De grot van Tafoughalt, vaak geschreven als Taforalt (Arabisch: مغارة تافوغالت magharat tafughalt) of Grot van de Duiven (Frans: Grotte des Pigeons, Engels: Cave of the Pigeons) is een grot en archeologische vindplaats nabij het gelijknamige dorp in de provincie Berkane, regio Aït Iznasen, Marokko. Het is mogelijk de oudste begraafplaats in Noord-Afrika, en bevatte minstens 34 skeletten van adolescenten en volwassenen uit het Ibéromaurusien, daterend uit de periode van 15.100 en 14.000 jaar geleden. Verder is er archeologisch bewijs dat deze groep tussen 23.200 en 12.600 jaar geleden gebruik maakte van de grot. Ook uit de periode van het Atérien, ongeveer 85.000 jaar geleden, zijn gebruikssporen aangetroffen.
Er is archeologisch bewijs voor bewoning tijdens het Ibéromaurusien evenals voor bewoning tijdens het voorafgaande Atérien, teruggaand tot 85.000 BP.
Beschrijving Menselijke bewoning en natuurlijke processen hebben in de grot een tot 10 m dikke reeks archeologische lagen actergelaten, die dateren van ten minste 85.000 tot 10.000 BP. Deze bewoningslagen omvatten lithische industrieën uit de Middle Stone Age (pre-Atérien en Atérien) en laatpaleolithicum (Ibéromaurusien) plus een ongebruikelijke niet-Levallois-industrie tussen het Atérien en het Ibéromaurusien die dateerde uit circa 24.500 BP.
Bij opgravingen van de lagen uit het Ibéromaurusien daterend van 15.100 tot 14.000 BP zijn tientallen graven gevonden, waarvan sommige bewijs tonen van postmortale verwerking. Sommige tonen mogelijk begrafenisrituelen met dierlijke resten, waaronder hoorns, kaken, een hoef en een tand. De diepe en sterk gelaagde bodem van de grot heeft onder andere haarden, stenen werktuigen en schelpenkralen opgeleverd, naast een verscheidenheid aan artefacten uit verschillende periodes. De droogte van de grot heeft bijgedragen aan het opmerkelijke niveau van conservering van de overblijfselen en artefacten.
Geografie De locatie is omgeven door steile heuvels, rotsachtige bergen en de natuurlijke vegetatie van de thermo-mediterrane biozone, waaronder Tetraclinis articulata en Pinus halenpensis. De hoofdingang van de grot opent zich naar het noordoosten en heeft een oppervlakte van meer dan 400 m2. Tegenwoordig ligt de locatie ongeveer 40 km van de Middellandse Zeekust en op een hoogte van 720 m boven zeeniveau.
Cultuur De oudste lagen dateren van 85.000 tot 82.000 BP en bevatten bewijs van een pre-Atérien-industrie, zonder aanwijzingen voor de Levalloistechniek. De volgende lagen bevatten zijschrabbers, kleine radiale Levallois-kernen en dunne, tweezijdig bewerkte bladvormige punten typerend voor het Atérien. Deze Atérienlagen werden gedateerd van meer dan 40.000 tot ongeveer 32.000 BP, hoewel ander onderzoek heeft uitgewezen dat er tot 25.000 BP een niet-Levallois-industrie op de vindplaats heeft voortgeduurd.
Vanaf ongeveer 21.000 BP overweegde de Ibéromaurusien-industrie, gekenmerkt door microlithische klingen. Deze Ibéromaurusienlagen bevatten microlithische resten, struisvogeleierschalen, mogelijk geritualiseerde primaire en secundaire begrafenissen en een opmerkelijke toename van resten van landslakken, wat duidt op een verandering in de voedingsgewoonten.
Geschiedenis van het onderzoek De grot werd ontdekt in 1908 en opgegraven in 1944-1947, 1950-1955, 1969-1977 en 2003-2018. Veel van de veldgegevens van de eerste opgravingen zijn verloren gegaan. In 1951 ontdekte het team van Jean Roche menselijke resten die verband hielden met het Ibéromaurusien. Bij de opgravingen van Roche werden 10 meter aan archeologische afzettingen aangetroffen, waarvan de bovenste 2 to 3 m het Ibéromaurusien vertegenwoordigden. Dezezelfde stratigrafie werd ook aangetroffen bij latere opgravingen in andere delen van de grot. Vanwege de tientallen skeletten die Roche in de jaren 1950 heeft gevonden en de begrafenissen die zijn gevonden tijdens de opgravingen van Abdeljalil Bouzouggar, Nick Barton en Louise Humphrey die sinds 2003 hebben plaatsgevonden, is de grot van Tafoughalt waarschijnlijk de oudste en meest uitgebreid gebruikte bekende prehistorische begraafplaats in Noord-Afrika.
