Het Evangelie volgens Lucas (vaak kortweg Lucas of Lukas genoemd) is het derde van de vier evangeliën in het Nieuwe Testament van de christelijke Bijbel. Het behoort tot de drie synoptische evangeliën. Het boek is geschreven in het Koinè-Grieks.

Het Evangelie volgens Lucas vormt samen met de Handelingen van de Apostelen een tweedelig werk.

Auteur links|thumb|Lucas de Evangelist geschilderd door Frans Hals ca. 1625. Het Evangelie volgens Lucas en de Handelingen van de Apostelen vormen samen een tweedelig werk dat is opgedragen aan Theofilus (over wie we verder vrijwel niets weten). De tekst, die wel een kort voorwoord met een verantwoording bevat, noemt de schrijver niet. Traditioneel wordt aangenomen dat de schrijver de evangelist Lucas is, die waarschijnlijk een arts was die de apostel Paulus op zijn reizen begeleidde.Hij wordt genoemd in Kolossenzen 4:14 (waar hij "onze geliefde arts" wordt genoemd), Filemon 24 en 2 Timoteüs 4:11 (in de laatste gevallen wordt hij samen genoemd met onder anderen Marcus, waarmee mogelijk Johannes Marcus wordt bedoeld).

De vroegste aanwijzing dat de apostel Paulus reisgezellen had die eventueel ook teksten schreven vinden we bij Justinus de Martelaar, die in zijn dialoog met Trypho (ca. 103) schrijft over "de memoires van de apostelen en hen die hen volgden" (afwijkend van zijn gebruikelijke wijze van uitdrukken "de memoires van de apostelen").

De eerste uitdrukkelijke vermelding van Lucas als schrijver van het Lucasevangelie vinden we bij Irenaeus in ca. 180.Adversus Haereses 3.1.1. Gearchiveerd op 1 februari 2023. Ook andere vroege kerkvaders, waaronder Tertullianus, Origenes en Eusebius schrijven het evangelie toe aan Lucas.

De aanname van het auteurschap van Lucas bij de vroege kerkvaders lijkt vooral gebaseerd te zijn op indirecte gegevens. Zo benadrukt Ireneüs dat Lucas en Paulus "onafscheidelijk" waren,Adversus Haereses 3.14.1. Gearchiveerd op 6 april 2023. waarbij hij zich baseert op een aantal passages in Handelingen waar de auteur over "ons" spreekt.Bijvoorbeeld 16:10 en 20:6 Het is echter de vraag of de auteur met de aanduiding "ons" wil aangeven dat hij een van de betrokkenen was; het kan hier ook om een stijlfiguur gaan of om passages die integraal overgenomen zijn uit een andere bron. Het lijkt er in ieder geval op dat er al vroeg allerlei speculaties over Lucas de ronde deden, waarbij het onduidelijk is welke beweringen betrouwbaar zijn en welke niet. Zo meldt de "anti-marcionitische proloog bij het Evangelie van Lucas" dat Lucas ongetrouwd was en op 84-jarige leeftijd stierf in Boeotië.

De consensus onder Bijbelwetenschapers is dat het evangelie volgens Lucas is geschreven door een anonieme christen. Een van de redenen voor het betwijfelen van het auteurschap van Lucas is het verschil tussen het beeld van Paulus dat in Handelingen wordt gegeven en het beeld van Paulus zoals we dat kennen uit zijn brieven. Dit verschil is dusdanig groot dat het niet waarschijnlijk lijkt dat Handelingen geschreven is door iemand die lange tijd zeer nauw met Paulus samenwerkte, zoals Ireneüs dat voorstelt. Ervan uitgaande dat het Lucasevangelie en Handelingen dezelfde auteur hebben (en er is weinig reden om daaraan te twijfelen) zou dit betekenen dat het evangelie dus niet door Lucas geschreven is.

