Operatie Badr (Arabisch: , ) was een militaire operatie van de Egyptische krijgsmacht om op 6 oktober 1973 vanaf 14:00 het Suezkanaal over te steken, en door de Israëlische Bar-Levlinie te breken teneinde een strook van vijftien kilometer diepte van de tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 verloren Sinaï te heroveren. Tegelijk vielen de Syrische strijdkrachten de Golanhoogvlakte aan, onder andere in de Vallei der Tranen, om die te heroveren op Israël. Operatie Badr begon op de joodse heilige dag Jom Kipoer en was het begin van de Jom Kipoer-oorlog. De operatie was genoemd naar de Slag bij Badr die de moslims in 624 wonnen, ook tijdens de maand Ramadan.
De operatie was een volledig succes, zelfs meer dan het Egyptische opperbevel zelf besefte zodat men naliet het volledig uit te buiten. Wel werd een sterke verdedigingstelling gevestigd op de oostelijke oever die in staat bleek een Israëlisch tegenoffensief met zware verliezen af te slaan. Het Syrische leger was echter bijna vernietigd en om hun bondgenoten te hulp te schieten probeerden de Egyptenaren naar het oosten uit te breken. Daarbij verloren ze zoveel tanks dat het Israëlische leger er alsnog in slaagde het Suezkanaal over steken en een groot deel van het Egyptische leger te omsingelen.
De aanleiding Na de Zesdaagse Oorlog hadden zowel Israël als Egypte Resolutie 242 Veiligheidsraad Verenigde Naties naast zich neergelegd: Israël bleef de Sinaï bezet houden en Egypte hield zich ogenschijnlijk aan de "drie neens" van de Resolutie van Khartoem: nee tegen erkenning van Israël, nee tegen onderhandeling met Israël, nee tegen vrede met Israël. Tussen 1957 en 1967 waren de relaties tussen Egypte en Israël echter relatief goed geweest. Egypte had de handen vol aan de oorlog in Jemen en de meeste Israëlische politici zagen gebiedsuitbreiding door middel van oorlogsvoering, nog een dominant politiek thema tussen 1949 en 1956, niet meer als een urgent politiek doel. President Gamal Abdel Nasser van Egypte hoopte in juli 1967 dan ook op korte termijn een regeling te treffen waarbij Israël zich zou terugtrekken en in ruil daarvoor diplomatieke erkenning zou krijgen en een formele, door verdragen gewaarborgde vrede, demilitarisering van de Sinaï en recht op vrije doorvaart door de Golf van Akaba en het Suezkanaal. Contacten tussen Egypte en Israël moesten echter uiterst behoedzaam plaatsvinden want Syrië bleef vasthouden aan een radicale confrontatiepolitiek. Pogingen de boodschap via de diplomatieke kanalen van de Verenigde Staten van Amerika over te brengen mislukten grotendeels. Toen de Resolutie van Khartoem werd aangenomen, was het te laat want de Israëlische reactie daarop was zeer negatief; men wilde geen contacten meer zonder voorafgaande erkenning en was daarbij niet van plan ooit Oost-Jeruzalem op te geven.
Nasser was niet bereid zich dan maar bij de status quo neer te leggen. Nu diplomatieke middelen geen optie waren, zag hij slechts een hervatting van de vijandelijkheden als een praktische oplossing. Voorlopig was hij echter gedwongen zich bescheiden op te stellen. De Zesdaagse Oorlog had Egypte militair zeer verzwakt: zowel de luchtmacht als de tankvloot waren grotendeels verloren gegaan. Met hulp van de Sovjet-Unie bouwde Egypte de Egyptische krijgsmacht weer op. Het besef was echter gegroeid dat een totale oorlog met Israël niet gewonnen kon worden. Daarom ging Nasser in 1968 over tot de zogenaamde "Uitputtingsoorlog", een langdurige campagne om via artilleriebeschietingen en aanvallen van commando’s het met een inwonersaantal van drie miljoen niet bepaald volkrijke Israël zoveel verliezen aan manschappen toe te brengen dat de Sinaï opgegeven zou worden. Israël reageerde daarop door de bezetting van de oostelijke oever van het Suezkanaal tot het uiterste minimum te beperken, minder dan duizend man. Daar construeerde men de Bar-Lev-linie, een reeks clusters van kazematten die met hun beton veiligheid boden aan de soldaten. Ook wachtte men niet passief af maar liet zich leiden door het adagium dat de aanval de beste verdediging was. Amerikaanse Phantoms werden aangeschaft die zware bombardementen uitvoerden op de infrastructuur van Egypte. Artilleriebeschietingen verdreven de Egyptische burgerbevolking uit de kanaalzone. Luchtlandingen werden uitgevoerd om de transformatorsystemen van de Aswandam te vernietigen. Men stak het Suezkanaal over om Egyptische artillerieopstellingen te verwoesten. Landingen werden uitgevoerd over de Rode Zee op de oostkust van Egypte.