Stratigrafie miniatuur| Tafoughalt's stratigrafie in sector 8: de gele reeks lijkt grijs omdat een deel van het bovenliggende grijze sediment erop is gedruppeld De stratigrafie in de grot van Tafoughalt, die tot wel 10 m gaat zoals in het geval van Roche's opgravingen, verschilt enigszins over de hele grot, maar volgt een eenvoudig patroon gebaseerd op hun kleur: de grijze reeks ligt boven de gele reeks.
De gele reeks beslaat de periode vanaf het begin van de bewoning van de grot, ongeveer 85.000 BP, tot circa 15.000 BP. Er is een theoretische kloof van 2000 jaar in bewoning tussen 20.000 en 18.000 BP, waarbij deze steriele laag is opgemerkt in sector 8 van Bartons opgravingen, hoewel andere opgravingen nabij de ingang van de grot deze bevinding in twijfel trekken. De gele reeks wordt geassocieerd met Levallois-artefacten van het Atérien, evenals met het vroege Ibéromaurusien.
De bovenliggende grijze reeks dateert van circa 15.000 tot 12.500 BP en is dus in een tijdsbestek van ongeveer 2500 jaar opgebouwd. De grijze reeks, die geassocieerd wordt met het late Ibéromaurusien, wordt gekenmerkt door uitgebreide haarden en houtskoolafzettingen (vandaar de kleur), en bevat alle begrafenissen op de vindplaats. De toegenomen dichtheid aan artefacten en het bewijs van voedselverwerking in de grijze reeks worden gezien als een teken van bewoning het hele jaar door, terwijl de gele reeks wordt gezien als bewijs van seizoensgebonden bewoning met af en toe periodes zonder mensen.
Dateringen Met 67 koolstofdateringen is de grot de meest uitgebreid gedateerde vindplaats uit de Noord-Afrikaanse Middle Stone Age tot laatpaleolithicum. Vanaf de jaren 1960 is het gedateerd met zowel conventionele als versnelde massaspectrometrie, koolstofdatering, Optically Stimulated Luminescence, thermoluminescentie en Uranium-thoriumdatering. Als men alle data bekijkt die bij opgravingen zijn gevonden, dan strekken de bewoningsdata zich uit van 85.000 tot 12.500 BP, met een verschuiving naar sedentaire bewoning rond 15.000 BP. Met behulp van lokale milieugegevens kan men de jaarlijkse gang van de locatie vaststellen, aangezien een groot deel van de moderne vegetatie door de prehistorische bevolking werd gebruikt en een vast seizoensgebonden proces van voedselproductie volgde. De aanwezigheid van plantenresten die in het voorjaar werden verzameld geeft aan dat de grot of de nabije omgeving in dat seizoen bewoond werden. Informatie over de omgevingsomstandigheden tijdens de verschillende fasen van grotbewoning is beschikbaar via zowel houtskool als bewijsmateriaal van kleine zoogdieren. Een opvallend kenmerk van het houtskoolarchief betreft de wisselende aanwezigheid van cederhout in de C-F-reeks. Cedrus groeit momenteel in Marokko alleen op een hoogte van ongeveer 1.300 tot 2.600 m in het Rifgebergte, de Midden-Atlas en de oostelijke Hoge Atlas. De aanwezigheid ervan in het Tafoughalt-bodemarchief benadrukt een significante verschuiving in de vegetatie sinds het Holoceen. In het bijzonder werd de door Barton opgegraven vegetatie in groep E gedomineerd door de aanwezigheid van Cedrus atlantica en bladverliezende Quercus, waarbij de laatste afneemt ten koste van Cedrus. Dit komt overeen met een afkoeling en uitdroging van het milieu die gepaard ging met een verandering naar een bergklimaat. Deze klimaatverandering viel samen met de data die uit groep E zijn gevonden en bevestigden deze.
