Hendrik Elias de Bruyn ('s-Gravenhage, 8 mei 1841 – aldaar, 7 februari 1915) was een Nederlands waterbouwkundige.

Jeugd en opleiding Hij was de zoon van de infanterieofficier Balthazar Rutger de Bruyn en Anna Hendrika van Hasselt. Zijn vader overleed toen hij 13 jaar was. Hij ging in Den Haag naar de Nutsschool en later aan de kostschool van Messingh in Rijswijk. Vervolgens ging hij in 1857 naar de Koninklijke Akademie te Delft.

Hij behoorde tot de beste leerlingen. Door zijn grote intelligentie kon hij de opleiding snel afronden. Hij voldeed aan de jaarlijkse overgangsexamens en kreeg in juli 1860 het diploma van civiel ingenieur. In september 1860 nam hij deel aan het vergelijkend examen voor surnumerair van en Waterstaat. De eerste plaats in dat examen werd behaald door ir. W.J.S.J. Blom, die in 1858 afgestudeerd was. Als tweede op de ranglijst stond De Bruyn, en hun benoeming tot surnumerair volgde met ingang van 15 oktober 1860.

Loopbaan tot 1868 miniatuur|Bouw sluis te Hansweert, 1869 miniatuur|Bouw sluis te Wemeldinge, 1869 De Bruyn werd toen in Middelburg toegevoegd aan ingenieur Jhr. J.R.T. Ortt. Op 1 april 1861 werd hij overgeplaatst naar Goes om daar onder ir. T. Bleckmann te werken aan het Kanaal door Zuid-Beveland. Bleckmann had van ir. Ortt opdracht gekregen om De Bruyn zo veel mogelijk te laten werken aan Zeeuwse oeververdedigingswerken. De Bruyn ontwierp in deze periode de sluizen te Hansweert en Wemeldinge, verschillende bruggen over het kanaal en de buitenhavens. Bovendien kreeg hij kort na zijn plaatsing in Goes het toezicht op het herstel van een dijkval. De Bruyn was toen ongeveer 20 jaar, maar zag er uit al een jongen van 16. De opzichters, aannemers en onderbazen die ingehuurd waren voor het herstel van de dijkval hadden daardoor niet door dat hij de toezichthouder namens Rijkswaterstaat was. in 1863 werd hij bevorderd tot aspirant-ingenieur, ondanks dat kreeg hij toen geen zelfstandige werkkring. Hij werd als niet voldoende doortastend ingeschat voor een zelfstandige functie. Bovendien hield hij niet van "la belle conversation", zoals Ramaer het in 1915 omschrijft. miniatuur|Maastricht - Sluis 19 In 1864 wordt hij overgeplaatst naar Maastricht, waar hij onder ir. F. W. H. van Opstall belast werd met de verbetering van sluis nr. 19 in de Zuid-Willemsvaart. Bij dit werk hoorde de aanleg van een voedingsduiker om Maaswater naar de Zuid-Willemsvaart. Met name de fundering van deze duiker was een probleem dat De Bruyn goed opgelost heeft. In 1867 wordt hij overgeplaatst naar Gorkum, onder ir. H.S.J. Rose. Deze laatste wordt later dat jaar vervangen door ir. Van Opstall.

Ontslag Zowel Rose als Van Opstall waren op zich goede meerderen, maar konden snel veel werk verzetten en snel besluiten nemen. Ze konden zich niet voorstellen dat De Bruyn dat niet kon, zeker gezien zijn intelligentie. De Bruyn zat in deze tijd vaak op kantoor met een pijpje in zijn mond voor zich uit te staren zonder veel te doen. Het leek alsof hij overwerkt was, maar dat konden zijn meerderen zich niet voorstellen. Zijn (reguliere) promoties gingen dan ook niet door en in oktober 1868 werd hij als ingenieur 2e klasse ontslagen, en kreeg wachtgeld. Onderzoek door een psychiater leidde tot de conclusie dat deze problemen niet van blijvende aard zouden zijn, en at ere een goede kans was dat na enige jaren rust hij geheel zou genezen. Deze psychiater kende de nodig hoogleraren aan de Koninklijke Akademie te Delft heel goed, en omdat De Bruyn daar een goede naam had opgebouwd. nam de psychiater het initiatief om bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken te verzoeken om hem bij de eerstvolgende vacature weer in dienst te nemen.

