Sint-Fris, ook bekend als Fris van Bassoues (ook wel Frix of Fritz, Latijn Frisus of Frisius) is een die wordt vereerd in de regio Aquitanië, departement Gers, in Frankrijk. Hij wordt beschouwd als de verdediger van Aquitanië tegen de opmars van de Saracenen in de 8e eeuw. De legende beschouwt hem als een ridder van Friese afkomst, naar verluidt een zoon van koning Radboud. Zijn grafmonument bevindt zich in de .
De naam van Sint-Fris is bekend sinds de 11e eeuw. Zijn populariteit kende een hoogtepunt in de 16e eeuw en maakte na het midden de 19e eeuw een opleving door. Sinds 2001 is Sint-Fris de patroonheilige van de nieuw opgerichte parochie Saint-Fris-d'Anglès (Bassoues, Montesquiou). Zijn huidige verering is grotendeels beperkt tot vier parochies in de regio .
De legende van Sint-Fris is niet gebaseerd op historische bronnen. Aan de basis van het verhaal liggen eerder troubadourliederen en andere vormen van kruistochtpropaganda. In de Chanson de Roland en de gefingeerde kroniek figureren meerdere Friese koningen. De basiliek van Sint-Fris ligt bovendien aan de Via Tolosana, een van de 12e-eeuwse pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela, hetgeen wellicht heeft bijgedragen aan de populariteit van de cultus. Hagiografen uit de 17e eeuw hebben de legende van een historische context voorzien. De heilige wordt wel behandeld in het handboek Acta Sanctorum op 24 juni (1695), maar ontbreekt in de meeste andere naslagwerken.Jacques Baudoin, Grand livre des saints: culte et iconographie en Occident, Nonette: Editions Creer, 2006, p. 229. . Het kerkelijke naslagwerk Bibliotheca Sanctorum concludeert in 1964 dat er vanwege het gebrek aan bronnen twijfel blijft bestaan over de heiligenstatus van Sint-Fris.Gian Domenico Gordini, 'Frisio (fr. Fritz), santo, martire di Bassoues in Aquitania', in: Filippo Caraffa et al. (red.), Bibliotheca Sanctorum 5 (1964), kol. 1279-80.
Legende miniatuur|Renaissance bas-reliëf boven het portaal van de Basiliek van Saint-Fris de Bassoues, waarop Sint-Fris wordt afgebeeld als een ridder te paard en wordt betiteld als een prins uit Friesland. 1520. Het personage Fris is omgeven door sagen, waarvan moeilijk te bepalen is of ze zijn gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen dan wel op literaire verbeelding. Volgens de kerkelijke overlevering was Fris – waarschijnlijk in de betekenis ‘de Fries’ – een bevelhebber van een Frankisch leger tijdens het bewind van hofmeier Karel Martel. Hij zou in het jaar 732 na Christus in de strijd tegen de Saracenen zijn gesneuveld.
Dezelfde overlevering bericht dat Fris de zoon van de koning van Frisia was. Een inscriptie boven een vroeg-16e-eeuws kerkportaal toont de heilige als een ridder te paard, vergezeld van de tekst: Sanctus Frisius, filius regis Frisiae – Sancte Frisi, ora pro nobis (“Heilige Fris, zoon van de koning van Frisia – Heilige Fris, bid voor ons”).Bénac, Les Saints d’Auch, p. 87. Als teken van zijn koninklijke afkomst is een kroon op zijn helm afgebeeld, terwijl hij in zijn hand een scepter vasthoudt. Er wordt bovendien aangenomen dat Fris geen doopnaam was, maar een verwijzing naar de herkomst van de heilige. De geschiedenis van Sint-Fris is grotendeels gebaseerd op een verslag van aartsbisschop uit 1623, die zich beriep op een manuscript dat in de 17e eeuw verloren is gegaan, aangevuld met plaatselijke tradities.
De jezuïet Daniël van Papenbroeck van het genootschap der Bollandisten, die in 1691 correspondeerde met de kanunniken van Bassoues, concludeerde dat Fris mogelijk een zoon was van de heidense koning Radboud van Frisia en een oomzegger van de Frankische hofmeier Karel Martel. De kanunniken, die zich het verloren manuscript herinnerden, gaven hun kennis later door aan de vicaris-generaal van de aartsbisschop, abt (1681–1764). Volgens d’Aignan du Sendat was het in zijn tijd "een algemeen aanvaarde opvatting" dat Fris de zoon van Radboud was.Jean Guilhempey, Histoire de Bassoues et de la chapelle de Saint-Fritz, Auch 1856, p. 5.