De Sovjet-Unie bouwde ten westen van het kanaal een luchtafweergordel van luchtdoelraketten op, bemand door Sovjetoperators. Die werden op hun beurt weer doelwitten van de bombardementen. De Sovjet-Unie begon met haar luchtmacht aan de oorlog deel te nemen door eskadrons jachtvliegtuigen naar Egypte te zenden. De Verenigde Staten van Amerika en de USSR zagen deze escalatie beide als een ernstig gevaar voor de wereldvrede en oefenden grote druk uit op de strijdende partijen om tot een wapenstilstand te komen. Nasser had al de conclusie getrokken dat de hele Uitputtingsoorlog een slecht idee geweest was. Israël toonde geen tekenen van uitputting. De Egyptische verliezen waren zowel in absolute zin veel zwaarder, vijftienmaal hoger, als relatief ten opzichte van de bevolkingsomvang die tienmaal hoger lag. Daarentegen was Israël, vooral de burgerbevolking, geneigd de vijandelijkheden voort te zetten. Door de Zesdaagse Oorlog had het zelfvertrouwen al een enorme oppepper gekregen en de onafgebroken reeks successen leidde tot de onwrikbare overtuiging dat men een overweldigende militaire superioriteit bezat ten opzichte van willekeurig welke Arabische staat. Het Israëlische kabinet durfde echter Richard Nixon niet te schofferen en gebruikte de algemene indruk dat Egypte toch al op het punt van instorten stond als argument dat men dus niet verder hoefde te vechten. Daarop volgde in augustus 1970 een staakt-het-vuren.
President Nasser overleed op 28 september 1970 en Anwar Sadat volgde hem op. Sadat wilde de Sinaï terug en stelde in februari voor dat Israël zich uit de Sinaï zou terugtrekken, om te beginnen tot aan de passen, dat het Suezkanaal zou heropenen en dat Israël Resolutie 242 Veiligheidsraad Verenigde Naties zou naleven met inbegrip van de regeling voor de Palestijnse vluchtelingen sinds de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 en dat Egypte na een wapenstilstand van zes maanden dan een vredesverdrag zou ondertekenen en Israël erkennen. Golda Meïr weigerde echter veroverd gebied op te geven.
Vanaf maart bezocht Sadat vier keer de Sovjet-Unie om wapens en munitie te vragen. Hij wilde modernere vliegtuigen en ballistische raketten om Israëlische steden te kunnen bombarderen als afschrikking tegen Israëlische bombardementen op de Egyptische industrie. Sadat zei openlijk dat hij oorlog wilde en noemde 1971 als het jaar van de beslissing. De Sovjet-Unie weigerde in 1971 de levering van geavanceerde wapens. De Israëlische geheime diensten waren hiervan op de hoogte en concludeerden dat een Egyptische aanval zou uitblijven. De dreigementen van Sadat werden afgedaan als holle retoriek. Egypte had echter zelf die informatie gelekt als misleiding. Arabische leiders waren het in 1972 eens dat diplomatie het conflict niet kon oplossen en midden 1973 stopte alle Amerikaanse bemiddeling.
In 1972 streefden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie naar détente. De Arabische landen waren bezorgd, want zo zouden ze militair in het nadeel blijven tegenover Israël. Alleen een oorlog met Israël kon de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie dwingen om het conflict te beslechten.
