miniatuur|Het publiek en de mainstage van Tomorrowland, dat regelmatig de titel van beste festival ter wereld mag dragen.

Belgische muziekfestivals vormen een belangrijk onderdeel van het Belgisch cultureel landschap. Ze hebben bovendien internationaal aanzien binnen de sector.

Sinds de Belgische onafhankelijkheid in 1830 vinden er muziekfestivals plaats in het land. Aanvankelijk was klassieke muziek het belangrijkste genre. Na de Tweede Wereldoorlog zijn dat achtereenvolgens jazz, rock en pop, en elektronische muziek. Ook stads-, niche- en boetiekfestivals weten populariteit te vergaren in België. Onder meer het Festival International du Jazz, Jazz Bilzen en Festival Actuel gelden als gangmakers voor internationaal geprezen festivals als Tomorrowland en Rock Werchter. Het festivalseizoen loopt grotendeels van mei tot en met september, en beleeft zijn hoogtepunt in juli en augustus. Elk jaar vinden er zo'n vierhonderd festivals plaats.

Geschiedenis Eerste generatie klassieke festivals (vanaf 1830) miniatuur|Aquarel van de festiviteiten voor de 25ste verjaardag van de troonsbestijging van Leopold I, waaronder een muziekfestival in Brussel. Vanaf 1830, de onafhankelijkheid van België, vonden talloze muziekfestivals gericht op klassieke muziek plaats in België. Zo vond in 1856, naar aanleiding van de nationale feestdag, een driedaags muziekfestival plaats in Brussel. Onder leiding van Joseph Fischer en Jean-Valentin Bender voerden zo’n 1.500 zangers en 300 muzikanten een aantal liederen op op het Sint-Jozefplein. In 1869 vond het eerste Nationaal Muziekfestival (1869–1883) plaats in Brussel ter inhuldiging van het Zuidstation. Zo'n 1.300 zangers en 150 muzikanten traden er op, waaronder operazangeres Marie Sasse en violist Henri Vieuxtemps. De driedaagse ontving dagelijks zo'n 10.000 bezoekers. Het festival volgde het model van de grote Duitse festivals uit die periode, waaronder Bayreuther Festspiele. De acht edities van het Nationaal Muziekfestival vonden afwisselend plaats in Brussel, Gent, Antwerpen, Luik, Brugge en Bergen. Het Nationaal Muziekfestival had als doel dat de verenigingen behorende tot de in 1867 opgerichte federatie van muziekverenigingen afwisselend de organisatie op zich zouden nemen. Dit structureerde de vele muziekverenigingen van het land in provinciale verenigingen. Het festival stond onder toezicht van de staat, de provincie en de stad die het organiseerde en de kosten op zich nam. In deze periode ontstonden er spanningen tussen de conservatoria en de amateurmuziekverenigingen. Ze waren het niet eens over de invulling van de festivals. Volgens de amateurs moesten ze een nationaal en populair karakter hebben, waaraan de burgerij en niet enkel de aristocratie kon deelnemen. De conservatoria daarentegen dachten enkel met professionelen het voortbestaan van de festivals te kunnen garanderen. Na de editie van 1883 besloot men het festival stop te zetten. Het was verlieslatend, waardoor de regering besliste niet langer subsidies te geven.

In de twintigste eeuw democratiseerden de festivals. De opkomst van nieuwe kanalen voor culturele verspreiding zoals de radio en de grammofoonstimuleerde deze trend. Ze leidden ertoe dat een steeds groter aantal mensen in aanraking kwam met muziek. Geleidelijk aan ontstonden bovendien beleidsmaatregelen gericht op de democratisering van cultuur. Deze hadden als doel de arbeidersklasse toegang te geven tot culturele producties, waaronder muziekfestivals, die hun emancipatie konden bevorderen. Verspreid doorheen het land organiseerde men (vaak eenmalige) festivals tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw. Voorbeelden zijn de achtste editie van het jaarlijks internationaal festival van de International Society for Contemporary Music in Luik in 1930, en een tweedaags festival in de zomer van 1933 in het Kursaal van Oostende. Tussen 1922 en 1931 organiseerde Albert Zimmer meermaals het Festival Ravel, met de focus op muziek van componist Maurice Ravel, in Brussel. Gedurende de Tweede Wereldoorlog vonden verschillende operettefestivals plaats in de Brusselse Koninklijke Muntschouwburg.

