Het Palais de la Cité is een voormalig koninklijk paleis in het centrum van de Franse hoofdstad Parijs, gelegen op het Île de la Cité. Het paleis was van de zesde tot de veertiende eeuw de residentie van de koningen van Frankrijk. Daarna kreeg het steeds meer andere functies, onder andere als gevangenis. Tot de Franse Revolutie was het de zetel van het Parlement van Parijs, het hoogste rechtscollege in het koninkrijk Frankrijk. In de negentiende eeuw werd het gebouwencomplex grotendeels vernieuwd. Het werd daarna aangeduid als Palais de Justice.
Het paleis werd in de loop der eeuwen vele malen verbouwd en herbouwd, onder andere na grote branden in 1618, 1776 en 1871. Enkele oude torens werden in de negentiende eeuw opgenomen in de nieuwbouw van het Paleis van Justitie. De belangrijkste middeleeuwse overblijfselen zijn de Sainte-Chapelle, een meesterwerk van gotische bouwkunst, en de Conciergerie, van 1380 tot 1914 in gebruik als gevangenis, thans een museum.
Geschiedenis Romeinse tijd en vroege middeleeuwen Al in de Gallo-Romeinse periode deden zich de eerste stedelijke ontwikkelingen voor op het Île de la Cité, het eiland in de Seine. Terwijl het zwaartepunt van de Gallo-Romeinse nederzetting Lutetia op de linkeroever van de Seine lag, stond er aan de oostkant van het eiland, waar nu de kathedraal van Notre Dame staat, een grote tempel. In het westelijke deel van het eiland, op de plaats van het later Palais de la Cité, stond het 'paleis' van de Romeinse prefect, dat de vorm had van een Gallo-Romeins fort omringd door wallen.
Vanaf de zesde eeuw gebruikten de koningen van de Franken dit fort als palts wanneer ze in Parijs verbleven. Clovis, een Frankische koning uit de Merovingische dynastie, bewoonde de palts van 508 tot aan zijn dood in 511. Latere koningen (de Karolingen) verplaatsten de hoofdstad naar Aken en besteedden weinig aandacht aan Parijs. Aan het einde van de negende eeuw, na een reeks aanvallen door de Vikingen, liet koning Karel de Kale de muren van de palts herbouwen en versterken. Hugo Capet (941-996), de graaf van Parijs, werd op 3 juli 987 tot koning van Frankrijk gekozen en woonde in de palts als hij in Parijs was, maar hij en andere koningen uit het huis Capet gaven meestal de voorkeur aan hun koninklijke residenties in Vincennes, Compiègne en Orléans.
Hoge middeleeuwen Robert de Vrome, de zoon van Hugo Capet, die regeerde van 996 tot 1031, verbleef vaker in Parijs. Hij bouwde de oude vesting uit tot een echt paleis, een rechthoekig bouwwerk van 130 × 110 m met versterkte muren en poorten. Binnen de muren bevond zich de Salle de Roi, de vergaderzaal voor de Curia Regis (koninklijke raad). Ten westen daarvan bouwde hij zijn eigen residentie, de chambre de Roi. Tot slot bouwde hij een kapel gewijd aan Sint-Nicolaas.
In de twaalfde eeuw werd het complex verder uitgebreid door Lodewijk VI, met de hulp van zijn vriend en bondgenoot, abt Suger van de Abdij van Saint-Denis. Lodewijk VI voltooide de kapel van Sint-Nicolaas, verving de oude donjon door een nieuwe, de Grosse Tour ("dikke toren"), met een doorsnede van 11,7 m en drie meter dikke muren. De toren werd in 1776 gesloopt. Zijn zoon, Lodewijk VII, vergrootte het paleis verder en voegde een kapel toe, die later opgenomen werd in de Conciergerie. De ingang van het paleis, met een ceremoniële trap, bevond zich in die tijd al aan de oostkant, aan de nog bestaande Cour du Mai. Op de westelijke punt van het eiland bevond zich een ommuurde tuin en boomgaard.
