Het huis van Vermeer is het Delftse pand waar de Nederlandse schilder Johannes Vermeer sinds circa 1660 tot aan zijn dood in 1675 woonde en waar hij het gros van zijn oeuvre geproduceerd heeft. Deze woning stond in de toenmalige Paapse hoek, een katholieke buurt in Delft op de hoek van Oude Langendijk en de Molenpoort (thans Jozefstraat v/h Molenpoort).
Onduidelijk is of dit pand op de westelijke of oostelijke zijde van genoemde hoek stond. Op de westelijke zijde stond destijds een pand genaamd Trapmolen, wat later een woonhuis werd en nu de Oude Langendijk 25 is; op de oostelijke zijde was ooit een herberg, het Serpent, dat daarna een woning was en omstreeks 1835 afgebroken is om plaats te maken voor de uitbreiding van een schuilkerk. Dat adres wordt thans bezet door het westelijke deel van de Maria van Jessekerk. Ook de bouwkundige indeling en grootte van het huis van Vermeer zijn onderwerp van debat, waarbij onder meer de stelling genomen wordt dat Vermeer in zijn woning een ruimte had die als camera obscura functioneerde.
De stelling dat het gros van Vermeers oeuvre in deze woning geproduceerd is gaat vergezeld met de speculatie in hoeverre de interieurs, kledij en objecten in Vermeers werk representatief zijn geweest voor zijn leefomgeving. Hoewel de schilderijen niet per se een realistisch beeld geven van het interieur van Vermeers huis, weerspiegelen ze waarschijnlijk wel de ruimtelijke, sociale en culturele context waarin Vermeer en zijn familie leefden - tenminste, tot Rampjaar 1672.
Context Johannes Vermeer heeft voor zover bekend zijn leven lang in Delft gewoond. Hij werd geboren in de herberg van zijn ouders, De Vliegende Vos, waar hij tot zijn negende opgroeide. Daarna verhuisde hij met zijn ouders en zus naar herberg Mechelen aan de Markt. Daar verbleef hij mogelijk ook gedurende de eerste jaren van zijn huwelijk, voordat hij in de jaren 1660 met zijn gezin naar een pand op de hoek van de Oude Langendijk en Molenpoort in de Paapse hoek verhuisde. Daar produceerde hij het gros van zijn oeuvre, tot zijn vrij abrupte dood in 1675.
Vermeer raakte hierna in vergetelheid, maar zijn werk werd halverwege de 19e eeuw herontdekt door de Franse kunsthistoricus E.J.T. Thoré. Sindsdien is er veel onderzoek gedaan over het leven en werk van "de Sfinx van Delft" en zijn inmiddels vierendertig werken met grote zekerheid aan hem toegeschreven. Op basis van historische documenten is bekend dat hij gedurende de productiefste periode van zijn leven woonde aan de "Oude Langendijk, [op de] hoek van de Molenpoort".Slager (2018), p.2Janson, Vermeer's Delft Aan welke zijde van die hoek hij precies gewoond heeft, is vooralsnog een onopgelost vraagstuk: men is er niet over uit of dat het om de trapmolen gaat of het Serpent.
Door voortschrijdend inzicht - vooral door in de loop der jaren nieuw gevonden archiefmateriaal en toegenomen kennis van oude bouwkunst - neigen de onderzoekers dan weer naar het ene, dan weer naar het andere pand te wijzen als het waarschijnlijke huis van Vermeer. Er is echter nauwelijks meer bekend over Vermeer dan zijn schilderijen en gemeentelijke archiefstukken, terwijl juist zijn directe omgeving veel over de man en zijn werk zou kunnen verklaren. In die zin was de vondst van de inboedelinventaris die kort na Vermeers dood van zijn woning was opgemaakt een blikopener.
Gesteld kan desalniettemin worden dat informatie over Vermeers huis en haar interieurs vooralsnog vaag en fragmentarisch is, waardoor elke interpretatie van het huis speculatief blijft. Het heeft onderzoekers er kennelijk niet van weerhouden reconstructies te maken van de gevels, plattegronden en het interieur.
