Simon Hendrik Frijkenius (Utrecht, maart 1747 - Batavia, 6 juni 1797) was een Nederlandse marineofficier. In 1791 werd hij benoemd als een van de vier commissarissen-generaal van de VOC die in Batavia voorstellen moest doen tot 'redres' van de vervallen staat van de Compagnie.
Marine miniatuur|Boeg van de Beschermer. Simon Frijkenius was een zoon van Lambertus Bernhardus Frijkenius, schepen en burgemeester van Wijk bij Duurstede, en Anna Catharina Rademaker. Zijn precieze geboortedatum is niet bekend, alleen dat hij gedoopt werd op 28 maart 1747 in Utrecht. Na een opleiding tot marineofficier diende hij vanaf 1774 voor de Admiraliteit van het Noorderkwartier in eskaders op de Middellandse Zee en in West-Indië. In 1776 werd hij luitenant. In november 1780 trouwde hij met de twee jaar jongere Anna Elizabeth Hooft uit Bunnik, met wie hij twee kinderen kreeg: een dochter (Anna, 1781) en een zoon (Jan, 1783).Jan Frijkenius werd kanunnik in het kapittel van de Sint-Salvatorkerk, maar overleed op zijn 24e. In december 1785, inmiddels luitenant-kolonel en kapitein-ter-zee, kreeg hij het bevel op het linieschip Beschermer in het naar Oost-Indië vertrekkende eskader van kapitein-commandeur Willem Silvester,Willem Silvester diende als kapitein van de Valk op konvooien in de Middellandse Zee en West-Indië. Hij was in 1779 onder schout-bij-nacht Lodewijk van Bylandt betrokken bij het Treffen tussen Fielding en Van Bylandt bij het eiland Wight. dat verder bestond uit het linieschip Holland (met Silvester), de fregatten Amphitrite, Ceres en de kleinere Scipio.De schepen van het eskader: Holland, 68 kanonnen (Willem Silvester), Beschermer, 54 kanonnen (Simon Frijkenius), Amphitrite, 36 kanonnen (Franciscus Wierts), Ceres, 36 kanonnen (Anastasius van der Halm), Scipio, 20 kanonnen (Engelbert Lucas). In mei 1786 volgden nog de Hoorn, 26 kanonnen (Jan Drillinger), Lynx, 12 kanonnen (Frederik Meurer) en de Pijl, 16 kanonnen (Jan May). Het eskader diende ter aflossing van het twee jaar tevoren vertrokken eskader van Jacob Pieter van Braam dat Riouw had veroverd op de Boeginezen. Het hoofddoel van de eskaders was het beschermen van de VOC-vestigingen tegen de opdringende Britten en het herstellen van het door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog geschonden imago van de VOC bij de inheemse vorsten.
Eskader naar Oost-Indië
Verovering van Mampawa miniatuur|Borneo in Zuidoost Azië. De reis begon met tegenslag. De Amphitrite liep grote vertraging op en de Holland leed vlak bij Kaapstad schipbreuk op een rif. De 450 opvarenden konden op 8 na gered worden en de weg naar Kaapstad lopend vervolgen. Silvester kwam bij Frijkenius aan boord, zodat er op de Beschermer twee kapiteins op één schip waren. Eind december 1786 arriveerde het eskader in Batavia. Aangevuld met andere schepen vertrok een deel naar de Molukken om daar de reputatie van de Compagnie op te vijzelen, terwijl Silvester met drie marineschepen en drie kleinere VOC-schepen in maart naar het vorstendom Mampawa aan de westkust van Borneo ging, waar de aan Van Braam ontsnapte Boeginees radja Ali en zijn medestanders naar toe waren gevlucht. De stad Mampawa lag een eindje landinwaarts aan de rivier. Vanwege ondiepten en strategisch geplaatst geschut kon er geen landing worden uitgevoerd. Silvester stond op het punt terug te keren, maar het kleinere fregat Hoorn kon dicht genoeg naderen om enkele beschietingen te doen. Onverwacht gaf de vorst, panembahan Adiwijaya Kusuma, het toen al snel op en nam met de Boeginezen de wijk naar het binnenland. Silvester gaf namens de Compagnie Mampawa te leen aan de zoon van de sultan van het nabij gelegen Pontianak, dat de aanval gesteund had met 23 vaartuigen en een kleine 600 man. Zo werd Sjarief Kasim Alkadrie van Pontianak panembahan van Mampawa.
