Scot Hay is een buurtschap in het Verenigd Koninkrijk, gelegen in het Engelse graafschap Staffordshire. De buurtschap behoort tot het district Newcastle-under-Lyme en ligt in de civil parish Audley Rural, die wordt bestuurd door de Audley Rural Parish Council. Scot Hay ligt nabij de conurbatie van Stoke-on-Trent, het kerngebied van de historische Staffordshire Potteries, beter bekend als “The Potteries”.
Scot Hay ligt in het heuvelachtige landschap van Noord-Staffordshire, aan de zuidwestelijke uitlopers van het Penninisch Gebergte, op een hoogte die plaatselijk ongeveer 212 meter bereikt. De buurtschap telt ongeveer 500 inwoners en ligt circa 5 kilometer ten westen van Newcastle-under-Lyme, omringd door de plaatsen Alsagers Bank, Silverdale, Keele, Leycett en Halmer End. Op enkele kilometers afstand ligt de Keele Universiteit, waarvan de campus zich uitstrekt rond het monumentale Keele Hall. De universiteit telt meer dan 15.000 studenten en ongeveer 2.000 medewerkers.
Infrastructuur De doorgaande wegen Crackley Lane en Leycett Road — die vrijwel haaks op elkaar staan — vormen tezamen de hoofdverbinding tussen Silverdale en de oude nederzetting Audley. Hierlangs is het merendeel van de bebouwing van Scot Hay gegroepeerd. Het lokale ontwerpdocument voor Audley Rural beschrijft Scot Hay als een compacte nederzetting met karakteristieke bebouwing in onder meer rode baksteen en noemt verschillende traditionele bouwkundige kenmerken van de buurtschap.
Aan Leycett Road staat de voormalige Primitive Methodist-kapel uit 1876. Ongeveer veertig meter ten oosten daarvan staat op de T-splitsing aan Leycett Road een karakteristieke K2-telefooncel. Ten noorden van deze weg, nabij de kruising waar Scot Hay Road in oostelijke richting afbuigt naar Alsagers Bank, liggen de Podmore Hall Cottages.
Crackley Lane loopt van Scot Hay Road in Silverdale tot Leycett Road in de dorpskern. Aan de rechterzijde daarvan, tussen de doodlopende straten Bankfield Grove en Church View — de enige andere woonstraten van de kern — stond voorheen een kerkgebouw dat in de 20e eeuw werd gesloopt. Een deel van de ten zuiden van de buurtschap gelegen Leycett Lane, tussen de kruising met Crackley Lane en Pool End Farm, wordt eveneens tot Scot Hay gerekend.
Scot Hay ligt tussen de aansluitingen 15 en 16 van de M6, met verbindingen naar onder meer Birmingham, Manchester en Liverpool. Voor het openbaar vervoer wordt Scot Hay bediend door buslijnen 1 en 1A van D&G Bus. De verbinding loopt vanuit Audley via Scot Hay en Silverdale richting het busstation van Newcastle-under-Lyme en verder richting Stoke-on-Trent. Binnen de bebouwde kom bevinden zich haltes in beide richtingen.
Geschiedenis De geschiedenis van Scot Hay gaat volgens plaatselijke beschrijvingen terug tot de 12e eeuw. Het was van oorsprong een kleine boerengemeenschap, waarvan de bevolking leefde van landbouw en wolproductie. Over de precieze ontstaansgeschiedenis van Scot Hay is weinig gedocumenteerd en de nederzetting komt slechts beperkt in historische documenten voor. Het element hay in de plaatsnaam verwijst naar een omheind gebied, terwijl Scot vermoedelijk betrekking heeft op de naam van een persoon of familie.
De familie Sneyd — een oud en invloedrijk geslacht dat grote delen van de grond in de omgeving bezat — leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de infrastructuur en mijnbouw in het gebied. In de 19e eeuw speelde landeigenaar en ondernemer Ralph Sneyd een rol bij de ontwikkeling van mijnbouw, ijzerproductie en spoorweginfrastructuur rond Keele en Silverdale.
Mijnbouw miniatuur|Industrieel landschap in het Black Country omstreeks 1870. Scot Hay lag in het afzonderlijke North Staffordshire Coalfield; de afbeelding geeft een indruk van het sterk geïndustrialiseerde landschap van de Britse kolen- en ijzergebieden in deze periode.