Nieuwe start Die vacature kwam in 1871 door het vertrek van ir. Rooseboom in Assen. De Secretaris Generaal van het ministerie, Mr. J. Schröder besloot dat De Bruyn op proef de arrondissement-ingenieursplaats van Assen kon waarnemen, Zijn directe chef werd hier ir. J. Stootman, Dit was weliswaar een bekwaam ingenieur, maar niet de juiste persoonlijkheid om De Bruyn weer op het goede spoor te zetten. In 1872 kon hij weer overgeplaatst worden, nu naar Goes, waar hij het arrondissement kon waarnemen. Zijn chef werd toen ir. J.F.W Conrad, Conrad had wel de persoonlijkheid die overweg kon met De Bruyn, en De Bruyn kon zich inzetten voor de afronding van de werken van het Kanaal door Zuid Beveland. De sluizen kwamen eind 1872 gereed, in het jaar daarna de kademuren voor de losplaatsen in Hansweert en bij de Postbrug.

De provinciale diensten (o.a. het toezicht op de Calamiteuze Polders) lag in die jaren ook bij Rijkswaterstaat, waardoor De Bruyn een flink takenpakket had.

In 1874 werd Conrad vervangen door ir. G. van Diesen. Deze had een heel goede verhouding tot De Bruyn met zijn eigenaardigheden. Hij ergerde zich niet aan de besluiteloosheid bij het afdoen van stukken en stelde vooral de goede eigenschappen op prijs. Als De Bruyn talmde met het afdoen van (vaak triviale) zaken nam hij die taak gewoon over.

Vlissingen In 1878 werd De Bruyn overgeplaatst naar Vlissingen. Omdat Rijkswaterstaat ook het beheer van de werken voor het kanaal door Walcheren overgenomen had was de eis dat de arrondissementsingenieur in Vlissingen woonde. In de periode in Vlissingen heeft hij de nodige werken uitgevoerd.

In de eerste plaats moest gezorgd worden, dat de sluizen te Veere en te Vlissingen hersteld werden. De schutsluizen te Veere waren al sinds mei 1874 onderloops. Telkens, o.a. in mei 1879, werden weer nieuwe lekken ontdekt. Bij de grote en kleine schutsluizen in Vlissingen werd in oktober 1877 een sterke onderloopsheid ontdekt, en ook hier kwamen telkens weer nieuwe lekken tevoorschijn.

De methode, die De Bruyn hier toepaste, was meestal de stortebedden weg te halen, de houten vloer van een sluishoofd uit te zagen en alle gevonden holten met zand of met cement aan te vullen. Dit werd, met water vermengd, door slangen onder grote waterdruk in de holten gebracht, en het lukte De Bruyn, die van de ochtend tot de avond bij deze werken aanwezig was, alles tot een goed einde te brengen. miniatuur|Afgedamd Marinedok in Vlissingen (1908) Verder bouwde De Bruyn van 1876 tot 1878 een bestaande keersluis om tot schutsluis, de zogenaamde Marinesluis. Dit werk was vóór 1875 al door het Staatsspoorwegbeheer aanbesteed, maar is nooit in gebruik is genomen. De voorhaven was te kort en de ligging daarvan te veel op de heersende windrichting, zodat er bij sommige veel voorkomende windrichtingen zoveel deining in de voorhaven stond, dat de schepen er niet konden liggen, terwijl de sluisdeuren aan de kant van de Schelde, door het grote waterstandsverschil, passage van een groot zeeschip op de Schelde zo sterk bewogen, dat zij niet voldoende waterkerend waren. De Bruyn verhielp dit slaan van de deuren door die met klossen te verbinden, maar van toen af kon de sluis niet meer als schutsluis dienen. Later is er een dam voor de sluis gelegd en is de sluis als droogdok ingericht. Dit dok is in de tachtiger jaren van de twintigste eeuw gedempt.

Een paar belangrijke werken van De Bruyn uit die tijd zijn:

In de eerste plaats proeven over de verbinding van paal en kesp door opgewigde pennen. Het komt er in vele gevallen op aan de sluisvloer tegen opdrijven te beschermen. Dit gebeurt door trekpalen. Maar deze palen moeten goed verbonden worden met de (houten) sluisvloer. Deze verbinding wordt meestal gemaakt door een gat in de paal te maken en een wig te slaan tussen de funderingsbalk (de kesp) en de paal. Dit wordt opwiggen genoemd. De Bruyn heeft in Vlissingen in het Marinedok proeven uitgevoerd om de krachtverdeling tussen de wiggen en de kespen in beeld te brengen. Hij heeft aangetoond dat deze verbinding geen onbeperkte sterkte heeft, en dat meerdere kleine wiggen een betere krachtverdeling geven dan één grote. Hij heeft hierover gepubliceerd in 1879 in het Tijdschrift van het KIvI.