Locatie De woning van Vermeer stond in de toenmalige Paapse hoek in Delft, op de hoek van Oude Langendijk en de Molenpoort, thans Jozefstraat v/h Molenpoort. De Paapse hoek was een katholieke buurt en de woning stond vlak bij een jezuïtische schuilkerk die via een gangpad aan de Molenpoort achterlangs het Serpent bereikbaar was. links|miniatuur|Jezuïetenkerk op de Oude Langendijk, ca. 1730, met uiterst rechts een stuk van het Serpent zichtbaar. Vermeer zelf was oorspronkelijk protestant, maar bekeerde zich tot het katholicisme, mogelijk om toestemming van zijn schoonmoeder Maria Thins te krijgen met Catherina Bolnes te trouwen. Het katholicisme bleef sindsdien een belangrijke factor in zijn werk en leven. Vermeer verhuisde met zijn vrouw naar de woning van zijn schoonmoeder, het genoemde pand in de Papenhoek nabij de jezuïtische schuilkerk, waar Thins goede banden mee had en waar de kinderen van Vermeer gedoopt werden. De in de kerk actief zijnde jezuïet Isaac van der Mije heeft mogelijk een rol gespeeld bij enkele van Vermeers religieuze werken., Johannes Vermeer en de jezuïeten te Delft, Oud Holland, Jaargang/Volume 121, 2008, nr.1
De twee mogelijke hoekhuizen Voor de reconstructies van Vermeers woning is gebruikgemaakt van historisch archiefmateriaal, bouwkundige kennis van 17e-eeuwse bouwkunst en de inventaris van Vermeers inboedel dat enkele maanden na zijn dood was opgemaakt.Transcriptie van de boedelinventaris van Vermeer, uit , Vermeer en zijn milieu, pp. 384-390 - via Achter de gevels van Delft.
Trapmolen miniatuur|De hoek van Oude Langendijk en Molenpoort in 1858: links de toenmalige Sint-Jozefkerk; rechts het huis op Oude Langendijk 25. De Trapmolen bestond ten tijde van Vermeer uit elf kamers, waaronder keukens, een kelder, een binnenplaats en een zolder. Het behoorde tot de grotere woningen in Delft. Elk van de kamers had een specifieke functie, wat ongebruikelijk was voor die tijd, aangezien woon- en werkruimtes in de meeste huizen van gewone mensen nog niet duidelijk gescheiden waren.
Op de begane grond bevond zich een grote zaal, of opkamer, die leidde naar een kleine kamer, een mezzanine, vier keukens (waarvan één voor koken en één voor de was) en een kelder. De grote zaal diende een representatieve functie, getuige de aanwezigheid van familieportretten, religieuze objecten en Vermeers piek en helm van de schutterij, genoemd in de inboedelinventaris. Verder waren er twee kamers op de eerste verdieping en een zolder daarboven.
Vermeers atelier bevond zich op de bovenverdieping, met zicht op de markt. De ramen van het atelier waren op het noorden gericht, wat geliefd was bij schilders vanwege het gelijkmatige, koele licht. Waarschijnlijk gebruikte Vermeer ook twee kleinere kamers voor zijn werk, terwijl de zolder diende voor het opslaan van schildermateriaal, zoals een grote steen voor het malen van verf. Het huis van Vermeer was volgens Slager goed uitgerust, maar niet luxueus.
Het Serpent Voor het Serpent zijn twee bouwkundige reconstructies bekend.
Het pand volgens Warffemius
Volgens Warffemius was het huis L-vormig samengesteld. Het korte gedeelte van de gespiegelde L werd gevormd door een circa 7 meter brede gevel aan de Oude Langendijk, terwijl het circa 28 meter lange gedeelte aan de Molenpoort stond. Aan het eind, maar inbegrepen in die 28 meter, was de doorgang via welke vanaf de Molenpoort de achter de kerk gelegen pastorie bereikt kon worden. Het voorhuis was circa 11 meter diep en bevatte een begane grond, een verdieping en een zolder. Hierachter lag een hoger achterhuis met een diepte van circa 7,50 meter, bestaande uit een begane grond en een zolderverdieping. Daarachter stond nog een wat lagere uitbouw, eveneens met begane grond en zolder. Warffemius neemt aan dat het huis na de grote stadsbrand van Delft in 1536 is gebouwd. Het was niet ongewoon dat voorname huizen in Delft uit halverwege de zestiende eeuw een L-vorm hadden.
