam van een aanval op Malakka. 'Soo sijn daer 16 heerlijcke schepen by den andren geweest', aldus Coen aan de Heren XVII. Hier werd in juni 1616 in de Raad van Indië Laurens Reael als opvolger van de in december overleden Gerard Reynst als gouverneur-generaal gekozen. Tegelijkertijd werd Lam benoemd als bevelhebber van een vloot van 10 schepen (de Oude Zon en de Nieuwe Zon, de Oude Maen en de Nieuwe Maen, de Rode (of Hollandsche) Leeuw, de Engel van Delft, de Aeolus, de Vere, de Vlissingen en de Ceylon) die Manilla moest veroveren. Zijn benoeming gebeurde 'ter lieffde van’t gemeene beste', en 'met gemeen advijs van de cappiteynen ende andre presente raden, soo crijgsraden als andre', omdat volgens Coen 'op alle tochten, over alle vlooten, ende in alle saecken van gewichte, een overhooft van autoriteyt ende respect moet wesen, ofte het sal niet dan by geval wel connen gaen'.