Volgens het levensverhaal van Wolfram van Sens (Vita Vulframni), geschreven rond 800, had koning Radbod inderdaad een zoon die werd gedoopt en naar zijn vader was vernoemd, maar hij stierf enkele dagen na de doop terwijl hij nog het witte doopkleed droeg.Han Nijdam and Otto S. Knottnerus, 'Redbad, the Once and Future King of the Frisians', in: Simon Halink (red.), Northern Myths, Modern Identities: The Nationalisation of Northern Mythologies Since 1800, Brill, Leiden 2018, p. 87-114, p. 98 . De Annalen van Metz, eveneens rond 800 gedateerd, vermelden dat hofmeier Grimoald (de zoon van Pepijn van Herstal) een zoon had bij zijn concubine, die Theudoald werd genoemd. Het theud- of thiad- element in zijn naam kan erop wijzen dat de jongen in werkelijkheid de zoon was van Radbouds dochter, genaamd Theudesinda of Thiadsvind.Ian Wood, 'Franks and Frisians'. in: John Hines and Nelleke IJssennagger-van der Pluijm (eds.), Frisians of the Early Middle Ages, Woodbridge, NJ 2021, p. 203-222, p. 211. Alleen het huwelijk tussen Grimoald en Theudesinda in het jaar 711 is historisch. Al met al blijft de ware identiteit van de heilige onderwerp van speculatie.De namen van Radbouds zonen worden niet in contemporaine bronnen vermeld. 16e-eeuwse geschiedschrijvers construeerden drie gedoopte zoons van Radboud: Melcher (de zoon die na zijn doop zou zijn gestorven), Adgillis II and Poppo. Alleen de laatste is historisch, maar of hij een zoon van Radboud was, wordt betwijfeld. Het is goed mogelijk dat de kerkheren van Bassoues en Auch hun denkbeelden uit Nederlandse boeken hebben opgepikt. Vgl. Ludovico Guicciardini, Description de touts les Pays-Bas, autrement appellez la Germanie Inférieure ou Basse Allemagne, Amsterdam 1609, p. 223.
Slag bij l'Étendard miniatuur|Standbeeld van Sint-Fris in L'Étendard bij Bassoues, waar de veldslag van 732 zou hebben plaats gevonden. Ook de berichten over de Slag bij l'Étendard zijn grotendeels legendarisch. In het jaar 732 rukte een Omajjadisch leger, onder leiding van Abdul Rahman Al Ghafiqi, op in de regio Aquitanië. Dit leidde uiteindelijk in oktober van dat jaar tot de grote Slag bij Poitiers (ook: Tours), waarin Karel Martel zijn bijnaam martellus (“de hamer”) verwierf. Volgens de legende gaf Karel aanvankelijk opdracht aan Fris om met een kleine verkennersmacht vooruit te trekken en het vijandelijke leger uit te dagen. In juni 732 kwam het tot een confrontatie. De eerste slag vond plaats bij Lupiac en bleef onbeslist. Fris hergroepeerde zijn troepen op een heuvel bij La Tapia (het huidige Bassoues), aan de , een belangrijkste transhumanceroute van Bordeaux naar de Pyreneeën, die hier de 12e-eeuwse naar Santiago de Compostela kruist. Op deze hoogvlakte plantte hij op 24 juni zijn vaandel en ging opnieuw de strijd aan met de Omajjaden. Dit is de reden waarom de slag bekend staat als de Slag bij l’Étendard (“vaandel” of “banier”), die volgens overlevering plaats vond bij de Moulin de l’Étendard (ten westen van Bassoues).
