thumb|Mauriciosaurus fernandezi thumb|Het holotype, nog voor de tweede keer dat het werd geprepareerd en de nek beter blootgelegd

Mauriciosaurus fernandezi is een lid van de Plesiosauria dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Mexico. Er is in 2011 in het noorden van Mexico een fossiel van de soort gevonden, dat zeldzaam veel van de weke delen bewaart zodat het van speciaal belang is voor de wetenschap.

Vondst en naamgeving September 2011 vonden steenwerkers in een groeve in de Plattenkalk ten zuidwesten van Vallecillo in Nuevo León, een Lagerstätte ofwel vondstgebied met zeer gave fossielen, een kalkplaat met het skelet van een plesiosauriër. Het werd veiliggesteld door ingenieur Mauricio Fernández Garza, de burgemeester van San Pedro Garza, die het schonk aan het Museo Papalote Verde in Monterrey. De eerste preparatie was amateuristich uitgevoerd, waarbij botwanden werden weggeschraapt. De plaat werd verder geprepareerd waarbij vooral de nek beter blootgelegd werd. Al snel bleek dat een groot deel van de weke delen bewaard was gebleven, meer dan bij enig ander bekend fossiel van een plesiosauriër, zodat de vondst van groot wetenschappelijk belang was. Experts werden uit alle werelddelen uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan de studie naar het unieke exemplaar. Het onderzoek werd financieel ondersteund door de Deutsche Forschungsgemeinschaft.

In 2017 werd de typesoort Mauriciosaurus fernandezi benoemd en beschreven door Eberhard Frey, Eric W.A. Mulder, Wolfgang Stinnesbeck, Héctor E. Rivera-Sylva, José Manuel Padilla-Gutiérrez en Arturo Homero González-González. Zowel de geslachtsnaam als de soortaanduiding eren Mauricio Fernández Garza. De Life Science Identifiers zijn DF54BB6D-73DE4BEC-8723-A9B7B4A888B9 voor het geslacht en 8D331E82-25B54E81-98F8-AFE7086E7693 voor de soort.

Het holotype, INAH CPC RFG 2544 P.F.1, is gevonden in een laag van de Agua Nueva-formatie die dateert uit het Cenomanien-Turonien. Het fossiel is ongeveer drieënnegentig miljoen jaar oud en komt uit een tijd dat het zuurstofniveau van de zeeën zeer laag was. Hoewel het inventarisnummer de collectie van het Instituto Nacional de Antropología e Historia registreert, wordt het stuk in het Museo del Desierto in Saltillo bewaard. Het holotype bestaat uit een vrijwel volledig skelet met schedel, platgedrukt op een kalkplaat die in achtentwintig stukken is gebroken. Het wordt van de onderzijde bezien. Slechts een stuk van het linkerravenbeksbeen, een stuk buikholte links voor het linkerschaambeen, het uiteinde van de rechtervoorvin, een fragment in het midden van de rechterachtervin en de staartpunt gingen verloren toen de steenwerkers de plaat loskapten. Het skelet ligt volledig in verband. Veel van de weke delen zijn bewaard gebleven, in een contour rond het lichaam, waaronder resten van de huid. Het betreft een jong dier.

Beschrijving thumb|Het holotype en de volwassen vorm in grootte vergeleken met een mens

Grootte en onderscheidende kenmerken Het holotype is een dier van ongeveer 190 centimeter lengte. De breedte over de voorvinnen gemeten is 115 centimeter. Dat waren niet de maximale afmetingen van het taxon: het individu was nog onvolgroeid. De volwassen grootte is onzeker; sommige polycotyliden werden zeven meter lang. De beschrijvers gingen ervan uit dat de helft van de grootte al bereikt was, wat een volwassen lengte van drieënhalve à vier meter zou inhouden.

De beschrijvers stelden enkele onderscheidende kenmerken vast. Een daarvan is een autapomorfie, een unieke afgeleide (nieuwe) eigenschap. De gastralia of buikribben groeien naar elkaar toe op de middenlijn van de buik, een middelste plaatvormige structuur scheppend. Dergelijke structuren zijn verder van de Polycotylidae onbekend. Wel heeft de plesiosauriër Cryptoclidus een gelijkende structuur maar die is in details anders.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De gebruikelijke bordvormige deuken in de onderkant van de pterygoïden van het verhemelte beperken zich tot de voorste helft van die botten. De deuken lopen naar achteren open uit, versmeltend met een relief van opvallende richels die een W vormen welke de achterste helft van het hoofdlichaam van het pterygoïde bedekt. Polycotylus toont een overeenkomende structuur maar die van Mariciosaurus is complexer.