De Arabische Liga miniatuur|De Syrische president Hafez al-Assad ging akkoord om samen oorlog te voeren. Op een vergadering van de gezamenlijke defensieraad van de Arabische Liga van 27 tot 30 januari 1973, stelde Egypte dat vanwege het luchtoverwicht van de Israëlische luchtmacht enkel een gelijktijdige aanval van Egypte, Syrië en Jordanië kans op slagen maakte. De Egyptische luchtmacht en de Syrische luchtmacht zouden versterkt met zestien squadrons van andere Arabische landen weliswaar numeriek de Israëlische luchtmacht overtreffen, maar de Israëlische luchtmacht zou door betere training, avionica, bommen en toestellen toch de heerschappij in de lucht behouden. Een gelijktijdige grondaanval zou de Israëlische landmacht dwingen om op twee fronten op de grond te vechten wat het de Israëlische luchtmacht onmogelijk zou maken zich op één strijdtoneel te concentreren.
In januari gaf president Hafez al-Assad zijn akkoord aan een aanval tegen Israël. Egypte en Syrië kwamen overeen om hun acties overeen te stemmen en hun ministers van oorlog formuleerden een gemeenschappelijke militaire strategie. Die bleef echter abstract. Beide landen hadden geen gezamenlijk operationeel opperbevel en hielden voor elkaar verborgen dat ze niet van plan waren hun troepen volledig in te zetten.
Egypte kreeg politieke steun van meerdere Arabische landen. Sadat besprak de inzet van aardolie als economisch drukmiddel om westerse regeringen aan te zetten om een pro-Arabische politiek te voeren. Saoedi-Arabië en Libië waren bereid tot een olieboycot. Koning Faisal bin Abdoel Aziz al-Saoed zegde dat in januari 1973 aan Sadat toe toen die een hadj uitvoerde naar Mekka. Saoedi-Arabië, Jordanië, Irak, Koeweit, Tunesië en Marokko beloofden kleine militaire eenheden voor het front; alleen Marokko zou werkelijk bijdragen voor de oorlog was uitgebroken. Een probleem was dat Jordanië geen derde front zou openen en zelfs niet volledig geïnformeerd kon worden vanuit de terechte angst dat plannen aan Israël doorgespeeld zouden worden.
De planning miniatuur|Mohamed Sadek wilde heel de Sinaï heroveren en werd vervangen. miniatuur|luitenant-generaal Saad El Shazly plande de oversteek van het Suezkanaal. Minister van Oorlog, generaal Mohammed Ahmed Sadek wilde met een grote diepe operatie heel de Sinaï heroveren, maar zag in januari 1972 in dat het vijf tot tien jaar zou duren om daarvoor gereed te zijn. Egypte schatte dat het zeventienduizend doden zou kosten om het Suezkanaal over te steken en de Sovjet-Unie kwam zelfs tot vijfendertigduizend. Sadek vond dat het offer van zoveel soldaten enkel gerechtvaardigd kon worden door herovering van veel territorium. Sadat wees de argumenten van Sadek af. Het was nodig op korte termijn een actie te ondernemen. De Egyptische economie miste de inkomsten uit het Suezkanaal en de olievelden van de Sinaï bij Aboe Roedeis. Het volk van Egypte was het leven tussen oorlog en vrede beu.
Op 3 juni 1971 zei Sadat:
Sadat wilde politiek succes boeken zonder een overweldigende militaire overwinning en dus, aangezien de Egyptische krijgsmacht zwakker was dan de Israëlische defensieleger, vereiste dit dat de aanvalsdoelen beperkt werden.
Stafchef luitenant-generaal Saad El Shazly steunde een beperkte oorlog.
Hij zag twee zwakten van Israël: De kleinere bevolking maakte het onmogelijk om grote aantallen doden te aanvaarden. Het was onmogelijk om voor langere tijd 18% van de joodse bevolking te mobiliseren en paraat te houden.
Een langdurige oorlog op beperkte schaal zou beide zwakten uitbuiten.
Generaal-majoor Mohammed Fawzi voerde regelmatig Kriegsspiele uit om na te gaan welke strategie de meeste kans van slagen had. Toen Saad El Shazly hem op 16 mei 1971 verving waren er twee plannen opgesteld voor een oorlog met Israël: “Operatie 200” en “Operatie Graniet”. Beide waren echter allereerst defensief van karakter. Rechtse Israëlische partijen riepen op de wapenstilstand te verbreken, de westelijke kanaalzone te bezetten en het Egyptische leger te vernietigen. Operatie 200 wilde dat zo dicht mogelijk op het kanaal opvangen door het aanleggen van een dichte verdedigingsgordel. Graniet voorzag in het verstoren van een Israëlische opbouw door kleinere raids over het kanaal en luchtaanvallen uit te voeren.