Het donzig breeksteeltje (Conocybe pubescens) is een schimmel uit de familie Bolbitiaceae. De soort leeft saprotroof en groeit vooral op oude, strorijke mest van grote herbivoren, met name van runderen en paarden.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed is ongeveer 5–40 mm breed en aanvankelijk kegel- tot klokvormig. De hoed is hygrofaan en bij vochtig weer bruin tot oranjebruin. Jonge exemplaren kunnen aan de rand doorschijnend gestreept zijn. Bij opdrogen wordt de kleur lichter, tot geeloker. De vruchtlichamen kunnen door de fijne beharing een enigszins berijpte indruk maken.
Lamellen De lamellen staan tamelijk dicht opeen en zijn aan de steel aangehecht. Ze worden bij rijping kaneelbruin. De lamelsnede is lichter en fijn vlokkig.
Steel De steel is ongeveer 30–90 mm lang en 1–3 mm dik, cilindrisch en aan de basis vaak iets verbreed. De kleur varieert van licht okerkleurig tot bruin, waarbij de basis donkerder kan zijn. Het oppervlak is fijn behaard of berijpt en vaak enigszins in de lengterichting gestreept. De fijne beharing is een opvallend kenmerk van de soort.
Geur De geur is niet opvallend.
Sporenprint De sporenprint is rood-bruin.
Microscopische kenmerken De sporen zijn ellipsoïde, glad, relatief dikwandig en voorzien van een duidelijke kiempore. Ze meten volgens de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe ongeveer 14–20 × 7,5–10 µm. Andere beschrijvingen geven een bereik van ongeveer 12–18,5 × 7–11 µm.
De basidiën zijn viersporig. De cheilocystiden zijn lecythiform, dat wil zeggen fles- tot kegelvormig met een min of meer duidelijk kopje. De steelbekleding bestaat uit een mengsel van cystiden en langere, slanke haarachtige elementen.
Voor een betrouwbare determinatie is microscopische controle noodzakelijk.
Ecologie Het donzig breeksteeltje is een coprofiele saprotroof. Het groeit vooral op oude, vezel- of strorijke mest van runderen en paarden, vaak in schrale en extensief begraasde terreinen. De soort wordt onder meer aangetroffen in heidegebieden, schrale graslanden, duingraslanden en begraasde bossen. Minder vaak groeit hij op mesthopen, humusrijke bodem of ander sterk voedselrijk organisch materiaal.
Verspreiding In Nederland komt het donzig breeksteeltje verspreid over het hele land voor. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is de soort 'vrij zeldzaam'. Waarnemingen zijn bekend uit alle Nederlandse provincies.
Taxonomie De soort werd oorspronkelijk door Claude-Casimir Gillet beschreven als Galera pubescens. Robert Kühner plaatste hem in 1935 in het geslacht Conocybe, waarmee de huidige naam Conocybe pubescens ontstond.
Gelijkende soorten Het donzig breeksteeltje kan met verschillende andere mestbewonende breeksteeltjes worden verward. Het okergeel mestbreeksteeltje (Conocybe magnispora) heeft eveneens grote sporen, maar heeft kleinere, minder levendig gekleurde vruchtlichamen en de steel mist de combinatie van haren en kegelvormige cystiden die kenmerkend is voor het donzig breeksteeltje.
Het melig breeksteeltje (Conocybe farinacea) heeft doorgaans kleinere sporen en onderscheidt zich bovendien door een duidelijke melige geur.
Categorie:Bolbitiaceae Categorie:Schimmelsoort