Filips II van Frankrijk (Filips Augustus) vestigde de koninklijke archieven, de schatkist en de rechtbanken in het Palais de la Cité. Parijs was nu de onbetwiste hoofdstad van Frankrijk. In 1187 verwelkomde hij de Engelse koning Richard Leeuwenhart in zijn paleis. De rechtbankverslagen uit die tijd vermelden de instelling van een nieuw functie, de concierge, die toezicht moest houden op de lagere en middenklasse rechtbanken die in het paleis gevestigd waren. Dit deel van het paleis werd later naar deze functie Conciergerie genoemd. Filips Augustus verbeterde tevens de kwaliteit van leven door de modderige straten rond het paleis te laten bestraten met keien, de eerste geplaveide straten in Parijs.
Lodewijk IX, later bekend als Lodewijk de Heilige, bouwde tussen 1242 en 1248 op de plaats van de oude Sint-Nicolaaskapel een nieuwe kapel om te laten zien dat hij niet alleen koning van Frankrijk was, maar ook de leider van de christelijke wereld. In de Sainte-Chapelle werden de relikwieën bewaard die hij in 1238 in Constantinopel had verworven van Boudewijn II, keizer van het Latijnse Keizerrijk. Daaronder bevonden zich de vermeende doornenkroon en delen van het kruis van Jezus. De kapel had twee niveaus: beneden was voor de paleisdienaren; boven voor de koning en zijn familie. De bovenkapel was door middel van een overdekte loopbrug, de Galerie mercière, verbonden met de koninklijke residentie (H op de plattegrond hiernaast). Naast de kapel lag de sacristie, waar de koninklijke charters werden bewaard (V).
Lodewijk IX creëerde ook verschillende nieuwe instellingen om de financiën, administratie en het rechtssysteem van zijn in omvang groeiende koninkrijk te beheren. Al deze nieuwe instellingen kregen onderdak in het paleis, wat tot conflicten leidde. Om ruimte te maken voor de chanoines (reguliere kanunniken, die sommige van deze instellingen beheerden), liet hij de zuidelijke muur van het paleis slopen en vervangen door woningen. Aan de noordkant van het paleis, net buiten de Tour Bonbec en direct aan de Seine, bouwde hij een nieuwe ceremoniële zaal, de Salle sur l'eau (U).
Filips IV, koning van 1285 tot 1314, geassisteerd door zijn kamerheer Enguerrand de Marigny, herbouwde, vergrootte en verfraaide het paleis. Aan de noordkant onteigende hij land dat toebehoorde aan de hertogen van Bretagne en bouwde nieuwe onderkomens voor de Chambre des Enquetes, die toezicht hield op het openbaar bestuur, en de Grand-Chambre, een ander hooggerechtshof. hij voegde twee nieuwe torens toe, de Tour Cesar en de Tour d'Argent (B), evenals een galerij die het paleis verbond met de Tour Bombec. De koninklijke kantoren gaven hun namen aan diverse kamers in het paleis. Zo was er de Chambre des Comptes ("rekenkamer", M), waar de schatkist van het koninkrijk werd beheerd. De rechtbanken waren verdeeld tussen de Chambre civile en de Chambre criminelle.
Op de plaats van de oude Salle de Roi bouwde Filips IV een veel grotere en rijker versierde vergaderzaal, de Grand-Salle, een dubbelschepige ruimte, gedekt door twee houten gewelven, ondersteund door acht zuilen versierd met polychrome beelden van de koningen van Frankrijk. In het midden van de zaal stond een enorme tafel van zwart Duits marmer, gebruikt voor banketten, het afleggen van eden en andere officiële functies.Een fragment van de tafel bestaat nog en is te zien in de Conciergerie. De Grand-Salle werd soms gebruikt voor theatervoorstellingen. De nog bestaande verdieping onder de Grand-Salle bevatte de Salle des Gardes voor de soldaten die de koning beschermden, evenals de eetkamer voor het paleispersoneel, inclusief officieren, klerken, hofbeambten en dienaren. Ambtenaren van het hooggerechtshof hadden hun eigen huizen in de stad, terwijl lagere ambtenaren en dienaren in het paleis woonden. De hofhouding van Filips IV telde ongeveer driehonderd personen. Inclusief de dienaren van de koningin en de prinsen en prinsessen waren dat er ongeveer zeshonderd.