Vanaf de eerste helft van de 19e eeuw werd de streek in hoog tempo getransformeerd door grootschalige industriële mijnbouw. Scot Hay lag in het North Staffordshire Coalfield, waarvan The Potteries het grootste mijnbouwgebied vormde. Het North Staffordshire Coalfield moet worden onderscheiden van het Black Country, het mijnbouw- en industriegebied van South Staffordshire en de omgeving van Birmingham. Het industriële landschap werd gekenmerkt door mijnschachten, spoorlijnen, steenbergen, ovens, fabrieksgebouwen en rokende schoorstenen. IJzererts en steenkool uit de plaatselijke bodem werden onder andere benut voor de ijzerproductie in de hoogovens van het nabijgelegen Apedale. De Apedale Ironworks produceerden vanaf 1785 ruwijzer en werden later uitgebreid met nieuwe cokesovens en transportverbindingen. Ook de vele keramiekovens van de porselein- en aardewerkindustrie in The Potteries — waaronder die van Minton, Royal Doulton en Wedgwood — werden gestookt met steenkool uit het North Staffordshire Coalfield. De opkomst van mijnbouw, ijzerindustrie en keramiekindustrie leidde tot een sterke groei van industrie en bevolking in de streek.
Generaties lang was Scot Hay in sterke mate een mijnwerkersgemeenschap. Veel inwoners werkten in de mijnen van de directe omgeving en gezinnen waren direct of indirect van de kolenindustrie afhankelijk. Silverdale Colliery, de laatste diepe kolenmijn van het North Staffordshire Coalfield, sloot in december 1998. De hardwerkende kompels verrichtten riskant en ongezond werk. Lange werkdagen, stof, slechte lucht, instortingen, mijngas en explosies vormden ernstige gezondheids- en veiligheidsrisico's. De lonen waren historisch vaak laag en veel mijnwerkers begonnen op jonge leeftijd met werken. In de 19e-eeuwse Britse mijnbouw werden bovendien kinderen en in sommige mijngebieden vrouwen ingezet voor zwaar werk. Een parlementair onderzoek naar hun arbeidsomstandigheden leidde in 1842 tot de Mines and Collieries Act, die ondergrondse arbeid door vrouwen en meisjes en door jongens jonger dan tien jaar verbood. Vrouwen vervulden daarnaast binnen de mijnwerkersgezinnen een zware rol in het huishouden en de plaatselijke economie.
Mijnwerkers uit de streek raakten door de gevaarlijke arbeidsomstandigheden geregeld ernstig gewond of invalide en verschillende mijnrampen eisten grote aantallen slachtoffers. Bekend zijn ongevallen en rampen bij de mijnen van Apedale (1923), Holditch (1937), Leycett (1871, 1879 en 1880), Silverdale (1870) en Sneyd (1942). Het grootste verlies aan mensenlevens in de directe mijnstreek vond plaats op 12 januari 1918 bij de Minnie Pit in Halmer End. Bij de explosie kwamen 155 mannen en jongens om het leven. Twee dagen later overleed ook Hugh Doorbar, de leider van een reddingsploeg, tijdens de reddingswerkzaamheden.
Het moeizame bestaan en de gezamenlijke afhankelijkheid van de mijnbouw zorgden voor een sterke verbondenheid binnen mijnwerkersgemeenschappen. Onderlinge solidariteit, gezamenlijke trots, hechte familiebanden, gedeelde politieke en sociale belangen en de gemeenschappelijke behoefte aan maatschappelijke vorming en vooruitgang droegen bij aan een sterke sociale cohesie en een bloeiend verenigingsleven. Historisch onderzoek naar Britse mijnwerkersgemeenschappen beschrijft dezelfde verwevenheid van arbeid, familie, vakbond, kapel, sportclub en gemeenschapsleven. In Scot Hay zijn hiervan onder meer de voormalige methodistische kapel en de cricketclub tastbare herinneringen.
Mijnwerkersstakingen en economische veranderingen In het kader van het naoorlogse overheidsbeleid, dat sterk was gericht op volledige werkgelegenheid, werd onder de Labour-regering van Clement Attlee de Britse kolenindustrie op 1 januari 1947 genationaliseerd. De mijnen kwamen onder beheer van de National Coal Board.
