Hildebrand Gurlitt (Dresden, 15 september 1895 – Oberhausen, 9 november 1956) was een Duits museumdirecteur, kunsthistoricus, kunstverzamelaar en -handelaar die in opdracht van Adolf Hitler handelde in ('ontaarde kunst') en optrad als inkoper voor het geplande Führermuseum.

Onder Gurlitts leiding groeide het in Zwickau uit tot een toonaangevend museum voor moderne kunst in de Weimarrepubliek. Voor zijn bijdragen aan de promotie van kunst uit deze periode, met name het expressionisme, werd hij zowel geprezen als bekritiseerd.

Tijdens het dictatoriaal bewind van Hitler was hij een van de vier kunsthandelaars die in opdracht van het naziregime handelden in . Daarnaast was hij inkoper voor Hitlers geplande in Linz. Veel van de kunstwerken die Gurlitt aan het museum leverde waren illegaal verkregen, onder andere door inbeslagname van kunstvoorwerpen van Joodse eigenaren.

Ongeveer 1600 werken uit Gurlitts nalatenschap, van onder anderen Picasso, Chagall, Degas en Klee, werden in 2012 en 2014 herontdekt in de woningen van zijn zoon Cornelius. De ontdekking, die de naam kreeg, leidde tot een grootschalig onderzoek naar mogelijke roofkunst dat resulteerde in de restitutie van meerdere werken.

Jeugd Hildebrand Gurlitt werd geboren in Dresden op 15 september 1895. Hij was een zoon van Cornelius Gurlitt en Marie Gerlach, en groeide op in een liberaal en goed opgeleid middenklassegezin. Zijn vader was als kunst- en architectuurhistoricus gespecialiseerd in de gotiek en gaf les aan de van Dresden. Gurlitt had een oudere broer, Wilibald, en een zus genaamd Cornelia. Het gezin woonde vanaf 1896 in de in de welvarende buurt in Dresden.

De familie Gurlitt was een gerespecteerde en kunstzinnige familie. Onder de familieleden bevonden zich kunstenaars, musici, kunsthistorici, galeriehouders, theologen, onderwijzers en archeologen. Door Gurlitts familie werd verwacht dat hij eveneens grootse dingen zou bereiken.

Kennismaking met kunst Al op jonge leeftijd kwam Gurlitt in aanraking met kunst. In de villa waar hij opgroeide, werd hij omringd door de idyllische werken van zijn grootvader, de landschapsschilder Louis Gurlitt. Het was echter vooral Gurlitts vader die zijn kijk op kunst beïnvloedde: hij was een aanhanger van Nietzsches cultuurkritiek, met name van de interpretatie die door Julius Langbehn werd gepopulariseerd.In zijn boek Rembrandt als Erzieher (1890) bekritiseerde Langbehn het rationalisme, materialisme, liberalisme en de opkomst van de massacultuur. Hij zag deze als bedreigingen voor de culturele en artistieke normen en idealen. Langbehn pleitte voor een nationalistische maatschappij waarin kunst boven politiek, religie en wetenschap werd geplaatst.

In 1906, toen Gurlitt elf jaar oud was, maakte hij kennis met het expressionisme. Samen met zijn moeder bezocht hij een van de eerste tentoonstellingen van de expressionistische kunstenaarsgroep . Naar eigen zeggen was hij aanvankelijk 'geschrokken' van de getoonde werken, maar erg onder de indruk van de twee houtsnedes die zijn moeder kocht. De stichtende leden Ernst Ludwig Kirchner, Karl Schmidt-Rottluff en Erich Heckel waren voormalige leerlingen van zijn vader en zij kwamen regelmatig bij hen thuis over de vloer. Zijn vader omschreef de kunstenaars als 'uitstekende mensen' en wees Gurlitt op het mogelijke belang van hun werk in zijn leven.

Ook Gurlitts zus Cornelia had een blijvende invloed op hem. Tot haar dood in 1919 was ze een veelbelovend expressionistisch kunstschilder.