De staafvormige voorste takken van de pterygoïden verbreden zich samen met de ploegschaarbeenderen tot driemaal de breedte van de achterste bases van die takken. De achterste holten tussen de pterygoïden zijn smal, een in de lengterichting gelegen ovaal vormend die vooraan licht verbreed is.

Het voorvlak van het parasfenoïde is diep uitgehold terwijl het middendeel van dat bot holle zijranden bezit en de voorste tak gevorkt is zonder een spoor van een uitstulping daartussen. Iedere bovenkaakhelft, dus links en rechts, draagt het vrij hoge aantal van tweeënveertig tanden. Met de bovenkaak wordt de combinatie van de praemaxilla en het bovenkaaksbeen bedoeld en het aantal is geschat op basis van de lengte van de kaak.

De ravenbeksbeenderen hebben geen achterste of middelste perforaties. Dat is normaal voor jonge plesiosauriërs, maar de beschrijvers namen aan dat het dier al zover was gegroeid dat men althans een begin van doorboring mocht verwachten als perforaties een kenmerk waren van het volwassen dier.

De kootjes van de derde vinger zijn langwerpig, 1,77 maal langer dan breed, meer dan het polycotylide gemiddelde van anderhalf.

Skelet Kop De schedel is niet heel goed bekend doordat de kop alleen van onderen direct zichtbaar is en er daarnaast wat beschadigingen zijn. De snuit is gewrongen, sommige stukken zijn platgedrukt en van de linkerhelft is het middendeel alleen als natuurlijk afgietsel bewaard. De snuit is spits en taps toelopend, met een tongvormige smalle punt. Er zijn minstens vier premaxillaire tanden en minstens tweeëndertig maxillaire. De rest van de bovenste botten is nauwelijks bestudeerd op het parasfenoïde van de onderste hersenpan na. Van het verhemelte heeft vooral het pterygoïde aparte kenmerken. De voorste holte tussen de pterygoïden is verreweg de grootste opening in het verhemelte. Wellicht fungeert het als een intern neusgat dat lucht uit de externe neusgaten doorliet in de keelholte.

In de onderkaken maken de dentaria een hoek van 10° met elkaar. De dentaria beslaan ongeveer de voorste helft van de symfyse van de onderkaken; de achterste helft wordt gevormd door de splenialia.

Alle tanden zijn zo'n viermaal langer dan breed. Ze zijn kegelvormig met iets naar achter gekromde spitsen. De mislukte eerste preparatie beschadigde het glazuur zo zwaar dat niets gezegd kan worden over de ornamentering.

Postcrania De wervelkolom omvat eenentwintig halswervels — een laag aantal voor polycotyliden, drieëntwintig rompwervels, inclusief de sacrale wervels, en minstens vijftien staartwervels, maximaal vijfentwintig. De nek is relatief kort en de halswervels zijn anderhalf maal breder dan lang. De eerste tot en met twaalfde halswervel hebben lengterichels op de onderzijde. Die veranderen van de dertiende wervel af abrupt in een trog: bij de achttiende wervel wordt die even abrupt weer een richel, tussen de foramina centralia, de grote aderopeningen die dienen om caissonziekte bij het opstijgen te voorkomen. De middelste wervels hebben ook een systeem van secundaire gewrichtsuitsteeksels van het hyposfeen-hypantrum-type. Alle wervels zijn ingesnoerd in plaats van strak cilindervormig.

