miniatuur|Adolph Marius Karel Wolphgangh baron van Ittersum (1833-1904) miniatuur|Portret van Cornelie Henriette Hermine van der Goes (1838-1906) en haar zonen in 1862 Adolph Marius Karel Wolphgangh baron van Ittersum (Hattem, 25 augustus 1833 - Nijmegen, 16 augustus 1904) was een Nederlands waterbouwkundige, zoon van Frederik Alexander Sippo Arnold baron van Ittersum, kantonrechter te Elburg, en Wilhelmina Frederika baronesse Bentinck. Hij was van 1858 tot 1898 in dienst van Rijkswaterstaat. Hij overleed in 1904 in Nijmegen en is op 19 augustus van dat jaar in Hattem begraven.

Hij studeerde van 1852 tot 1857 aan de Koninklijke Akademie te Delft en werd in juli 1858 na het vergelijkend examen surnumerair bij de Waterstaat en in oktober 1860 aspirant ingenieur. Hij werd toen belast met het voltooien van de werken tot kanalisatie van de Hollandse IJssel tussen de Doorslag en Gouda. In 1864 was hij kort arrondissementsingenieur in Goes, maar werd in 1866 naar Kampen en in 1867 naar Zutphen overgeplaatst. Hier bleef hij tot 1881, in welk jaar hij hoofdingenieur in Noord-Brabant werd. In 1890 werd hij overgeplaatst naar Den Haag waar hij inspecteur werd. Om gezondheidsredenen (hij had reuma) nam hij met ingang van 1 november 1898 ontslag. Hij vestigde zich toen te Nijmegen, vanwege de drogere lucht.

Hij trouwde op 17 augustus 1859 in Delft met Jkvr. Cornelie Henriëtte Hermine van der Goes, de dochter van mr. Willem van der Goes, advocaat en lid van de gemeenteraad van Delft. Hij had 3 zonen en 3 dochters.

Jeugd en opleiding Hij groeide op in het kleine toen nog ommuurde Hattem, een plattelandsstadje, in een huis, hoog op de oude wallen. Zijn vader was vrederechter in het kanton Elburg (later veranderd in kantonrechter), een ambt met grote invloed, dat hem met mensen van allerlei slag in aanraking bracht, en meer dan enige andere rechterlijke betrekking deed inleven in het leven van burger en landman. Hattem was weliswaar klein, maar hoogst aristocratisch en verfijnd — spottend noemde men het „klein Parijs"; daarbij was het zeer onafhankelijk en vrijzinnig.

Door zijn opvoeding in deze omgeving kreeg voor hem het woord „eigen-grond" een bijzondere betekenis. Hij kon hierdoor ook later elke duimbreed Rijkseigendom verdedigen tegen den nooit eindigende landhonger van de aanliggende eigenaren. Doordat hij in zijn jeugd rondgezworven in de bossen van de Veluwe had hij later een grote interesse voor de beplanting met houtwallen langs de wegen en kanalen. Investeren hierin is mede door hem een traditie geworden bij Rijkswaterstaatingenieurs. Hij stelde zich op als een rentmeester met oog voor de lange termijn ontwikkeling.

Zijn opvoeding is kenmerkend voor die tijd en was heel geschikt om zijn aanleg in goede richting te ontwikkelen, en hem die veelzijdigheid te geven die voor een edelman nodig is. Aanvankelijk ging hij naar de Hattemse kostschool; een kostschool, die beurtelings beroemd en berucht was. De school verkeerde toen in een minder gunstige toestand, en zo werd de twaalfjarige knaap in mei 1845 naar Brummen gezonden, waar op de Kleine Zegerij de heer Niemeijer een kostschool had. Om de overgang uit het ouderlijk huis niet te groot te maken, werd hij eerst in de halve kost gedaan en bij een oom ingekwartierd. Na de grote vakantie werd hij in de volle kost opgenomen. Hij bleef vijf jaren op de school. Eind maart 1850 vertrok hij naar de kostschool der broedergemeente te Neuwied, een instelling die door meerdere Nederlanders bezocht werd, en waar die eenvoudige, inderdaad broederlijke geest heerste, die de Hernhutters steeds bezielt. Ongetwijfeld is dit verblijf van grote invloed op de karaktervorming geweest, en zijn de huiselijke eenvoud en de evangelische verdraagzaamheid zijn daaraan in niet geringe mate toe te schrijven.