De landelijke mijnwerkersstaking van 1972 was de eerste nationale staking van Britse mijnwerkers sinds 1926. Vanaf het einde van de jaren 1960 werd de Britse economie in toenemende mate geconfronteerd met inflatie, stagnatie en andere economische problemen. De mijnwerkers staakten in 1972 voor hogere lonen. Sinds de nationalisatie waren honderden mijnen gesloten en was de werkgelegenheid in de industrie sterk teruggelopen. Begin 1974 volgde opnieuw een landelijke mijnwerkersstaking over de lonen. Deze viel samen met een periode van hoge inflatie, de energiecrisis en de door de regering-Heath ingevoerde driedaagse werkweek. Voor Scot Hay, waar veel gezinnen afhankelijk waren van de mijnbouw, hadden deze landelijke arbeidsconflicten directe sociale en economische betekenis.
Mijnwerkersstaking van 1984/85 Toedracht
In 1979 trad de conservatieve regering onder leiding van Margaret Thatcher aan. Haar regeringen voerden een marktgericht economisch beleid, waarin de bestrijding van inflatie, beperking van overheidsuitgaven, privatisering en hervorming van genationaliseerde bedrijfstakken een belangrijke plaats innamen. De Britse economie raakte tegelijkertijd in een diepe recessie en de werkloosheid liep sterk op. Ook de genationaliseerde kolenindustrie kwam steeds verder onder druk te staan. Verschillende mijnen werden door de National Coal Board als economisch niet levensvatbaar beschouwd en een dreigende landelijke mijnwerkersstaking werd in 1981 nog afgewend. Op 6 maart 1984 presenteerde de National Coal Board plannen om de steenkoolproductie met ongeveer vier miljoen ton te verminderen, waarbij circa 20.000 arbeidsplaatsen zouden verdwijnen. Het plan werd in de mijnbouwgebieden in verband gebracht met de sluiting van ongeveer twintig mijnen en leidde tot grote onrust onder de mijnwerkers. Ook de concurrentie van goedkopere geïmporteerde steenkool speelde een rol in de discussie over de toekomst van de Britse mijnbouw. Voor mijnwerkersgemeenschappen als Scot Hay, waar veel gezinnen al generaties lang van de bedrijfstak afhankelijk waren, vormden de dreigende mijnsluitingen en het verlies van werkgelegenheid een grote bedreiging.
De politiek geograaf David Harvey plaatste het beleid van de regering-Thatcher later in de bredere ontwikkeling van het neoliberalisme. Volgens zijn analyse droegen hoge werkloosheid en de verzwakking van de georganiseerde arbeid bij aan een groter industrieel reserveleger, waardoor de onderhandelingspositie van werknemers en vakbonden werd verzwakt.
Verloop miniatuur|Herdenkingsbord van de Britse mijnwerkersstaking van 1984/85
Na de bekendmaking van de plannen ontstonden in Britse mijnbouwgebieden, waaronder North Staffordshire, grootschalige stakingen. De Britse mijnwerkersstaking van 1984/85 kreeg steun van de National Union of Mineworkers (NUM), onder leiding van Arthur Scargill. De mate van deelname verschilde sterk per mijngebied, maar uiteindelijk waren tienduizenden mijnwerkers bij het conflict betrokken.
De regering stelde dat sluiting van niet-rendabele mijnen noodzakelijk was om de kolenindustrie economisch levensvatbaar te maken en betoogde dat de staking markten voor Britse kolen en andere industriële activiteiten in gevaar bracht. De NUM stelde daartegenover dat grootschalige mijnsluitingen banen en complete mijnwerkersgemeenschappen bedreigden. De wijze waarop de strijd in de massamedia werd weergegeven werd zelf onderdeel van het conflict. Critici van de berichtgeving stelden dat de media de gebeurtenissen sterk vanuit het perspectief van de regering en de politie presenteerden. Een later onderzoeksproject van de Universiteit van Oxford noemt de rol van politie, rechtspraak en media nadrukkelijk als onderdeel van de machtsstrijd rond de staking. Daarmee bleef ook de framing van het conflict onderwerp van historisch debat. De staking duurde ongeveer een jaar en eindigde begin maart 1985, toen de NUM besloot het werk te hervatten zonder een algemene overeenkomst die de voorgenomen mijnsluitingen verhinderde. Het verlies van de staking verzwakte de positie van de NUM en de georganiseerde vakbeweging en wordt in de geschiedschrijving veelal gezien als een belangrijk politiek keerpunt tijdens het premierschap van Thatcher.
Gevolgen