Jazz vergaart populariteit tijdens het interbellum Het eerste genre dat de hegemonie van klassieke muziek enigszins kon breken was jazz, tijdens het interbellum. Gedurende de roaring twenties vergaarde het genre populariteit in België, met in 1920 het eerste jazzconcert van de Mitchell’s Jazz Kings in de Brusselse theaterzaal Alhambra. De organisatie van grootschalige evenementen zoals festivals gebeurde echter nog niet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbood de bezetter swingdansen, wat tot een tijdelijke stilstand in de evolutie van de jazzmuziek leidde. Na de oorlog zou het genre echter zijn hoogdagen kennen, met onder andere de organisatie van de eerste jazzfestivals.

Tweede generatie klassieke festivals (vanaf 1945) miniatuur|Evelyn Glennie op het Festival van Vlaanderen in 2022, in de Sint-Baafskathedraal in Gent. De tweede helft van de twintigste eeuw luidde een nieuwe generatie klassieke muziekfestivals in. Hiermee volgde België een fenomeen dat op Europese schaal merkbaar was. De periode kenmerkte zich door het pas ingevoerde beleid van culturele decentralisatie, naast de doelstellingen van democratisering. Dit beleid resulteerde onder meer in de oprichting van meer festivals buiten de hoofdstad. In het zuiden van het land ontstonden festivals in Chimay, Luik, Saint-Hubert en Stavelot, terwijl in het noorden festivals in Antwerpen, Brugge, Gent en Tongeren verschenen. Jan Briers richtte bovendien enkele Vlaamse festivals op. Hij organiseerde in 1958, in het kielzog van Expo 58, enkele concerten in Gent. Deze groeiden uit tot het Festival van Vlaanderen (1958–heden). Tegenwoordig brengt het Festival acht klassieke festivals verspreid over Vlaanderen samen. De Waalse tegenhanger kwam ruim een decennium later. Het was Pierre Wigny, de toenmalige minister van Cultuur, die in 1967 opmerkte dat de klassieke muziekfestivals in Wallonië internationale bekendheid misten en teveel los van elkaar stonden. De oprichting van het Festival de Wallonie (1971–heden) gebeurde in 1971, dat tegenwoordig zeven festivals in Brussel en Wallonië samenbrengt. In 1993 verscheen ten slotte het OstBelgienFestival (1993–heden) dat een aantal klassieke evenementen in de Oostkantons onder één noemer brengt.

Naast de festivals buiten Brussel, vonden er ook in de hoofdstad nieuwe initiatieven plaats. In 1964 vond het eerste grote internationale festival voor hedendaagse klassieke muziek plaats: het tweejaarlijkse Reconnaissance des musiques modernes. De RTB en musicoloog Robert Wangermée organiseerden het festival. De hedendaagse Belgische klassieke muziek kreeg sinds 1967 haar eigen festival, wat ondertussen tot Ars Musica is uitgegroeid. In 1985 organiseerden twee studenten, Jan Van Esbroeck en Jan Vereecke, voor het eerst de Night of the Proms (1985–heden) in het Antwerpse Sportpaleis. Dit indoorfestival combineert klassieke muziek met popmuziek. Het was geïnspireerd op de Proms die sinds 1895 in de Queen's Hall en later de Royal Albert Hall in het Britse Londen plaatsvinden. Bij de eerste editie waren er zo'n 13.500 toeschouwers, in 1995 zo'n 255.000. Onder andere John Miles, Andrea Bocelli, Anastacia en Toto passeerden er de revue.