De broederschool had een eigenaardigheid, die wees op de bezwaren aan het reizen in die tijd, maar ook op pedagogische gronden zeker goed te verdedigen is. Vakanties bestonden niet; in de plaats daarvan werden voetreizen ondernomen onder begeleiding van de onderwijzers, die hierdoor de leerlingen ook buiten het schoolse ssteem leerden kenen. Twee vakanties bracht de jonge van Ittersum op de broederschool door — hij maakte dus twee voetreizen, en bezocht in die periodes Nassau, Hamburg, Frankfort en Heidelberg. miniatuur|Crystal Palace tijdens de wereldtentoonstelling van 1851 Begin juli 1851 werd Neuwied voorgoed verlaten, en kort daarna nam hij zijn intrek in Utrecht bij zijn grootmoeder van vaderszijde, waar hij dagelijks privaatles ontving van de heer Grothe, de latere bekende Delftse hoogleraar, toen directeur van Technische School in Utrecht. Een veertiendaags reisje in 1851 naar Londen, in gezelschap van zijn vader, om de eerste wereldtentoonstelling te bezichtigen, brak de studie even af. In juni 1852 deed hij toelatingsexamen voor de Koninklijke Akademie te Delft. Hij slaagde, maar deed in september met nog enkele studenten een nieuw examen waardoor hij onmiddellijk tot het tweede studiejaar kon worden toegelaten. Ook hierin slaagde hij, tegelijk met twee andere adspiranten voor het ingenieursvak: M.J.van Duijn en J.J. Bienfait.

In het 3e jaar werd hij lid van de Senaat, later zelfs vicepresident, wat hij tot afloop van zijn studietijd bleef, en kort voor zijn afstuderen verloofde hij zich met de Delftse jonkvrouwe Cornelie van der Goes. Zij trouwden twee jaar later.

Eerste werkkring Na zijn afstuderen in 1857 werd hij kort buitengewoon opzichter bij de waterstaat, en werd ingezet voor de werken van de Nieuwe Merwede. Kort daarna werd hij toegevoegd aan de hoofdinspecteur van Rijkswaterstaat, ir. Van der Kun. Met hem maakte hij een dienstreis naar Brussel voor overleg met België over het gebruik van het Maaswater voor de Zuid-Willemsvaart en de irrigatie van landbouwgronden in de Belgische Kempen. Daarnaast werd hij ingezet voor allerlei klusjes, zo werkte hij samen met zijn collega Steuerwald aan de waterpassingen in Rotterdam en Vlaardingen voor het vastleggen van het NAP.

Vanwege zijn trouwplannen wilde hij graag een vaste plaats hebben, en zo werd hij in mei 1859 toegevoegd aan de hoofdingenieur Docters van Leeuwen in Gorinchem. Hij trouwde kort daarop (op 17 augustus 1859 in Delft). Na anderhalf jaar werd hij bevorderd, na een korte periode van vervanging van ir. Pieter Caland in verband met diens verlof en werd hij verantwoordelijk voor de afronding van de verbeteringswerken van de Hollandse IJssel. De werken waren in maart 1864 afgerond en hij werd overgeplaatst naar Zeeland.

Zeeland en Kampen Hij werd in Zeeland verantwoordelijk voor Noord- en Zuid Beveland, met als standplaats Goes. Maar evenals zijn voorganger, mocht hij, wegens gebrek aan een geschikte woning in Goes, zich vestigen in Wihelminadorp. Daar bracht hij een tweetal gelukkige jaren door, en werd zijn 3e en zijn 4e kind geboren. De werkkring was een veel omvattend, want Rijkswaterstaat had een heel breed takenpakket. Alle takken van dienst riepen de hulp in van de Waterstaatsingenieur. Deze bouwde zelfs telegraafkantoren, douanehuisjes, gevangenissen, gerechtsgebouwen en zelf kerken (waterstaatskerk).miniatuur|Gevangenis en rijksHBS (links) in Goes Ook de taak van van Ittersum was heel uitgebreid. Als eigenlijk Waterstaatsingenieur waren het voornamelijk de oeververdedigingen in Zeeland die hem werk verschaften. Niet minder dan vijftien calamiteuze polders stonden onder zijn toezicht. Bovendien werd onder zijn leiding grotendeels de gevangenis te Goes gebouwd. Voor de artesische putboring voor dit gebouw, maakte hij een studiereis naar Brugge, Oostende en Antwerpen, want het was een der eerste van soortgelijke werk in Nederland en voorbeelden ontbraken. Die boring, die tot grote diepte ging, leidde niet tot het gewenste resultaat.