In het gedeelte met het zadeldak aan de voorgevel bevond zich aan de Oude Langendijk een trapgevel. De voordeur was centraal geplaatst in een houten pui, voorzien van hoge bovenlichten, een kenmerk dat in Delft vaker voorkwam. Op de verdieping in de voorgevel zijn twee kruiskozijnen op dezelfde hoogte, evenals een op de zolderverdieping. De binnenbreedte van het lange deel bedroeg circa 4,50 meter, terwijl de zijkamer aan de Oude Langendijk slechts 1,75 meter breed was. Het voorste gedeelte was vijf balkvakken diep. In dit voorste deel bevonden zich het voorhuis en de grote zaal. Het middendeel, drie vakken diep, bevatte het kamertje aan de grote zaal en de binnenkeuken, terwijl in het eveneens drie vakken diepe achterste gedeelte de achterkeuken, de kookkeuken en de waskeuken lagen. Het voorhuis dat twee balkvakken diep en ruim 4 meter hoog was en niet te verwarmen, bevatte parallel aan de voorgevel het hangkamertje, bereikbaar via een spiltrap. Links van het voorhuis lagen de kelder en de kelderkamer, voorzien van een schouw. Vanuit het voorhuis liep een gang langs de grote zaal en het kamertje aan deze zaal, en door tot aan de binnenkeuken. De drie balkvakken diepe zaal ontving licht vanuit de Molenpoort via twee vensters aan weerszijden van de schouw. Het aangrenzende kamertje, waarschijnlijk onverwarmd en slechts één balkvak diep, zou oorspronkelijk een binnenplaatsje geweest kunnen zijn, aangezien de muur tussen dit kamertje en de binnenkeuken boven het dak uitstak, wat duidt op latere invulling tussen bestaande bouwvolumes.
De binnenkeuken besloeg de volle breedte van het huis en was drie balkvakken diep, met een stookplaats. Deze keuken ontving licht vanaf de Molenpoort en de 'plaats'. De binnenkeuken was de grootste ruimte van het huis en diende waarschijnlijk als woonkeuken voor het echtpaar Vermeer, hun elf kinderen en Maria Thins. In de achterbouw bevonden zich links de drie balkvakken diepe kookkeuken met schouw, en rechts het achterkeukentje, waarschijnlijk ook met schouw, en het waskeukentje.Warffemius (2001)
Het pand volgens Zantkuijl miniatuur|Reconstructie volgens Henk Zantkuijl Ook Zandkuijl beschrijft het pand ten tijde van Vermeer als een hoekhuis. Deze zou volgens hem bestaan hebben uit een voorhuis met zijkamer en was vermoedelijk in twee fasen gebouwd. Het had een traditionele indeling met een gang en een binnenhaard met insteek. Onder deze insteek bevond zich oorspronkelijk de keuken, terwijl de opkamer erboven als binnenkeuken diende. Op de eerste verdieping bevonden zich een voor- en achterkamer. In de loop der tijd is het huis volgens Zantkuijl mogelijk uitgebreid met een extra woonkamer of zaal.
Het interieur Voor de reconstructies van Vermeers interieur is gebruikgemaakt van bouwkundige kennis van 17e-eeuwse bouwkunst en de inventaris van Vermeers inboedel. Daaruit kunnen de ruimten uit opgemaakt worden die in Vermeers huis zaten: het voorhuis, een grote zaal, een voorkamertje van de grote zaal, binnenkeuken, achterkeuken, kookkeuken, waskeuken, gang, kelderkamer, plaats, hangkamer, achterkamer, voorkamer en zolder. Bekend is voorts dat er ook een kelder was, maar die was niet in de inboedellijst opgenomen.
Hieronder een beschrijving van enkele kamers waarover gespeculeerd wordt.
Vermeers atelier Steadman stelt dat elf van Vermeers schilderijen vermoedelijk in zijn atelier op de eerste verdieping in het voorkant van het huis zijn gemaakt. (2017), Vermeer and the Problem of Painting Inside the Camera Obscura, University College London Zijn inschattingen komen min of meer overeen met de inschattingen van Zantkuijl, die zo ver gaat als voor elk schilderij de locatie van zowel de scene als de schilder in het huis te bepalen.Zantkuijl (2001)