Deze tweede slag werd wel door de Franken gewonnen, maar Fris liet hierbij het leven. Hij werd door een pijl in zijn dij getroffen en door zijn paard van het slagveld gedragen. Hij stierf aan de oever van het riviertje de en werd ter plaatse begraven (bij de Pont du Chrétien).De huidige naam Pont du Chrétien is mogelijk ontleend aan een oudere vorm Pont du Crestian of Crestias ("brug van de cagot(s) of onaanraakbaren"). Gilbert Loubais, L'énigme des cagots. Histoire d'une exclusion, Bordeaux 1995. De brug maakt deel uit van de pelgrimsroute naar Compostela. Standbeelden van Fris tonen hem vaak als vaandeldrager. In de 13e-eeuwse Friese traditie wordt de legendarische leider Sint-Magnus of Magnus Forteman, van wie de relieken volgens een legende door Friese krijgers werden gered, eveneens als vaandeldrager afgebeeld. Meerdere dorpen in het voorland van de Pyreneën hadden Sint-Magnus als patroonheilige. miniatuur|De dood van Sint-Fris in de Slag van l'Étendard, 732 n.Chr. Fresco in de te Basoues door (1868-1833). Dat Friezen meevochten in Frankische legers was niet ongewoon. Zowel Friese als Saksische eenheden vochten bijvoorbeeld voor het Frankische Rijk tegen de Slaven en de Avaren, waardoor ze zelfs tot aan de rivier de Donau in het moderne Hongarije kwamen.Robert Flierman, 'Mirror Histories: Frisians and Saxons from the first to the ninth century AD', in: John Hines en Nelleke IJssennagger-van der Pluijm (red.), Frisians of the Early Middle Ages, Woodbridge, NJ 2021, p. 223-238. In 955 namen ze deel aan de Slag op het Lechveld.
Een ander interessant aspect is dat Fris wordt voorgesteld als ruiter. De indruk wordt gewekt dat Fris deel uitmaakte van een cavalerie-eenheid, mogelijk een kleine voorhoede die geschikt was om de bewegingen van het Omajjadenleger te observeren en een effectieve strategie te bedenken. In de ridderromans uit de 12e eeuw figuren de Friese kruistochtgangers soms nog als voetvolk. Later in de middeleeuwen stonden de Friezen echter bekend als goede ruiters en uitstekende paardenfokkers die hun paarden door heel Europa exporteerden. Friese paarden worden vaak genoemd in de chansons de geste. In het epos La Chevalerie Ogier de Danemarche rijdt niemand minder dan de beroemde Karel de Grote op een ceval Frise (“Fries paard”). Bovendien stonden Friese paarden in de late middeleeuwen, en ook eeuwen daarna, bekend als typische chargeurs of "oorlogspaarden".Jorieke Savelkouls, Het Friese Paard, Gorredijk 2016. Ridders te paard maakten bovendien deel uit van de traditionele iconografie van de hoge middeleeuwen.Vgl. René Crozet, 'Le thème du cavalier victorieux dans l'art roman de France et d'Espagne', in: Príncipe de Viana 32 (1971), p. 125-143.
Het is echter goed mogelijk dat de verhalen pas veel later in de nasleep van de kruistochten zijn ontstaan, toen koning Radboud (Raimbaud) en zijn vermeende opvolger Gondebeuf (van wie werd beweerd dat hij als martelaar in Belin-Béliet (Gironde) begraven lag) in allerlei ridderromans figureerden. In deze verhalen werd contemporaine kruistochtpropaganda teruggeprojecteerd naar de tijd van de Karolingen. Het type van de soldatenheilige (le soldat guerrier) was in deze periode nogal populair en kwam in de ridderromans geregeld terug.Esther Dehoux, '"Con avès non, vasal al ceval blanc ?". Sur quelques apparitions des saints guerriers lors de combats, notamment dans la Chanson d'Aspremont', in : L'epopea normanna e il territorio, actes du colloque de Reggio de Calabre (26-27 mai 2006), Reggio de Calabre 2007, p. 23-114. Esther Dehoux, Saints guerriers. Georges, Guillaume, Maurice et Michel dans la France médiévale (XIe–XIIIe siècle), Rennes 2014.
Verering van Sint-Fris miniatuur|Houten beeld van Sint-Fris in de basiliek van Saint-Fris de Bassoues; 19e-eeuwse kopie van een verloren gegaan origineel. Volgens de legende werd de sarcofaag van Sint Fris twee eeuwen na zijn dood ontdekt door een boer die vreemd gedrag bij een van zijn koeien opmerkte. De koe weigerde te eten en likte liever aan een grote steen die in het struikgewas verborgen lag. Desondanks was de koe gezonder en vetter dan de overige koeien van de kudde. Na het verplaatsen van de steen ontdekte de boer een sarcofaag met daarin het ongeschonden lichaam van de heilige, samen met zijn harnas en wapens. Kort na deze vondst richtten de dorpelingen achter het hoofdaltaar van de dorpskerk een kapel in, die gewijd werd aan Sint-Fris. Toen ze de schrijn naar de kerk wilden overbrengen, merkten ze dat de trekossen weigerden de zwaar beladen wagen te trekken. De koe die aan de steen had gelikt, volbracht de belangrijke taak echter zonder enige moeite.