Eerste Wereldoorlog en studie Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, zat Gurlitt in zijn laatste jaar van de middelbare school. Dat najaar startte hij met een studie aan de school in Dresden waar zijn vader lesgaf, maar deze opleiding werd door de oorlog onderbroken. Hij meldde zich in de herfst van 1914 aan als vrijwilliger voor het leger en werd aangesteld als reserveluitenant. Naar eigen zeggen las hij aan de frontlinie samen met zijn wapenbroeders het kunsttijdschrift waarin expressionistische kunst en poëzie besproken werd.miniatuur|De regio Ober-Ost in 1917|links|352x352px|alt=Een kaart van de regio Ober-Ost uit 1917. Boven de kaart staat in grote letters 'Das Land Ober Ost'. Tijdens de oorlog raakte hij diverse keren gewond, onder meer tijdens de Slag aan de Somme en bij gevechten in de Franse regio Champagne. Voor zijn inzet kreeg hij in 1915 een IJzeren Kruis. Vanwege zijn verwondingen werd hij eind 1917 overgeplaatst naar het in Ober-Ost, waar hij in Vilnius en Kaunas werkzaam was. Hij werkte bij de persafdeling als hoofd van de kunstredactie, waar hij stukken schreef voor de , een Duitstalige krant voor de troepen in het oosten. De persafdeling had als taak de regio op een positieve manier te presenteren. Dit werd onder meer gedaan door het publiceren van tijdschriften en brochures voor zowel het Duitse leger als de lokale bevolking.

Bij de persafdeling waren dichters, auteurs, kunstenaars en journalisten gestationeerd. Hier kwam Gurlitt in contact met onder anderen Richard Dehmel, Karl Schmidt-Rottluff en Arnold Zweig. Zij lieten hem kennis maken met moderne kunst en literatuur, die revolutionaire ideeën over een nieuwe sociale orde belichtten. Deze ideeën en zijn culturele propagandawerk ter plaatse inspireerden Gurlitt om museumdirecteur te worden, op een manier die in lijn was met de nieuwe culturele idealen. Zijn ervaringen tijdens de oorlogsjaren zorgden ervoor dat hij zich volledig wilde toeleggen op de kunst en hij een afkeer kreeg van politiek. Volgens Gurlitt was het slechts een kwestie van toeval geweest dat hij niet was gesneuveld. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 keerde hij terug naar Dresden. Begin 1919 begon hij met een studie kunstgeschiedenis, die hij in Berlijn en Frankfurt am Main volgde.

Op 5 augustus 1919 pleegde zijn zus Cornelia zelfmoord, wat een grote impact op hem had. Hij had een nauwe band met haar en in een brief aan zijn moeder schreef hij dat zij de persoon was die 'het dichtste bij [hem] stond'. Na haar dood ontfermde hij zich over haar nalatenschap. Hij gaf een deel van haar kunstwerken aan familieleden en vrienden, en behield daarnaast een groot deel voor zijn eigen collectie.

In 1923 voltooide hij zijn opleiding en promoveerde met een proefschrift getiteld . Op 24 augustus van datzelfde jaar trouwde hij in Dresden met danseres Helene Rosa Hanke.

Museumdirecteur miniatuur|Het in Zwickau, thans het .|alt=Een kleurenfoto van het museumgebouw van de Kunstsammlungen Zwickau – Max Pechstein Museum. Het gebouw heeft een koepel in het midden, met aan de linker- en rechterzijde rechthoekige uitbouwen. De uitbouwen zijn bedekt met rode dakpannen, terwijl de koepel een koperen bedekking heeft die groen is geoxideerd.|300x300px Na zijn afstuderen zocht Gurlitt tevergeefs naar werk in de museumsector. Hij was weinig geliefd bij de museumelite en werd door hen beschouwd als ongeschikt. In de tussentijd werkte hij als assistent in de architectuurcollectie aan de in Dresden. Daarnaast schreef hij stukken voor verschillende kranten, waaronder de , de en de . In 1925 werd hij door de laatstgenoemde naar New York gestuurd om een congres over stadsplanning bij te wonen.

Datzelfde jaar verhuisde Gurlitt met zijn echtgenote naar Zwickau. De stad stond bekend om haar kolenmijnen en had een grote arbeidersklasse. In Zwickau werd Gurlitt aangesteld als de eerste directeurDe rol van directeur omvatte tevens de rol van curator. van het .