Vondsten
Artefacten De lithische assemblages die zijn opgegraven in de grot van Tafoughalt weerspiegelden een breed scala aan technologieën en omvatten ongeretoucheerde en geretoucheerde afslagen en microklingen, enkele en tegenover elkaar gelegen platform-microklingkernen, keien, kerfresten, La Mouillah-punten, gerugde microklingen, Ouchtata-microklingen, stompe rugmicroklingen, zijschrabbers, grote bifaciale werktuigen, schelpkralen geassocieerd met bifaciale bladpunten en getande werktuigen geassocieerd met het Atérien, en mogelijke steenpaletten.
Dierlijke resten De dierlijke resten die op de vindplaats zijn gevonden lijken grotendeels voedselafval te zijn, hoewel opgravingen in de jaren 1950, 2000 en 2010 begrafenissen onthulden in verband met antilopehoorns, runderhoorns en minstens één paardentand. De meer sedentaire grijze reeks omvatte een substantieel deel van de landmollusca-resten in combinatie met haarden, wat duidt op een uitgebreide verzameling en bereiding van landslakken. De vroegste lagen van ongeveer 80.000 BP bevatten schelpkralen van Nassarius gibbosulus, maar uit analyse van deze schelpen blijkt dat ze langs de Middellandse Zeekust werden verzameld nadat ze dood waren. Aslenzen uit de Atérien-niveaus rond 80.000 BP bevatten grote Otala punctata die duiden op kleinschalige exploitatie van landslakken vóór de grijze reeks.
Vegetatieresten De plantensoorten die in de grot zijn aangetroffen geven een idee hoe de omgeving eruitzag tijdens de periodes van menselijke bewoning. De verkoolde resten van eikels van de steeneik, pijnboompitten van de zeeden, jeneverbes, terpentijnboom en wilde haver zijn teruggevonden nadat ze waarschijnlijk door de bewoners waren verzameld en verwerkt.
Menselijke resten Sector 10, opgegraven door Humphrey, en de graflagen die in de jaren 1950 door Roche zijn opgegraven, vormden een aaneengesloten en ruimtelijk afgebakend collectief grafgebied met tientallen dicht op elkaar liggende graven. De aanwezigheid van zowel gearticuleerde als losse botten wijst erop dat het grafgebied op grote schaal werd gebruikt en hergebruikt. Er zijn aanwijzingen dat er sprake was van secundaire begraving en selectieve verwijdering van botten, waardoor eerdere begravingen vaak werden verstoord. Sommige begrafenissen werden bedekt met grote stenen om verstoringen door toekomstige begrafenissen te voorkomen. Bij de opgravingen van Roche werd oorspronkelijk geschat dat men de resten van ongeveer 180 individuen had gevonden, maar later onderzoek stelde deze schatting bij tot tussen de 35 en 40 individuen. Roche had deze resten niet direct gedateerd, maar op basis van de stratigrafie kwamen ze uit een grotere diepte en waren dus ouder dan die in sector 10. Bij de recente opgravingen in sector 10 zijn 13 gedeeltelijk gearticuleerde skeletten aangetroffen, samen met een aantal losse botten. Zeven botmonsters uit sector 10 leverden schattingen op van een leeftijd van ongeveer 15.077 tot 13.892 BP, wat overeenkomt met de basis van de grijze reeks-afzettingen die zijn aangetroffen bij opgravingen in sector 8. Begrafenissen die zich aan de voorkant van de grot bevinden en die hoger in de afzettingen liggen zijn waarschijnlijk steeds jonger en komen dus overeen met de hogere niveaus in de grijze reeks-afzettingen die in sector 8 zijn aangetroffen.
Uit de grafvondsten bleek dat er verschillende soorten begrafenisrituelen hebben plaatsgevonden. Bij sommige resten leek het erop dat het om primaire inhumaties ging, terwijl bij andere resten sprake leek te zijn geweest van secundaire inhumatie nadat ze waren verwijderd voor mogelijke rituele praktijken. Bewijs van opzettelijke post-mortem modificatie omvatte snijwonden die niet duiden op kannibalisme en uitgebreide okerkleuring, waarbij één graf, Graf XII, een individu bevatte met zowel snijwonden als okerkleuring op het grootste deel van het bijna intacte skelet. Naast de Ibéromaurusien-graven leverden Roche's opgravingen in de jaren 1950 een enkele onderkaak op uit de Atérien-niveaus.