Standaard werd in Zeeland bij zettingvloeiingsgevoelige dijkvakken of de hele oever met zinkstukken beschermd, of een slaperdijk aangelegd. Beide opties zijn kostbaar, en een slaperdijk is bovendien maar een tijdelijke oplossing. De Bruyn stelde voor om voor de oever vaste punten te creëren en die zwaar te verdedigen. Hij bewees uit vele voorgekomen gevallen, dat de oever tussen twee zulke „vaste punten" niet verder inschaarde dan volgens een cirkelboog met een straal, getrokken uit een middelpunt, gelegen op de tegenovergelegen geuloever dwars van het midden van de beide vaste punten. Hij heeft hier nooit over gepubliceerd, maar de methode is beschreven door M. B. G. Hogerwaard in “Memorie over de verdediging van de Zeeuwsche oevers", overigens zonder De Bruyn te noemen. Dit heeft forse besparingen opgeleverd.

Omdat kennis van de waterstanden essentieel is, stimuleerde hij het gebruik van registerende peilschalen. Maar omdat het registratietoestel vaak niet geplaatst kon worden door bijv. een steile vooroever, ontwikkelde hij een meter die door een hevel naar een binnendijks registratietoestel liep (een pijp door de dijk is vanwege gevaar op piping en/of achterloopsheid niet mogelijk). Door deze hevel met petroleum te vullen en binnendijks de druk over te brengen op een kwikkolom komde waterstand op verkleinde schaal worden geregistreerd. Fouten, die het gevolg waren van verschillende uitzetting, werden gecorrigeerd door het inzetten van ijzeren staafjes. Zulke peilschalen zijn gebouwd te Borsele en Westkapelle. Ze waren wel erg storingsgevoelig en zijn in 1907 buiten gebruik gesteld.

Toen De Bruyn in Vlissingen was, werd de Vlissingse haven door het Rijk geëxploiteerd. Dit bracht voor hem tal van beslommeringen met zich. Zo heeft hij in de winter van 1879 op 1880, toen de scheepvaart op Antwerpen door ijs gestremd was, heel veel werk gehad om de voor die haven bestemde vaartuigen te Vlissingen aan het nodige te helpen. Het was vooral een moeilijke taak, de schepen met ontplofbare stoffen van de andere gescheiden te houden.

Maar ook hier kwam het probleem op dat hij grote moeite had met het afhandelen van zaken. Voor de ontwikkeling van de haven van Vlissingen was dat niet zo positief. Er waren handelsondernemingen die zich niet in Vlissingen vestigden omdat ze te lang geen antwoord op hun verzoek kregen.

Leeuwarden Met ingang van 1 april 1883 werd De Bruyn naar Leeuwarden overgeplaatst. Hier kwam hij weer onder ir. Strootman, die hem nog uit Assen kende, die was daardoor bevooroordeeld, en De Bruyn was zich bij alle gebrek aan eigenwaan toch langzamerhand wel zijn waarde bewust geworden. Het was hier weer: waar hij iets moeilijks te op te lossen had, legde hij zich er volledige op toe, de gewone dienst had zijn liefde niet en dit was oorzaak van een minder welwillende verhouding.

De werken aan De Lemmer, waar de havenhoofden van Rijkswege zijn aangelegd, en de verdediging van de duinen van Ameland werden door hem ontworpen. De werken aan De Lemmer werden samen met de in 1886 toegevoegde ir. A. E. Kempees uitgevoerd. Ook stelde hij een uitvoerig rapport samen over de door de Maatschappij tot landaanwinning op de Friese Wadden aangelegde en in 1882 door storm zwaar beschadigde dam tot verbinding van Ameland met de vaste wal. Hij was hierin tamelijk pessimistisch, hetgeen zeker wel invloed gehad heeft op de verwerping door de Tweede Kamer van het van Rijkswege ingediende wetsvoorstel tot overneming van deze werken van die Maatschappij.

Geen hoogleraar