Naoorlogse periode gekenmerkt door jazz (vanaf 1945) miniatuur|Ray Charles (links) met organisator Joe Napoli op het Festival International du Jazz in Comblain-la-Tour, anno 1964. In de jaren 1950 bereikte de commerciële openluchtmuziekbeleving uit de Verenigde Staten België. Jazzmuzikanten, vaak Afro-Amerikanen die de segregatiepolitiek ontvluchtten, tilden deze beleving naar een hoger niveau. Joe Napoli organiseerde in 1959 het eerste Europese jazzfestival in het Belgische Comblain-la-Tour, geïnspireerd door het Amerikaanse Newport Jazz Festival. Napoli kreeg hier eerder onderdak toen hij als militair deelnam aan het Ardennenoffensief in 1944. In 1955 keerde hij terug om een benefiet te organiseren voor het dorp. Dit was de eerste editie van het Festival International du Jazz (1959–1966) op 2 augustus 1959, waar zo’n 8.000 festivalgangers op afkwamen. De editie van 1960, sindsdien een tweedaagse, telde zo’n 25.000 bezoekers, in 1961 waren het er zo’n 30.000. Dat jaar stak Comblain-la-Tour Newport voorbij als grootste jazzfestival ter wereld. Wereldsterren als Nina Simone, Ray Charles, Petula Clark en John Coltrane passeerden de revue. Het festival staat ook bekend als de moeder van de hedendaagse muziekfestivals, maar bezweek in 1966 onder de druk van de rock- en popmuziek. miniatuur|Het publiek op Jazz Bilzen in 1967, met in de achtergrond de Sint-Mauritiuskerk in het centrum van Bilzen.|links Jazz Bilzen (1965–1981) nam het vaandel over. Op 5 september 1965 organiseerde de lokale Davidsfondsafdeling van Bilzen de eerste editie. Enkele jaren na die eerste editie programmeerden ze, onder druk van de lokale jeugd en het sponsorende tijdschrift Humo, naast jazz- ook rock-, punk- en popartiesten. Hiermee volgde het festival het voorbeeld van het Amerikaanse Woodstock, het legendarische festival dat in 1969 in Bethel, New York plaatsvond. Bovendien groeide het festival uit tot een driedaagse. Artiesten als Tina Turner, The Clash, AC/DC en Blondie sierden de affiche. Het festival was in de jaren 1970 het grootste van het land. Een samenloop van omstandigheden, onder andere financiële tegenslagen en rellen tijdens de editie van 1978, leidde tot de stopzetting van het festival na een laatste editie in 1981. Jazz Middelheim (1969–heden), een ander Belgisch jazzfestival uit dezelfde periode, wist wel te overleven. Recentere jazzfestivals, zoals Gent Jazz (2002–heden) en Brussels Jazz Weekend (1996–heden) wisten eveneens succes te boeken. De combinatie van diverse genres en meerdere festivaldagen maakten van het Festival International du Jazz en Jazz Bilzen twee festivals die voor een blijvende verandering in de festivalcultuur zorgden. De meeste populaire hedendaagse festivals kennen hun oorsprong eveneens bij lokale initiatieven. De opkomst van deze nieuwe generatie festivals was tekenend voor de tijdgeest van de jaren 1960. Ze waren toegankelijker dan de klassieke festivals, en bovendien leidde de toegenomen welvaart ertoe dat babyboomers meer geld en vrije tijd hadden dan eerdere generaties.

Rock en pop nemen over (vanaf 1969) Steeds meer festivals vonden plaats, en dat op steeds grotere schaal. Rock- en popmuziek namen stilaan de voortrekkersrol van jazz over. Van 24 tot en met 28 oktober 1969 vond in Amougies het eenmalige Festival Actuel plaats. De Fransmannen Jean-Noël Coghe en Jean Georgakarakos organiseerden deze vijfdaagse. Het was het eerste festival dat jazz en rock succesvol combineerde, nog voor Jazz Bilzen. Het staat ook bekend als het Europese Woodstock. Zo’n 100.000 festivalgangers bezochten het festival, waar rockartiesten als Pink Floyd, Ten Years After, Yes en Frank Zappa samen met jazzartiesten als Pharoah Sanders, Don Cherry en Captain Beefheart op het podium stonden. Dat jaar, op 21 juni 1969, vond bovendien in de Arenahal in Deurne het eenmalige First International Pop Event plaats. Dit was het eerste Belgische (indoor)festival met uitsluitend pop- en rockmuziek. Artiesten als Fleetwood Mac, Colosseum, The Nice en The Pebbles traden er op voor een kleine 7.000 toeschouwers. miniatuur|De mainstage van Rock Werchter in 2023, met daarop The Black Keys.