Er zijn zes smalle buikribben, gastralia, die ieder weer in segmenten, "ossicles" genoemd in het artikel, verdeeld zijn. De indeling daarvan is uniek en verwonderde de beschrijvers die haar als "raadselachtig" typeerden. Het eerste gastrale heeft twee centrale segmenten die aansluitend voor elkaar liggen. Het achterste segment wordt overlapt door het centrale segment van het tweede gastrale dat meteen het centrale segment van het derde gastrale vormt. Het vierde gastrale is het enige met een normale indeling zij het dat dit met een uitloper aan het centrale segment het derde gastrale raakt. Het vijfde en zesde gastrale delen een centraal segment dat weer het vierde gastrale raakt. De zo in totaal vijf achter elkaar liggende centrale segmenten vormen een gesloten schild, van voor naar achter smal. Wat de situatie nog verder compliceert is de indeling van de buitenste gepaarde segmenten. De eerste buikrib heeft twee paren, de tweede en derde vier en de vierde rib drie. De vijfde rib heeft vijf paren. Die liggen niet alle op een rij zoals bij de andere ribben maar de binnenste drie zijn met hun zijden in de lengterichting van het lichaam geplaatst, de buitenste takken van het centrale segment verbredend. De zesde rib heeft twee paren net als de eerste.

Opperarmbeen en dijbeen zijn aan hun distale uiteinden afgerond, dus zonder facet voor het contact met de epipodia. Het opperarmbeen heeft geen verbrede binnenhoek achter de kop. De hoofdbeenderen van de onderarm en het onderbeen, breder dan lang, zijn afgerond en missen een foramen tussen de ellepijp en het spaakbeen of het scheenbeen en het kuitbeen. Boven en achter het kuitbeen bevinden zich twee extra, "boventallige", onderbeenbotten. Ze hebben de vorm van grote beenschijven. De hand en de voet zijn lang en smal. Er zijn vijf vingers en vijf tenen. De formule van de vingerkootjes is 9-12-11 (minstens)-12 (minstens)-11. De tweede en vierde vinger zijn het langst. De formule van de teenkootjes is 6 (minstens)-12-14-14-11. De vierde teen is het langst.

Weke delen

Het fossiel, vermoedelijk doordat het wegzonk in een zuurstofloze laag kalkmodder, bewaart vele weke delen waaronder huidresten. Dat is uitzonderlijk doordat plesiosauriërs vermoedelijk een dunne huid bezaten met dunne hoornschubben op een dikke laag huidvet. Als dat laatste verging, trok het de huid kapot die dan niet geconserveerd werd. Het holotype zonk kennelijk op de rug in de modderlaag. De vetlaag moet verzeept zijn in lijkenwas, een stof die zich vormt in zuurstofloze omstandigheden bij een temperatuur tussen de 21 °C en 37 °C. Dit beschermde de huid van de rug; die op de buik ging verloren.

Er zijn vijf hoofdtypen. Het eerste type bestaat uit zwart glanzend materiaal dat beperkt blijft tot de bovenwand van de rompholte. Het is voor een deel volledig amorf, dus structuurloos maar ook wel in meer of mindere mate korrelig. Soms zijn er fijne groeven in te zien. Het bedekt de binnenwand van de ribben, de ruimten tussen de ribben, en de onderzijden van de wervellichamen. De bovenzijden van de ribben noch de buikribben zijn ermee bedekt. Het materiaal is vooral dik aan de rechterzijde van het lichaam. Er zijn twee verklaringen geopperd voor de substantie. In de eerste plaats zou het kunnen gaan om teer dat gevormd werd toen de darmen vergingen onder zuurstofloze omstandigheden. Een tweede mogelijkheid zou kunnen zijn dat het de resten zijn van een door melanocyten, zwart gekleurde organellen, gepigmenteerd buikvlies. In het eerste geval zou men verwachten dat de vloeistof zich concentreerde in de bovenste ribbenkast, maar die blijkt gelijkelijk te zijn verdeeld. Daarom dachten de beschrijvers dat het om het buikvlies ging dat ook bij veel moderne dieren die een woestijn of een hooggebergte bewonen zwaar gepigmenteerd is als bescherming tegen het diep indringende ultraviolet licht waarvan plesiosauriërs ook last zouden kunnen hebben als ze aan het opperlak zwommen. Overigens hebben veel huidige hoenders en vissen ook een zwart buikvlies, maar de functie daarvan is niet bekend. Om de hypothesen te toetsen werd het de onderzoekers toegestaan een minuscuul stukje van de stof te toetsen via Energy-dispersive X-ray spectroscopy (EDAX). De test toonde het typische absorptiespectrum van goethiet, een mineraal dat precipiteert onder zuurstofloze omstandigheden bij een temperatuur van 25 °C.