Het Army of Tennessee was het hoofdleger van de Geconfedereerde Staten van Amerika tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog aan het westelijke front. Het leger opereerde tussen de Mississippi en de Appalachen. Het werd opgericht in Tennessee in het najaar van 1862 en vocht tot het einde van de oorlog in 1865.
Geschiedenis 1862
Het Army of Tennesse werd opgericht op 20 november 1862 toen generaal Braxton Bragg het Army of Mississippi een nieuwe naam gaf en het opdeelde in twee korpsen, namelijk het First Corps en het Second Corps. Deze stonden onder leiding van respectievelijk Leonidas Polk en William J. Hardee. Het Third corps werd gevormd uit eenheden van het Department of East Tennessee en stond onder leiding van Edmund Kirby Smith. Begin december werd dit laatste korps alweer ontbonden nadat een van de twee divisies naar Mississippi gestuurd werd. De andere divisie werd toegevoegd aan het 2nd Corps. Kirby Smith kreeg taken toegewezen in oostelijke Tennessee. De cavalerie werd onder het bevel van Joseph Wheeler geplaatst.Connelly, pp. 27, 30–32.
De eerste grote slag waaraan dit leger deelnam vond plaats tegen het Army of the Cumberland tijdens de Slag bij Stones River op 31 december 1862. De Zuidelijken openden de aanval om zes uur in de ochtend op de Noordelijke rechterflank. De Noordelijken werden terug gedrongen naar hun bevoorradingsroute uit Nashville. De Zuidelijken slaagden er echter niet in om deze weg in te nemen. Bragg dacht dat de Noordelijke bevelhebber William S. Rosecrans zich tijdens de nacht zou terugtrekken. Doch de Noordelijken bleven waar ze waren. Op 1 januari 1863 vonden er geen gevechten plaats. De volgende dag stuurde Bragg één divisie op pad om een heuvelrug ten oosten van Stones River in te nemen. Door zwaar artillerievuur werd deze aanval afgeslagen. Bragg trok zich tijdens de nacht terug en hield halt bij Duck River.Connelly, pp. 54–69.
1863
Na de slag bij Stones River brak er onenigheid uit tussen Bragg en zijn ondergeschikten. Ze wezen met beschuldigende vinger naar hun bevelhebber voor de nederlaag en zegden hun vertrouwen in Bragg op. Toen dit de Zuidelijke president Jefferson Davis hiervan hoorde, stuurde hij Joseph Johnston om het leger te inspecteren en indien nodig het bevel over te nemen. Johnston weigerde echter Bragg te vervangen.Connelly, pp. 72–92.
In de zomer van 1863 ging Rosecrans over tot een offensief die zou bekend worden als de Tullahomaveldtocht, vernoemd naar de locatie van het Zuidelijke hoofdkwartier. Door de lage waterstand van de rivier en een tekort aan voorraden zag Bragg zich genoodzaakt om zich terug te trekken naar zijn depot in Chattanooga, Tennessee. Daar richtte hij zijn nieuw hoofdkwartier op.Connelly, pp. 129–134, 137. Toen de Noordelijken hun opmars staakten, nam Bragg de tijd om verschillende aanpassingen door te voeren in zijn leger. Hardee werd in juli naar Mississippi gestuurd en vervangen door D.H. Hill. Bragg reorganiseerde zijn Departement in de Departement of Tennessee die Alabama te noorden van de Tennesseerivier en Georgia ten noorden van Altanta omvatte. Het Departement of East Tennessee (onder leiding van Simon B. Buckner werd opgenomen in Braggs departement. Buckners eenheden werden het Third corps. De cavalerie werd gereorganiseerd in twee korpsen onder leiding van Wheeler en Forrest. Een cavaleriereserve van twee divisies werd onder leiding van W.H.T. Walker geplaatst. De Zuidelijke regering stemde erin toe om het First Corps, Army of Northern Virginia onder leiding van James Longstreet naar Bragg te sturen. Door het verlies van Knoxville Tennessee moest Longstreet zijn korps via het spoor door North en South Carolina en via Atlanta naar het noorden van Georgia verplaatsen. Deze operatie begon op 9 september.Connelly, pp. 151–152, 154, 157-158, 163; Cozzens, p. 56.
