De Inheemse oorlog in Suriname (1678-1686) (ook aangeduid met Indiaanse oorlog of Rode oorlog) was de strijd van een aantal samenwerkende inheemse volken in de kolonie Suriname tegen de Europese kolonisten en het koloniale bestuur.

De inheemsen streden tegen de aantasting van hun leefgebieden door de vestiging van plantages en tegen de gedwongen tewerkstelling van slaafgemaakte inheemsen door plantage-eigenaren en het gouvernement. De belangrijkste inheemse volken waren de Karaïben (Kari'na), de Arowakken (Lokono) en de Warau. De Karaïben vormden de grootste bevolkingsgroep en de twee belangrijkste inheemse leiders in de oorlog, Kaaikoesi en Priary, waren Karaïben. Hun tegenpartij in de strijd bestond uit paramilities van de plantage-eigenaren en militairen van het gouvernement.

De oorlog leidde bijna tot het einde van de kolonie. Gouverneur Johannes Heinsius slaagde erin om de samenwerking van de inheemse partijen te doorbreken en de volken die aan de Corantijn en de Marowijne woonden aan zich te binden. Daardoor konden de aanvallen van het gouvernement worden geconcentreerd op de Karaïben in het centrale plantagegebied. Tijdens de oorlog wisten veel Afrikaanse slaafgemaakten te ontsnappen, de zogeheten marrons. Ze werden opgevangen in de dorpen van de inheemsen. Onder aanvoering van Ganimet sloten de marrons zich aan bij de strijd van de inheemsen en speelden daarin een steeds belangrijkere rol.

De inheemse oorlog eindigde met het Vredesverdrag van 1686. De Karaïben, de Arowakken en de Warau bedongen dat zij niet meer als slaaf mochten worden verkocht. Zij werden tot vrije inwoners verklaard; alleen als zij een misdaad hadden begaan mochten ze tot slaaf worden gemaakt. Zij kregen de vrijheid om zich overal in de kolonie te vestigen.

Suriname na de machtsovername in 1667 thumb|150px|left|Titelpagina van de uitgave waarin de verovering van Suriname in 1667 door Abraham Crijnssen wordt beschreven. Abraham Crijnssen voer op 25 februari 1667 in opdracht van de Staten van Zeeland de Surinamerivier op om de Engelse kolonie Suriname te veroveren. De kolonie was onder Engels bewind, vooral door de bemoeienis van Francis Willoughby, in economisch opzicht tot bloei gekomen. Doordat in 1666 een kwart van de blanke bevolking was overleden als gevolg van een grote epidemie, was de verdediging van Suriname echter ernstig verzwakt geraakt. Na een korte beschieting van fort Willoughby gaven de Engelse verdedigers zich over, en op 6 maart 1667 gaven ze de hele kolonie op. Suriname kwam hiermee onder het gezag van de Staten van Zeeland. Er werd een gouverneur aangesteld die verantwoordelijk was voor het dagelijks bestuur, vanaf 1669 samen met de Raad van Politie.

De veroverde kolonie telde 175 plantages en de Europese bevolking werd geschat op 1500. Veel kolonisten waren van Portugees-Joodse afkomst. Hun plantages bevonden zich vooral rond Thorarica en Jodensavanne. Naast kolonisten verbleven er ambtenaren, handwerkslieden, handelaren, een kleine groep militairen en naar schatting 3000 slaafgemaakten. De meeste slaafgemaakten waren Afrikaans en een kleiner deel was inheems, de zogeheten 'rode slaven'.De inheemsen gebruikten de rode kleurstof anatto om hun huid te beschilderen en hun haar te verven. Anatto wordt gewonnen uit de zaden van de orleaanboom (in het Surinaams-Nederlands Koesoewe of Koeswe).

De Engelse bewindvoerders hadden tijdens hun bestuursperiode een goede relatie onderhouden met de Karaïben. Zij vormden de grootste inheemse bevolkingsgroep in Suriname en hadden een traditionele vijandschap met de Arowakken. De leefgebieden van de Karaïben lagen langs alle grote rivieren en de Engelse en Joodse kolonisten beschouwden hen als vrije inheemsen. Er werd handel met hen gedreven in voedsel en gebruiksgoederen. De Karaïben verhandelden via Europese tussenhandelaren (bokkenruilders) ook 'rode slaven’.Inheemsen hadden als bijnaam 'bokken'. Die waren tijdens gevechten met andere volken gevangengenomen of opgepakt in het oerwoud nadat zij waren weggelopen van de plantages.