Er zijn ook onderzoekers die vasthouden aan Lucas als auteur of die deze mogelijkheid in ieder geval openhouden. Handelingen bevat maar een beperkt aantal 'wij'-passages en het is dus mogelijk dat de auteur Paulus slechts op enkele reizen vergezeld heeft. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de auteur de brieven van Paulus kende of gelezen heeft. Het beeld dat hij van Paulus' leer had zou dan beperkt geweest zijn, wat de verschillen tussen Handelingen en de brieven van Paulus kan verklaren (een andere mogelijkheid is dat hij Paulus' theologie niet goed begreep). Er is ook wel beargumenteerd dat Lucas en Handelingen door een arts geschreven moeten zijn omdat ze medische vakkennis veronderstellen of een bijzondere aandacht voor medische onderwerpen zouden laten zien die op een arts als schrijver zouden wijzen.In het bijzonder door W.K. Hobart (The medical language of St. Luke, 1882) en Adolf von Harnack (Lukas der Arzt, der Verfasser des dritten Evangeliums und der Apostelgeschichte, 1906) De medische kennis die uit Lucas en Handelingen blijkt en gebruikte (vak)termen, stijgen niet boven het resultaat van een solide algemene opleiding uit.

Profiel De auteur van Lucas en Handelingen had goede kennis van Romeins procesrecht. Hij was ook goed bekend met zowel de joodse theologie als met hellenistische gebruiken. Dit duidt op een breed georiënteerde opvoeding en opleiding. Zijn vertelperspectief is keer op keer dat van een stedeling. Zijn intensieve behandeling van vraagstukken op het gebied van armoede en rijkdom hebben geleid tot het vermoeden dat hij een vrijgelaten slaaf zou kunnen zijn geweest.H. Klein (2005): Lukasstudien, FRLANT 209, Göttingen, pag. 11-40 Dit soort overwegingen blijven speculatief.

Tot zeker het midden van de 20e eeuw werd 'Lucas' gezien als prototype van het vroege heidenchristendom. Sinds die tijd is het beeld verschoven naar een sterkere worteling in de joodse geloofstraditie, goed bekend in de "Geschriften" en een gedetailleerde kennis van cultische uitvoeringspraktijken. Dit duidt op een joodschristelijke afkomst. Vermoedelijk groeide hij op in de diaspora, misschien in Griekenland zoals zou kunnen blijken uit zijn geografische kennis.P. Pilhofer (2002): Lukas als „ἀνὴρ Μακεδών“. Zur Herkunft des Evangelisten aus Makedonien, in: P. Pilhofer (uitg.): Die frühen Christen und ihre Welt, Greifswalder Aufsätze 1996-2001 (WUNT 145), Tübingen, pag. 106-112

Datering en plaats De datering die voor het Lucasevangelie (en voor Handelingen) gehanteerd wordt loopt sterk uiteen, van 60 n.Chr. tot 130 n.Chr.

Een van de factoren die bij de datering een rol spelen is dat Paulus' dood niet vermeld wordt en de boeken in het algemeen geen verwijzingen bevatten naar gebeurtenissen na circa 60 n.Chr. Dit zou erop kunnen duiden dat de twee boeken voor het jaar 60 geschreven zijn. Het kan echter ook het resultaat zijn van het doel dat de auteur heeft. Gegeven een beperkte ruimte (het evangelie en Handelingen hebben beide de omvang van een boekrol) wil de auteur laten zien wat de boodschap van Jezus is (het evangelie) en hoe die boodschap bekendgemaakt wordt bij zowel Joden als heidenen (Handelingen). Met de komst en prediking van Paulus in Rome, het centrum van de toenmalige bij de auteur en lezers bekende wereld, is de verspreiding van het evangelie onder de heidenen een feit en kan de auteur zijn vertelling afsluiten. Het is ook mogelijk dat hij veronderstelde dat de meer recente gebeurtenissen bij zijn lezers bekend zouden zijn en daarom niet opgenomen hoefden te worden.

Een aanwijzing voor een late datering is dat Justinus de Martelaar (circa 100-165) het Lucasevangelie en Handelingen niet lijkt te kennen, hoewel dat niet met zekerheid te zeggen is.