Eind augustus lanceerde Rosecrans zijn Chickamaugaveldtocht waarbij hij scheen op te rukken naar Chattanooga en stroomopwaarts langs de Tennesseerivier. Hierdoor raakte Bragg ervan overtuigd dat Rosecrans ten noorden van de stad de rivier zou oversteken. Ondertussen was de Noordelijke hoofdmacht al ten zuiden van de stad de rivier over te steken. Bragg moest zich terugtrekken in noordelijk Georgia en op 8 september 1863 het spoorwegknooppunt van Chattanooga evacueren.Cozzens, pp. 56, 35–37, 45, 55–56.
Verschillende dagen na elkaar probeerde Bragg geïsoleerde Noordelijke eenheden aan te vallen, maar iedere poging mislukte. Tegen de avond van 18 september trok Bragg zijn leger samen bij Chickamauga Creek. Hij dacht dat enkel een deel van het Noordelijke leger aanwezig was. Hij had er niet op gerekend dat Rosecrans sneller dan verwacht zijn leger had samengetrokken. Op 19 september stuurden beide legers in de loop van de dag versterkingen naar de gevechten bij Chickamauga.Kennedy, pp. 227–230. Tijdens de nacht van 19 op 20 september arriveerde Longstreet. Bragg verdeelde het leger in twee vleugels met de korpsen van Hill en Walker, versterkt met een divisie van Polk op de rechtervleugel. Op de linkervleugel stond de andere divisie van het korps van Polk samen met het korps van Buckner en Longstreet. John B. Hood kreeg het bevel over het korps van Longstreet, terwijl Longstreet zelf het bevel over de linkervleugel voor zijn rekening nam. Polk kreeg het bevel om bij dageraad de aanval in te zetten onmiddellijk gevolgd door Longstreet. Maar Polk zette zijn aanval slechts in de late voormiddag in. De aanval kon de Noordelijken niet uit hun stellingen verdrijven, maar Longstreet vond een gat in de vijandelijke linie en viel deze aan. Hierdoor sloeg de Noordelijke rechterflank op de vlucht. Een deel van het Noordelijke leger kon zich hergroeperen bij Horseshoe Ridge en sloeg verschillende Zuidelijke aanvallen af voor de nacht inviel. Daarna trokken ze zich terug met de rest van het Noordelijke leger naar Chattanooga.Cozzens, pp. 299-300; Kennedy, pp. 230–231.
Na Chickamauga belegerde het Army of Tennessee de Noordelijken in Chattanooga. Ze namen defensieve stellingen in op de omliggende heuvels. Missionary Ridge vormde het centrum van het Army of Tennessee. Lookout Mountain vormde de Zuidelijke linkerflank. Een frontale aanval op de stad zou te veel manschappen kosten volgens Bragg. Zijn leger had ook te weinig voorraden en pontonbruggen om de rivier over te steken. Bragg verwierp dus het plan om de Noordelijke aanvoerlijnen naar Nashville door te knippen. Het Zuidelijke leger was wel in staat om de spoorweg te blokkeren waardoor er veel minder goederen in de belegerde stad geraakten.McDonough, pp. 24–25.
Tijdens de volgende weken was er opnieuw een conflict ontstaan tussen Bragg en zijn korpscommandanten. Er ontstond een persoonlijk conflict met Forrest, de bevelhebber van zijn cavaleriekorps, waardoor hij overgeplaatst werd naar Mississippi en West Tennessee. De cavalerie werd opgenomen in het korps van Wheeler. Ondertussen hadden Hill, Buckner, Longstreet en verschillende divisiecommandanten een petitie getekend om aan Davis het ontslag van Bragg te vragen. Davis verwierp deze vraag waarop Bragg aanpassingen doorvoerde in de bevelstructuur van het leger. Polk werd zijn bevel ontnomen en aangeklaagd voor insubordinatie en het niet tijdig uitvoeren van bevelen zoals de geplande aanval bij Chickamauga. Polk werd overgeplaatst naar Mississippi. Hardee kreeg het bevel over het First Corps. Hill werd eveneens aan de kant geschoven en vervangen door John C. Breckinridge. Het Third Corps en het Reserve Corps werden verdeeld over de ander twee korpsen. Buckner en Walker werden gedegradeerd naar een commando over een divisie in plaats van een korps.McDonough, pp. 29–37; Connelly, pp. 249–251.
Eind september en begin oktober werd het Noordelijke Army of the Cumberland versterkt met eenheden van het Army of the Tennessee onder leiding van generaal-majoor William Tecumseh Sherman en twee korpsen van het Army of the Potomac aangevoerd door generaal-majoor Joseph Hooker. Ondertussen was Ulysses S. Grant bevelhebber geworden aan het westelijke front en de nieuwe Military Division of the Mississippi. Hij verving Rosecrans door George H. Thomas.