In de naast Suriname gelegen Zeeuwse kolonie Berbice waren de Arowakken de grootste inheemse bevolkingsgroep. Zij leefden in een goede verstandhouding met het koloniale bestuur aldaar. Na de machtsovername in Suriname in 1667 werden de Arowakken overgehaald om zich te vestigen aan de benedenloop van de Surinamerivier. De planters zagen hen als vredelievender dan de Karaïben die al in dit gebied aanwezig waren. De Engelsen, die wisten van de voorkeuren van de Nederlanders, hadden bij de machtsoverdracht een bepaling laten opnemen waarmee de Karaïben werden beschermd tegen de Arowakken.

Na de machtsovername door de Zeeuwen vertrokken veel Engelse kolonisten met hun familie en slaafgemaakten naar andere Engelse koloniën in het Caribisch gebied, zoals Barbados of Jamaica. Het aantal plantages daalde daardoor van 175 in 1667 tot 116 in 1675 en het aantal Europese inwoners was in dezelfde periode afgenomen van 1500 tot 800. In 1675 waren er nog 120 Engelse families over, van wie er nog 80 wilden vertrekken. Over het aantal 'weerbare' (niet-Engelse) mannen schreef waarnemend gouverneur Pieter Versterre in 1675 dat er nog 125 ‘Duytse’ (Nederlandse) en 58 Joodse mannen in de kolonie waren en een garnizoen van 115 soldaten en 4 matrozen. De Karaïben benutten de afname om de overvallen op de plantages, die in de Engelse tijd slechts af en toe hadden plaatsgevonden, te intensiveren..

Crijnssen, en na hem gouverneur Philip Julius Lichtenberg, streefden naar een politiek van verzoening met de Karaïben. Vanuit Nederlands perspectief waren de Karaïben moeilijk handelbaar. Hun relatie met de Nederlandse bewindvoerders werd beheerst door wantrouwen, dat werd gevoed door de louche praktijken van blanke handelaren en de nodeloze moorden op hun stamgenoten. In 1675 vond een incident plaats waarbij inheemsen die bij de Coppename woonden, twee tussenhandelaren om het leven brachten. Waarnemend gouverneur Pieter Versterre beantwoordde dit met een strafexpeditie. De inheemse hoofdman dreigde daarop met een oorlog tegen de Nederlanders. Hij kon niet worden meegevoerd naar Paramaribo omdat hij tijdig wist te ontsnappen. Het bestuur nam het dreigement op dat moment niet serieus.

Onvrede onder de inheemse volken Het bestuur wilde rust in de kolonie en ondernam een poging om de onderlinge strijd tussen Karaïben en Arowakken te beëindigen. De bemiddeling leidde tot een akkoord tussen de twee volken in 1677. Maar onderlinge overeenstemming betekende nog niet dat de volken zich onderwierpen aan het koloniaal bewind. Ze besloten om zich over hun onderlinge conflicten heen te zetten en samen de strijd aan te gaan met de bezetters van hun land. Een jaar na het akkoord braken de eerste gevechten uit tussen de gezamenlijke inheemse volken en de Europese kolonisten. thumb|Caçador escravos (De slavenjager) (Agostino Brunias, z.d.) De eerste reactie aan koloniale zijde was dan ook dat het niet verstandig was geweest om de inheemse groepen bij elkaar te brengen. Het was politiek gezien slimmer geweest om de twee volken tegen elkaar uit te spelen, zoals tijdens het Engelse bewind gebeurde. Daarbij werd over het hoofd gezien dat er onder de inheemse volken een grote onvrede heerste over het optreden van de Europese kolonisten en het bestuur. Die onvrede was de verbindende factor tussen de inheemse volken en de drijvende kracht achter hun strijd.

De inheemsen ondervonden de negatieve gevolgen van de kolonisatie op verschillende terreinen. De vestiging van plantages ging ten koste van hun leef- en jachtgebieden en dwong hen om dorpen en kostgronden te verlaten. De Europese handelaren waren een andere bron van ergernis. Volgens de latere gouverneur Heinsius waren misleiding en bedrog van inheemsen door de handelaren de belangrijkste oorzaken voor het uitbreken van de oorlog. Het vermoorden en het tot slaaf maken van inheemsen vormden een ander pijnpunt. Als de inheemsen hierover verhaal probeerden te halen bij de gouverneur of het Hof van Justitie werden ze afgescheept. Het gouvernement behartigde vooral de belangen van de kolonisten en het economisch belang van de kolonie. Bij conflicten werden de inheemse belangen niet serieus genomen of terzijde geschoven.