Onduidelijk is in hoeverre bepaalde verwijzingen naar de val en verwoesting van Jeruzalem"Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad nabij is" (21:20, zie ook 19:43) verwijzingen zijn naar de val van Jeruzalem aan het einde van de Joodse Oorlog in 70 of dat deze verwijzingen eerder allegorisch zijn. In ieder geval zijn deze verwijzingen bij Lucas sterker dan bij Marcus en Matteüs.De expliciete vermelding van de verwoesting van Jeruzalem ontbreekt in de parallelle passages bij Marcus (Mr 13:14 e.v.) en Matteüs (Mt 24:15 e.v.)

Als we uitgaan van de 'prioriteit van Marcus' (de aanname dat Marcus van de drie synoptische evangeliën het eerst geschreven is) moeten we Lucas na Marcus dateren. In ieder geeft de auteur aan dat er op het moment dat hij zijn evangelie schrijft er al meerdere schriftelijke verslagen van Jezus' leven bekend zijn, wat een al te vroege datering onwaarschijnlijk maakt.

Het is waarschijnlijk dat het evangelie buiten Palestina geschreven is. De Anti-marcionitische Proloog noemt Achaia als plaats van ontstaan. Andere plaatsen die in dit verband wel genoemd worden of werden zijn Klein-Azië, Rome en Caesarea.

Lezers Het boek is opgedragen aan ene Theofilus. Theofilus is een Griekse naam die 'door God geliefd' betekent. Mogelijk was hij een welgestelde christen die optrad als mecenas (beschermheer). Dat Lucas Theofilus aanspreekt met een adressering (in sommige vertalingen vertaald als "hooggeachte") die hij elders enkel voor hoge Romeinse functionarissen (met name gouverneurs) gebruikt, lijkt erop te wijzen dat Theofilus zo'n functionaris was. Het is echter ook mogelijk dat het hier niet gaat om een specifiek persoon, maar om een figuurlijke benaming voor christenen, "de door God geliefden", in het algemeen.

In ieder geval is Lucas voor heidenchristenen geschreven. Bepaalde passages uit de andere evangeliën die voornamelijk voor Joden interessant zijn ontbreken in Lucas en in plaats van Joodse aanduiding Rabbi gebruikt hij de Griekse aanduidingen Kyrios (Heer) en Epistates (Meester).

Lucas' bronnen en het synoptisch vraagstuk

De drie synoptische evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas) hebben veel teksten gemeen, wat op het gebruik van identieke bronnen wijst.

Volgens de tweebronnentheorie, die door veel onderzoekers als verklaring van dit synoptische vraagstuk wordt gezien, putte Matteüs voor zijn evangelie uit in ieder geval twee bronnen, namelijk het evangelie volgens Marcus en een hypothetische verzameling gezegden en uitspraken van Jezus die bron Q genoemd wordt (afkorting van het Duitse Quelle, dat 'bron' betekent). Onder theologen die uitgaan van het gebruik van bron Q wordt vrij algemeen aangenomen dat Lucas naast Marcus en Q waarschijnlijk nog wat ander materiaal tot zijn beschikking heeft gehad. Hetzelfde geldt voor Matteüs.

Ongeveer de helft van het materiaal in Marcus is ook aanwezig bij Lucas, waarbij Lucas (in tegenstelling tot Matteüs) grotendeels dezelfde volgorde als Marcus aanhoudt. Het materiaal dat Lucas met Marcus gemeen heeft, staat bij Lucas in drie grote blokken (Luc. 3:1-6:19, 8:4-9:50 en 18:15-24:11).

In de proloog (1:1-4) lijkt Lucas te suggereren dat hij gebruik heeft gemaakt van ooggetuigenverslagen. Er wordt op basis van enkele terloopse opmerkingen in het evangelie en Handelingen soms gespeculeerd over wie deze ooggetuigen zouden kunnen zijn. Daarbij wordt dan bijvoorbeeld gedacht aan Maria, de moeder van Jezus (op basis van 2:19 en 2:51) of aan leerlingen van Johannes de Doper (op basis van Handelingen 19:1-3).

Kenmerken