miniatuur|Interieur werkplaats F W Braat, Delft, circa 1945 miniatuur|Wilhelminafontein Zutphen, ontworpen en gemaakt door Braat, Delft, 1899 (Regionaal Archief Zutphen) Koninklijke Fabriek F.W. Braat was een metaalfabriek voortgekomen uit het ambachtsbedrijf dat meester-loodgieter Frederik Willem Braat sr. (1822-1889) in 1844 binnen Delft oprichtte, net buiten de stedelijke bebouwing. Het bedrijf richtte zich aanvankelijk op de vervaardiging van zinken artikelen voor buitengebruik, later volgde het gebruik van brons, waaruit de fabriek tal van producten vervaardigde. In het interbellum volgden (bouw)producten van staal zoals raamkozijnen. Het familiebedrijf kende opeenvolgende directeuren met de naam Frederik Willem Braat. Na de overname door OGEM in 1971 bleef het bedrijf tot 1983 bestaan.
Geschiedenis Als startdatum geldt een advertentie van Frederik Willem Braat Sr. In de Delftsche Courant van 10 Mei 1844 waarin hij kond deed “zich alhier te vestigen als Mr. Loodgieter en zijn Affaire op den 13de Mei 1844 te openen”. Braat had het vak geleerd bij Schütz te Zeist. Als een van de eerste in Nederland paste Braat zink in plaats van het gebruikelijke lood toe voor het bedekken van daken. De firma leverde deze zinken dakbedekking o.a. voor de eerste stations van de Nederlandse Spoorwegen.
Groei Zoon Frederik Willem jr. werd eerst naar de Parijse firma Ed. Coutelier gestuurd, een innovatief bedrijf waar zinken producten werden gemaakt, om de kneepjes van het vak te leren alvorens hij in 1877 in het familiebedrijf kwam te werken. In 1884 ging het bedrijf over in handen van twee zoons en een schoonzoon, Frederik Willem Braat jr., Wouter Cornelis Braat en Willem Specht Grijp jr., allen fabrikanten te Delft. Tevens werd een nieuwe stoomfabriek gevestigd op het voormalige buiten de Groene Haven, nabij spoor en station, in gebruik genomen. Met de komst van Braat junior begon de firma Braat zelf met het produceren van zinken ornamenten, zoals balustraden, lantaarns en fonteinen, waarvoor het bij internationale tentoonstellingen diverse onderscheidingen ontving. Het expansieve bedrijf nam in 1880 concurrent de Koninklijke Stoomfabriek van Zinkwerken en andere Metalen van J. van der Made te Arnhem over (die direct werd gesloten met medeneming van de modellen en overstap van medewerkers), gevolgd door Schütz in 1894 dat tot 1906 als filiaal bleef bestaan. Commerciële erkenning kreeg het bedrijf door opdrachten vervaardiging van zinken ornamentiek voor opdrachtgevers als het nieuwe concertgebouw in Amsterdam. Ook vond verkoop plaats tot ver in het buitenland.
Predicaten In 1874 kreeg Braat het predicaat 'hofleverancier' en in 1881 werd het bedrijf 'koninklijk'.
Kunstenaars Op advies van architect A.L. van Gendt ging de inmiddels 'Koninklijke Stoomfabriek van Zinkwerken' zich in de jaren tachtig steeds meer toeleggen op kunstsmeedwerk. Vanaf 1888 was, naast P.G. Duchóteau, beeldhouwer Karel Cramer als artistiek ontwerper en constructeur verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Hij ontwierp lampen en smeedijzeren hekken in golvende, lineaire stijl van de Art-nouveau. Ook gerenommeerde kunstenaars en architecten als Willem Kromhout, Johan Mutters, Theodorus Sluyterman en Jan Verheul lieten hun ontwerpen door de Koninklijke Fabriek F.W. Braat uitvoeren.
Kozijnen De Koninklijke Fabriek F.W. Braat N.V. uit Delft had zich in het begin van haar bestaan vooral toegelegd op siersmeedwerk, maar verruiming van werkzaamheden en producten resulteerde in de bronzen kozijnen. Louis Marie Cordonnier, de architect van het Vredespaleis in Den Haag, zal in 1908 zo ongeveer de eerste zijn geweest die zijn ontwerp uitgevoerd zag met de bronzen kozijnen van de firma Braat. De vraag naar brons groeide tijdens de Eerste Wereldoorlog toen de prijs van brons daalde. Complete kozijnen, inclusief het hang- en sluitwerk werden in brons gegoten. De fabrikant prees de voordelen als volgt: "het licht wordt door geen plompe stijlen tegengehouden, doch kan vrijelijk toetreden". In 1909 startte Braat met de vervaardiging van ijzeren ramen, die al snel succesvol was met grote opdrachten voor (semi)rijksgebouwen als het ministerie van Landbouw en het Rijkskrankzinnigengesticht te Woensel. In het 139-jarig bestaan van de fabriek was de verkoop van maatwerkkozijnen een goede bron van inkomsten. Het bedrijf verwierf echter zijn sterkste marktpositie met de productie van stalen kozijnen in standaardmaten en de toepassing van roestwerende behandelingen. In samenwerking met het Engelse bedrijf Crittall Windows Ltd. besloot de firma zich te specialiseren in de vervaardiging van stalen kozijnen. In 1928 liet de firma een speciale werkplaats bouwen om een order van de architecten Johannes Brinkman en Leendert van der Vlugt te kunnen realiseren. Deze hadden bij Braat de kozijnen besteld voor de door hen ontworpen Van Nellefabriek.