De inheemsen stond een duidelijke oplossing voor ogen om de problemen op te lossen: het vertrek van de kolonisten. Een vertegenwoordiger van het koloniale bestuur beschreef op 3 mei 1679 de opvatting van de inheemsen als volgt: Dat ons volck die in schepen gecomen waren wederomme met schepen moeten weggaan, dat het landt haer toecomt. Door samen de strijd aan te gaan konden ze, naar hun overtuiging, het vertrek afdwingen.

Samenwerking tussen de inheemse volken thumb|Nederlands-Guiana rond 1700 thumb|Woongebieden van de inheemse volken in Suriname aan het einde van de 17e eeuw volgens Dragtenstein Het eerste overleg voor een gezamenlijke aanval werd in oktober 1678 gevoerd in een Karaïbendorp aan de Coppename. Er waren dertien kapiteins aanwezig, onder wie Kaaikoesi, de belangrijkste leider van de Karaïben die aan de Coppename en de Saramacca woonden, en Priary, de belangrijkste kapitein van de Karaïben aan de Coppename.

De inheemsen waren in staat om een strijdmacht van negen- tot tienduizend mannen bijeen te brengen. De namen van de kapiteins en de informatie over de inheemse strijdmacht zijn afkomstig van de half-inheemse Anthony Barbier. Barbier legde in december 1678 een verklaring af, nadat hij door de autoriteiten was gearresteerd omdat hij voor de inheemsen spioneerde en munitie voor hen had gekocht. Barbier werd verhoord buyten pijn en banden van boeyen en werd daarna opgehangen. Uit de verklaring van Barbier werd ook duidelijk dat de Karaïben aan de Corantijn aanvankelijk niet mee wilden doen. Ze werden overgehaald door een delegatie van de Arowakken. De drie kapiteins aan de Corantijn kregen meer tijd voor de voorbereidingen en mochten later aansluiten in verband met de langere reistijd vanaf hun woongebieden.

Bij de bijeenkomst aan de Coppename werd afgesproken dat de Karaïben aanvallen zouden uitvoeren op Paramaribo en de plantagegebieden aan de Parakreek, de Commewijne en de Pericakreek en dat de Arowakken zich vooral zouden richten op Berbice.

Eerste aanvallen, december 1678 Na de dood van gouverneur Versterre werd Abel Thisso plaatsvervangend gouverneur. Thisso was al lid van de Raad van Politie en maakte dus deel uit van het bestuur van de kolonie. De informatie van Barbier was op dat moment nog niet doorgedrongen tot het gouvernement. Uit de berichten van Thisso aan de Staten van Zeeland is op te maken dat de bestuurders en de plantagehouders werden verrast door de eerste aanvalsgolf, die plaatsvond op 15 december 1678.

De aanvallen waren een groot succes voor de inheemse strijdmacht, die erin slaagde kolonisten en militairen aan de Perica en de Commewijne te verjagen. Daarbij vonden tien blanken en een onbekend aantal slaafgemaakten de dood. De inheemsen maakten suikermolens onklaar en vernietigden de gewassen die op het veld stonden. De kleine militaire eenheid die door het gouvernement naar de Parakreek werd gezonden om de burgermilities van de planters bij te staan kon niet op tegen de overmacht van inheemse strijders en keerde na veertien dagen terug naar Paramaribo. Een tweede expeditie naar de Parakreek onder leiding van burgerkapitein Balten Parduyn boekte evenmin succes. Dat gold ook voor de legereenheid die naar Thorarica was gezonden. De eenheid kon niet verhinderen dat de inheemsen tussen 15 en 30 december 1678 dertig blanken (vooral vrouwen en kinderen) vermoordden in het gebied tussen de Parakreek en de Surinamerivier. Door de suikermolens in brand te steken of op een andere manier te vernielen, vernietigden de strijders ook hier de productiecapaciteit van de plantages. Tijdens de expedities verloren meer dan honderd militairen en leden van de burgermilities het leven.