Herovering van Riouw miniatuur|Vaartuig van de Ilanon. Pas in augustus was het eskader, door hitte en ziekte geteisterd, terug in Batavia. Daar bleek dat in mei Riouw weer verloren was gegaan aan de beruchte Ilanun zeerovers uit Mindanao, bondgenoten van radja Ali, en dat Malakka bedreigd werd. Het ging om een vloot van 42 Ilanun oorlogsvaartuigen.De vaartuigen van de Ilanun waren tot 30 meter lang, met twee of drie masten met zeilen en een stuk of 60 roeibanken met daaraan gekluisterde slaven als roeiers. Een vaartuig had 70 tot 80 krijgers aan boord, en een grote voorraad schiet- en steekwapens en levensmiddelen. Het voorste gedeelte was versterkt, met een opening in het midden voor een kanon. Gouverneur-generaal Alting en de Raad van Indië haalden Silvester over om Riouw terug te veroveren.De Raad schreef aan Silvester: 'Gij zijt te zeer bekend met den zwakken staat, waarin wij doorgaans hier dobberen, en dat de tegenwoordige staat der Maatschappij niet geschikt is om toereikende maatregelen te beramen tot krachtige uitrustingen ter zee, waar van men zich met eenig vooruitzigt van een voorspoedig gevolg tot verdrijving of vernieling van dat groote aantal rooversvaartuigen, zou kunnen vleijen.' – P.J. Veth (1854), Borneo's Wester-afdeling. Deel 1, Joh. Noman en Zoon, p. 350. Het hele eskader, aangevuld met Compagnie-schepen, voer toen naar Malakka. In december werd Riouw zonder tegenstand weer in bezit genomen.Toen in 1795 Malakka aan de Britten werd overgedragen lieten zij Riouw links liggen, zodat radja Ali er terug aan de macht kwam. De zeerovers waren verdwenen en de jonge sultan Mahmoed Sjah III, die zijn vredesverdrag met Van Braam niet was nagekomen, was gevlucht naar Johor.
Terugkeer miniatuur|De forten op Riouw. Silvester stierf in februari 1788 in Malakka aan waterzucht, waarna het bevel overging op Frans Wierts van de Amphitrite. Hij was de oudste in rang. Silvester schreef vlak voor zijn dood voor de Raad van Indië een rapport over de expeditie, waarin hij niet alleen klaagde over de zware tol die het klimaat, voedsel- en watergebrek en tropische ziektes hadden geëist, maar ook over de 'onheelbaren twist' tussen hem en Frijkenius. De schepen, met een aanzienlijk verlies aan manschappen, keerden in de loop van 1789 verspreid weer terug naar Nederland.
De eskaders van Van Braam, Silvester, en nog een derde onder Anthony Staringh in 1789, kostten de VOC en de staat miljoenen guldens. De imposante oorlogsschepen gaven veel aanzien, maar de eskaders leverden behalve reputatiewinst niet zo veel op. Ondanks de verovering van het 'smokkelnest' Riouw gingen de tinsmokkel en de zeeroverij gewoon door, en de tinhandel van de VOC verbeterde niet of nauwelijks.
De Commissie-Generaal miniatuur|280x280px|Gouvernementsgebouwen in Batavia. Als gevolg van vooral de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog had de VOC op het eind van de 18e eeuw te kampen met grote verliezen. De drie en een half jaar oorlog had de Compagnie 30 miljoen gulden gekost. Medio 1784 had zij een schuld van 55 miljoen gulden. De voornaamste schuldeisers waren de Staten-Generaal. In 1788 verstrekten ook de Staten van Holland een lening van 21 miljoen gulden, met de opdracht flink te bezuinigen op het bestuursapparaat en op alle uitgaven die niet per se nodig waren voor de handel. Daarna volgden nog meer leningen. Een Commissie van Politicq Insien moest er toezicht op houden. Het haalde weinig uit. In 1790 werd de Hollands-Zeeuwse Staatscommissie opgericht,De leden van de Commissie van Politicq Insien: G.J. Doys van der Does, P.H. Van de Wall, J. Rendorp en H. Van Stralen, werden hiervoor aangevuld met twee Zeeuwse leden: J.H. Schorer en D.P. De Mauregnault. die voor het eerst in de geschiedenis van de VOC de staat medezeggenschap gaf over het compagniesbedrijf en controle over de besteding van de leningen.
De eerste advocaat van de VOC, Sebastiaan Nederburgh, stelde voor de activiteiten van de VOC te beperken tot de meest winstgevende producten (met name de specerijen) en de handel verder vrij te geven aan particulieren, ook met hun eigen schepen. De Staten-Generaal besloten in 1791 een commissie-generaal, ook wel Hoge Commissie genoemd, naar Batavia te sturen met de taak de gehele boekhouding door te lichten, corruptie te bestrijden en vernieuwende voorstellen te doen voor het verlagen van de uitgaven en het verhogen van de inkomsten. Naast Nederburgh werd Frijkenius benoemd. Bovendien zou hij commandeur van de zeemacht in Indië worden en moest hij deze reorganiseren. In Batavia zouden ze aangevuld worden door gouverneur-generaal Willem Alting en directeur-generaal Hendrik van Stockum.Hendrik van Stockum (1739-1793) ging op 15-jarige leeftijd als scheepsjongen naar Indië. In 1789 werd hij directeur-generaal, de op één na hoogste functie bij de VOC in Azië. De laatste kwam juni 1793 te overlijden en werd vervangen door Willem Jacob van de Graaff, op dat moment gouverneur van Ceylon. Alting werd in de Nederlandse patriotse pers beschuldigd van het vestigen van een 'despotieke familieregering' in Batavia. Zijn vijf schoonzonen hadden mooie posities gekregen met veel mogelijkheden om zich te verrijken. Hij was dus zowel lid als subject van onderzoek van de commissie-generaal, maar had een grote informatievoorsprong. Alleen Frijkenius was eerder in Indië geweest, met Silvesters eskader, en zal Alting daar waarschijnlijk ontmoet hebben.
Kaap de Goede Hoop miniatuur|300x300px|De Kaap kolonie in 1795.