Filips herbouwde tevens de zuidelijke muur en verplaatste de oostelijke muur om de ceremoniële binnenplaats te vergroten. Hij restaureerde de Salle sur l'eau, breidde de koninklijke residentie naar het zuiden uit, bouwde een nieuw gebouw voor de Chambre des Comptes en breidde de ommuurde tuin uit aan de westkant van het eiland, waar nu de Place Dauphine ligt. Daar lag ook een badhuis, waar de koning kon baden in de rivier, en een aanlegsteiger, vanwaar de koning per boot naar zijn andere bezittingen kon varen, het Louvre op de rechteroever en de Tour de Nesle op de linkeroever. Hij stierf in 1314 toen de werkzaamheden bijna waren voltooid.
Late Middeleeuwen Filips' opvolgers uit het huis Valois breiden het paleis verder uit. Jan II bouwde omstreeks 1353 op de noordoosthoek een vierkante klokkentoren, de nog bestaande Tour de l'Horloge.
De Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk ging niet ongemerkt voorbij aan het paleis. Jan II werd in 1356 gegijzeld door de Engelsen. In 1358 kwam de deken van het Parijse koopliedengilde, Etienne Marcel, een van de machtigste burgers van Parijs, in opstand tegen het koninklijk gezag. Zijn soldaten vielen het paleis binnen en doodden in aanwezigheid van de kroonprins, de toekomstige Karel V, twee raadsheren van de koning, Jean de Conflans en Robert de Clermont. De opstand mislukte en Marcel werd ter dood gebracht, maar toen Karel V in 1364 de troon besteeg, besloot hij zijn residentie te verplaatsen naar een locatie op veilige afstand van het stadscentrum. Hij bouwde het Hôtel Saint-Pol in de toen nauwelijks bebouwde wijk Le Marais, dicht bij het fort Bastille Saint-Antoine. Later werden het Louvre en daarna het Kasteel van Vincennes de geprefereerde koninklijke residenties.
De Franse koningen gaven het Palais de la Cité echter niet helemaal op. Bepaalde ceremonies bleven plaatsvinden in de Grand-Salle, evenals recepties van buitenlandse monarchen en zittingen van het Parlement van Parijs (waarvan de koning voorzitter was). Ook bleven de koningen de heilige relikwieën in de Sainte-Chapelle hun bijzondere verering schenken. Tot in de zestiende eeuw verbleven sommige koningen langdurig in het paleis. Niettemin was de belangrijkste functie van het paleis een administratieve en juridische geworden: het beheer van de schatkist en de koninklijke rechtspraak. Daarnaast waren delen van het paleis al vanaf de veertiende eeuw in gebruik als gevangenis. In de vijftiende eeuw was het Palais de la Cité een van de grootste gevangenissen van Parijs. De ingang van de gevangenis bevond zich aan de Cour du Mai, vernoemd naar de meiboom die de klerken van het paleis daar traditioneel elke lente plaatsten. De gevangeniscellen en martelkamers bevonden zich in de kelders van het paleis en in de torens. Gevangenen werden er zelden lang vastgehouden. Zodra het oordeel was geveld, werden ze kort naar de voorhof van de Notre-Dame gebracht om hun bekentenis te laten horen en vervolgens naar de Place de Grève voor de executie.
Bekende gevangenen die in het paleis werden vastgehouden zijn: Enguerrand de Marigny (±1260-1315), kanselier van Filips IV, die toezicht hield op de bouw van een groot deel van het paleis, beschuldigd van corruptie door de opvolger van de koning, Lodewijk X; Gabriel de Lorges, graaf van Montgomery (1530-1574), wiens lans Hendrik II dodelijk verwondde tijdens een toernooi, en die later werd beschuldigd van het bepleiten van religieuze hervormingen en ongehoorzaamheid aan koning Karel IX; François Ravaillac (1578-1610), de moordenaar van Hendrik IV; Marie-Madeleine de Brinvilliers (1630-1676), een beroemde gifmengster; Louis-Dominique Cartouche (1693-1721), een bandiet en bendeleider; Robert François Damiens (1715-1757), een paleisbediende die Louis XV probeerde te vermoorden; Jeanne de Valois-Saint-Rémy (1756-1791), gravin de la Motte, oplichtster.De gravin de la Motte was de centrale figuur in de beruchte Affaire van het diamanten halssnoer, een complot om Marie Antoinette op te lichten. Ze werd in de Conciergerie vastgehouden, gegeseld, gebrandmerkt met een V voor Voleur (dief), vervolgens overgebracht naar de gevangenis van Salpêtrière voor een levenslange gevangenisstraf, maar ontsnapte een paar maanden later.
Vroegmoderne tijd