Na twee jaar werd hij weer overgeplaatst, zoals in die tijd gebruikelijk was. Hij ging in 1866 naar Kampen. Het probleem daar was wel het vinden van huisvesting. Fatsoenlijke huurhuizen waren er bijna niet, en een huis kopen is met de frequente overplaatsingen ook niet mogelijk. Er stond overigens ook vrijwel niets te koop. Zo begon met het vertrek naar Kampen voor de familie van Ittersum een aantal omzwervingen door slechte of triestige huizen, die in Zutphen en in Den Bosch werd voortgezet en eerst in Den Haag eindigde.

Ook in Kampen had hij een breed takenpakket. Schokland vroeg aandacht ten aanzien van de zeewering daar. Maar bij het noordelijk arrondissement van Overijssel behoorden toen nog de rivierwerken langs den IJssel en aangezien de provinciale dienst nog niet van de Rijksdienst gescheiden was hoorden daar ook bij de Willemsvaart, het Meppelerdiep en de Dedemsvaart. Vooral op laatstgenoemde vaart werden tijdens zijn kort verblijf belangrijke werken uitgevoerd, schutsluizen werden vernieuwd, de Lutterhoofdwijk en het Ommerkanaal aangelegd, en ten behoeve van de gemeente Genemuiden (de Waterstaat voerde toen ook particuliere werken uit) in de haven van dat stadje een keersluis (de Sas) gebouwd.

Arrondissement Zutphen Met zijn overplaatsing naar het arrondissement Zutphen (noordelijke helft der Veluwe en Graafschap) op 1 oktober 1867 ving het veertienjarig tijdperk aan, waarin het hij al zijn krachten kon wijden aan eenzelfde complex van werken. Hij was Geldersman in hart en nieren, zijn geslacht was Gelders, overal in de provincie woonden bloedverwanten en oefenden er invloed uit. Desondanks verdedigde hij de rijksbelangen met hart en ziel, boven zijn privébelangen. Volgens Tutein Nolthenius had “hij als goed ingenieur nog iets meer dan hart voor zijn werk, hij moet hart en ziel hebben voor de landstreek, waarin en waarvoor hij werkt, en voor welke heeft men dat meer dan voor den geboortegrond ?”

In één opzicht was de dienst anders dan op de vorige standplaatsen. In Gelderland was al vanaf 1865 het beheer over de provinciale werken en het behandelen der provinciale aangelegenheden aan de Rijkswaterstaat onttrokken. Maar verder was er afwisseling genoeg. De eigenlijke Waterstaatsdienst omvatte de rivierwerken langs den IJssel (met de “bakendienst”, de instandhouding van bakens en betonning) van Dieren tot Deventer langs beide oevers, en van Deventer tot Katerveer langs de Gelderse zijde; het Apeldoorns kanaal en een groot aantal Rijkswegen. Verder een groot aantal verspreide viaducten en duikers, die later deels aan de betrokken gemeenten zijn overgedragen. Tijdens zijn verblijf in Zutphen werd het rivierbeheer bij Rijkswaterstaat gecentraliseerd en daardoor verviel van de zorg voor de IJsselwerken (1875). Dat ging ook zo met andere oneigenlijke beheerstaken van Rijkswaterstaat. Zo verviel zijn beheer over de telegraaflijnen en de belastinggebouwen (overgegaan in 1877), de Rijksscholen (1878), en het toezicht op het bouwen van kerken (1880). Maar toch bleef de werkkring druk genoeg, die daarenboven het toezicht op de aanleg van de spoorwegen Amersfoort—Apeldoorn—Zutphen, Zutphen—Winterswijk en de stoomtramweg Dieren—Doesburg—Doetichem omvatte.

Apeldoorns kanaal De toestand bij aantreden