In de vroege uren van 27 oktober veroverden Noordelijke eenheden Brown's Ferry waardoor de weg open lag naar Alabama. Tijdens de nacht van 28 op 29 oktober probeerden de Zuidelijken een tegenaanval uit te voeren, maar ze slaagden er niet in om Brown's Ferry te heroveren.McDonough, pp. 76–85, 88–93. Bragg stuurde op 5 november het korps van Longstreet naar Knoxville samen met het grootste deel van zijn cavalerie. Hoewel Bragg hiermee zijn leger sterk verminderde, hoopte hij dat Grant eveneens een deel van zijn leger naar Knoxville zou sturen om het Noordelijk garnizoen daar te gaan helpen. De laatste Noordelijke aanval op het Army of the Tennessee bij Chattanooga begon op 24 november met de inname van Lookout Mountain waarbij Hooker de Zuidelijke linkerflank bedreigde. De volgende dag viel Sherman de Zuidelijke rechterflank bij Missionary Ridge aan, maar kon geen doorbraak forceren. Om Sherman te ondersteunen door Zuidelijke eenheden van hun rechterflank te lokken, voerde Grant een schijnaanval uit op het Zuidelijke centrum. Deze schijnaanval veranderde in een frontale aanval waarbij de Zuidelijke linies braken. Bragg trok zijn leger terug in Georgia waar hij de restanten hergroepeerde bij Dalton. Hij nam ontslag op 1 december. Hardee nam tijdelijke het bevel op zich. Hardee wou geen officiële aanstelling waarop Jefferson Joseph Johnston aangestelde tot bevelhebber van het leger in december 1863.McDonough pp. 129–142, 143–158, 167–204, 220; Horn, p. 305.
1864
Tijdens de winter van 1863 op 1864 werden er verschillende veranderingen doorgevoerd. Hood kreeg het bevel over het Second Corps en Polk kwam terug met zijn Army of the Mississippi die hernoemd werd naar het Third Corps.Castel, pp. 58, 127; Connelly, p. 314. In 1864 werd Johnston geconfronteerd tijdens de Atlantaveldtocht met de gecombineerde Noordelijke legers onder leiding van generaal-majoor Sherman. Hij had de opdracht om het Army of Tennessee te vernietigen en als tweede doel om Atlanta in te nemen. Johnston vond de overleving van zijn leger belangrijker dan grondgebied en probeerde een direct confrontatie met Sherman uit de weg te gaan.
In mei en juni nam Johnston verschillende defensieve stellingen in maar moest zich telkens terugtrekken toen Sherman hem flankeerde. Op 14 juni sneuvelde Polk bij Pine Mountain. Hij werd tijdelijke vervangen door W.W. Loring tot A.P. Stewart het bevel overnam. De voortdurende tactische terugtochten van Johnston wekte wrevel op bij president Jefferson Davis. Hij had al geen goede verstandhouding met Johnston en vreesde dat Atlanta zonder slag of stoot zou opgegeven worden. Toen Johnston zich opnieuw moest terugtrekken van de Chattahoochee naar Atlanta na de zoveelste Noordelijke flankeerbeweging werd hij op 9 juli vervangen door John Bell Hood.Castel, pp. 276, 278, 338; Kennedy, pp. 326–338. Stephen D. Lee werd overgeplaatst vanuit Mississippi om het bevel van het Second Corps op zich te nemen. Hood voerde verschillende onsuccesvolle aanvallen uit op Shermans leger bij Atlanta. Na de Slag bij Jonesborough op 1 september werd de laatste aanvoerlijn van Hood doorgesneden. De dag daarna trok Hood zich terug uit Atlanta.Kennedy, pp. 338–343; Connelly, p. 434.
Hood trok zich terug in zuidwestelijke richting naar Lovejoy's Station voor hij stopte bij Palmetto. Daar onmoette hij Davis en P.G.T. Beauregard die net benoemd was tot bevelhebber van de Military Division of the West. Hardee kreeg het bevel over het Departement of South Carolina, Georgia en Flordia en werd vervangen door Frank Cheatham.Horn, pp. 371–374. Davis keurde Hoods plan goed om de bevoorradingslijnen van Sherman ten noorden van Atlanta aan te vallen. Indien Sherman hem zou volgen, zou Hood hem naar een terrein kunnen lokken die hij zelf gekozen had om Sherman te confronteren.