Nieuwe behandelmethode In 1913 werd een nieuwe roestwerende metaalbehandeling ontwikkeld, het schoperen. Met een spuitpistool met daarin vloeibaar metaal kon een beschermende laag worden aangebracht. De firma Braat vroeg in 1923 een licentie aan voor toepassing van het procedé. Ook de kozijnen werden voortaan op deze manier behandeld. Met 26 pistolen had Braat de grootste werkplaats voor roestwerende behandelingen ter wereld.
Verwarmingssystemen Voortvloeiend uit de vervaardiging van kachels ging Braat over tot de aanleg van centrale verwarmingssystemen. In 1915 legde het bedrijf voor het Rijkskrankzinnigengesticht te Woensel het eerste wijkverwarmingssysteem aan, gevolgd in 1925 door een dergelijk systeem in Utrecht. Binnen het bedrijf ontstond een afdeling Centrale Verwarming. Tussen 1920 en 1934 produceerde het bedrijf ook oliebranders en vanaf 1929 oliestookinstallaties.
Verdere lotgevallen In 1907 werd Braat omgezet in een nv, met een maatschappelijk kapitaal van ƒ 400.000. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag het productiepeil erg laag en werden alleen noodkachels en sleden vervaardigd. Na 1945 werd de productie van kozijnen weer hervat en bereikte zijn hoogtepunt rond 1959. In standaardmaten uitgevoerd werden deze op grote schaal geplaatst in woonwijken tijdens de naoorlogse wederopbouw. In 1970 werd Braat voor ƒ 55 mljn overgenomen door het OGEM-concern. Binnen OGEM Werd Braat onderdeel van de industriedivisie en van de expansieve strategie van het moederconcern. In 1971 volgde overname van het zonweringsbedrijf Bingham-Brandt te Schiedam en van Bettenhausen te Rotterdam. Maar al snel volgden problemen, in 1974 volgde ontslag van 84 medewerkers in de ramenfabriek. Eind jaren zeventig kwam het moederbedrijf steeds meer in de problemen. Delen van Braat werden ontmanteld, zoals de radiotorenfabriek waarvan de nieuwe eigenaar, de gemeente, het terrein in 1980 voor woningbouw bestemde. De resterende delen van OGEM ondergingen na het faillissement in 1983 een divers lot. De Braat groep bestond toen formeel nog uit Bettenhausen, delen van het oude Braat kwamen in privéhanden tot 1990, gevolgd door overname door een branchegenoot. In 1993 werd Colt International eigenaar, waarbij de naam Braat van de gevel verdween. Eind 2008 viel het doek voor de restant van het bedrijf in Delft, waarna afbraak van de fabrieksgebouwen plaatsvond. Alleen het uit 1932 daterend kantoorgebouw aan de Hooikade in Delft bleef bestaan voor herbestemmingen, zoals voor de gemeentelijke sociale dienst en daarna als bedrijfsverzamelgebouw voor startende ondernemers en kunstenaars.
Speciale kozijnenproducties De Braat-fabriek maakte de kozijnen voor o.m. de volgende gebouwen: Vredespaleis te Den Haag (architect Louis Marie Cordonnier) Van Nellefabriek te Rotterdam (architecten J.A. Brinkman en L.C. van der Vlugt) Hoofdgebouw NS te Utrecht (architect George van Heukelom) Hoofdkantoor van Unilever te Rotterdam (architect Hermann Friedrich Mertens) Kantoorgebouw van de Maatschappij tot Uitvoering van Zuiderzeewerken te Wieringen (architect onbekend) Fabriekspand van Ford te Rotterdam (architect onbekend) Tennishal in Stockholm (architect onbekend)
Verschillende namen waaronder de fabriek bestond Zinkfabriek F.W. Braat (1844-1882); Koninklijke Zinkfabriek F.W. Braat (1882-1907); Naamlooze Vennootschap F.W. Braat's Koninklijke Stoomfabriek van Werken in Zink en Andere Metalen (1907-1915); Naamlooze Vennootschap F.W. Braat's Koninklijke Fabriek van Metaalwerken (1915-1929); Koninklijke Fabriek F.W. Braat N.V. (1929-1972); Fabriek F.W. Braat B.V. (1972-1983).
Categorie:Voormalig Nederlands bedrijf