In de periode dat Gurlitt studeerde vonden er hervormingen plaats binnen het museale cultuurbeleid. Het Pruisische ministerie van Cultuur ondersteunde een liberaal beleid waarbij musea steeds meer werden omgevormd tot openbare onderwijscentra, in plaats van enkel gericht te zijn op de elite. Het ministerie zorgde ervoor dat museumcollecties werden uitgebreid met modernistische kunst, met name expressionistische werken. Het beschouwde het expressionisme als het toonbeeld van de Duitse culturele identiteit en democratie. Gurlitt raakte tijdens zijn studie geïnspireerd door deze hervormingen. Zijn doel was om van het een plek te maken die toegankelijk was voor alle lagen van de bevolking, meer aandacht te besteden aan museumeducatie en om van de stad een levendig cultureel centrum te maken. In deze periode werd Gurlitt door zijn vader ervan overtuigd dat het pangermanisme, waar alle Duitstalige volkeren in één Duitse staat worden verenigd, de toekomst was. Gurlitt zag moderne kunst als een manier om de nationale identiteit en trots te versterken en bevestigen.miniatuur|Der Hohenmensch (1906), door Ernst Barlach (1870–1938) |links|280x280px|alt=Afbeelding van het kunstwerk 'Der Hohenmensch' door Ernst Barlach uit 1906. Het toont een man in een lange jas, met een hoge hoed op de grond voor hem. Op de achtergrond is een berglandschap te zien, met een dorp in het dal.

Moderniseringsstrategie Onder Gurlitts invloed werd de kunstcollectie van het museum sterk uitgebreid. Om financiële ruimte te creëren, besloot men om een aantal werken uit de bestaande collectie te verkopen. Gurlitt gaf de architect Heinrich Koch, die verbonden was aan de Bauhausbeweging, de taak het museum te moderniseren. Het interieur werd wit geschilderd en er werden nieuwe museumruimtes ontworpen.

Het museum kreeg een zaal die volledig gewijd was aan expressionistische werken. Gurlitt besteedde vooral aandacht aan de kunstenaars Emil Nolde en Ernst Barlach. Zij werden gepresenteerd als kunstenaars die dicht bij het volk stonden en een sterke binding hadden met de natuur en het vaderland. De werken van Nolde en Barlach vormden een brug naar de moderne, en meer revolutionaire, werken van kunstenaars als Max Pechstein, Käthe Kollwitz, Wassily Kandinsky en Oskar Kokoschka. Met sommige van de in het museum tentoongestelde kunstenaars onderhield Gurlitt persoonlijke contacten.

Naast exposities organiseerde Gurlitt lezingen en muzikale optredens in het museum, wat in deze periode werd gezien als zeer vernieuwend. Tijdens zijn bewind verdubbelde het aantal bezoekers tot 20.000 per jaar. Het museum werd, ondanks financiële moeilijkheden, een model voor museumhervorming en een van de toonaangevendste musea voor moderne kunst in de Weimarrepubliek.

Lof en kritiek miniatuur|Tale à la Hoffmann (1921), door Paul Klee (1879–1940)|alt=Afbeelding van het werk Tale à la Hoffmann van Paul Klee uit 1921. Het werk bestaat uit kleurvlakken in het geel, roze, blauw en wit. Daaroverheen zijn met zwarte inkt eenvoudige tekeningen aangebracht van mensfiguren en planten.Gurlitt wijdde zijn carrière en reputatie aan het verdedigen en promoten van het expressionisme, wat hem tot een belangrijke vertegenwoordiger van zijn vakgebied maakte. Van de nationale pers en collega's kreeg hij veel lof voor zijn werk en de invloed die hij had op de ontwikkeling van het museumlandschap in de Weimarrepubliek. Onder meer Edwin Redslob, Een Reichskunstwart was in de Weimarrepubliek een soort cultureel adviseur die als taak had de kwaliteit van kunst en cultuur te waarborgen en bevorderen. Na de machtsovername van Adolf Hitler in 1933 werd de taak van een Reichskunstwart meer ideologisch en politiek gekleurd. Ook werd kunst ingezet als propagandamiddel. bij het ministerie van Cultuur, en Hans Posse, directeur van de in Dresden, waren enthousiast over zijn inspanningen.

Naast vele lofbetuigingen ontving hij ook veel kritiek, met name vanuit lokale rechts-conservatieve kringen. Gurlitt had meerdere oude Duitse werken verkocht om de vernieuwing van de collectie te kunnen financieren, wat niet in goede aarde viel bij de oudere generatie. Daarnaast was de Zwickauer afdeling van de steeds sterker opkomende Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) een felle tegenstander van de moderne kunst die werd getoond.