Volgens de overlevering stond de Valkhofpalts, een van de paltsen die Karel de Grote verspreid over zijn rijk liet bouwen, vanaf circa 770 gedurende bijna drie eeuwen op de plek die later bekend is geworden als het Valkhof bij Nijmegen. Destijds was dit een noordelijke uithoek van het Frankische Rijk. De palts werd in 1047 verwoest.
Voorgeschiedenis
Hier in de buurt moeten in de Romeinse tijd eerst Oppidum Batavorum hebben gelegen en vanaf ca. 100 n.Chr. Ulpia Noviomagus Batavorum, dat als Romeins Nijmegen wordt gezien.Geschiedenis van het Valkhof, valkhof.nl
Op de plek van de palts bevond zich vanaf de 3e eeuw een nieuw Romeins fort, een castellum.Nijmegen - Valkhof, romeinen.nl Uit latere opgravingen op de Lindenberg en het Kelfkensbos is geconcludeerd dat de palts werd gebouwd binnen de restanten van dit oudere castellum, waarvan de verdedigingsmuren toen nog deels overeind moeten hebben gestaan. De overgebleven Romeinse ruïnes hebben mogelijk (deels) als fundament voor de Karolingische palts gediend. Voor het nieuwe bouwwerk werd de grond mogelijk geëgaliseerd en twee nog aanwezige binnengrachten werden gedempt.
Bouw Het precieze jaar waarin de bouw van de palts begon is onbekend. Vaak wordt dit gedateerd omstreeks 770. De overgeleverde documenten vermelden hierover dat in dezelfde periode ook de Akense koningspalts en de keizerpalts Ingelheim verrezen. De bouw van deze laatste palts is nooit voltooid.
Het precieze bouwjaar van de palts is onbekend, noch bestaat er enige duidelijkheid over hoelang de bouw duurde. Het wordt voor goed mogelijk gehouden dat de palts nog niet helemaal was voltooid ten tijde van Karel de Grotes eigen overlijden, in 814. Als belangrijke aanwijzing voor dit laatste geldt een vermelding dat Gerward van Gendt in 823 of 828 op deze plek was, terwijl hij in diezelfde tijd bouwprojecten voor paleizen leidde.
In dezelfde tijd, of één à twee eeuwen later, moeten er in deze omgeving meer burchten zijn gebouwd: Mergelp op de Duivelsberg, de burcht in Elten, de burcht in Kleef en de Monterberg bij Kalkar.
Locatie Het is niet helemaal duidelijk waarom Karel de Grote uitgerekend deze locatie uitkoos om een van zijn paltsen te bouwen. De gunstige geografische ligging aan een van de buitengrenzen van zijn rijk, op een heuvel en tegelijkertijd in een rivierbocht, speelde vermoedelijk mee; dit maakte de plek namelijk strategisch handig om de controle te houden over de nabijgelegen vijandelijke territoria, waar met name de Friezen en Saksen leefden. Enkele jaren daarvoor was Karel de Grote de Saksenoorlogen begonnen, waarbij onder meer het heiligdom Irminsul was vernietigd (volgens een passage uit de Annales Regni Francorum). Nu vielen er van Saksische zijde vermoedelijk wraakacties te verwachten. Er was vanaf de Valkhofheuvel goed uitzicht over de Betuwe tot aan de zuidrand van de Veluwe. Nog een andere factor van belang was mogelijk de waardigheid en allure die de plek in zekere mate moet hebben uitgestraald, ook dankzij de toen nog duidelijk aanwezige restanten van het castellum. Ten slotte kunnen er economische belangen hebben meegespeeld.
Vermeldingen (8e-10e eeuw) Tegeltableau dat de bouw van het paleis uitbeeldt|240px|thumb Op fantasie gebaseerde reconstructie van het Valkhof met de Karolingische palts, zoals deze plek er omstreeks 800 uit zou kunnen hebben gezien. Karel de Grote is hier uitgebeeld terwijl hij voor de grote boog in het midden staat, naast hem staat een priester. Op de achtergrond is hier ook de Nicolaaskapel te zien, die in werkelijkheid hoogstwaarschijnlijk in de 11e eeuw is gebouwd. (Schilderij van Cornelis Springer, 1862)|350px|thumb
Het oudste bekende document waaruit men het bestaan van de Valkhofpalts afleidt is een oorkonde in de vorm van een giftbrief. Deze oorkonde is gedateerd op 7 of 8 juni 777 en werd opgesteld door Karel de Grote zelf in een "villa te N[i]umaga", uitgelegd als Nijmegen.Nijmeegs oudste vermelding, noviomagus,.nl Hierin schenkt hij onder meer enkele landgoederen aan de kerk van Utrecht (Traiectum). Inhoudelijk gaat de oorkonde over de gouw Flethite met daarin Villa Lisiduna (kennelijk Leusden, of het landgoed daarvan), en vier "foreesten", ofwel bossen waar het jachtrecht gold. Ook wordt er een rivier Hemus genoemd, die doorgaans wordt gelijkgesteld aan de Eem.Oorkonde van 777, Archief Eeemland In de oorkonde staat voorts dat deze is opgemaakt in Niumago palacio publico. Over de precieze betekenis van publico in deze specifieke context is niet iedereen het eens; volgens de Duitse historicus Walter Schlesinger moet dit hier eerder worden vertaald als "koninklijk" dan als "openbaar" (in de zin van "van de overheid"). Het koningsambt zou zelf niet openbaar van karakter zijn geweest, en zich daarin onderscheiden van de "echte" overheid uit de Karolingische tijd.
Volgens een vermelding uit dezelfde tijd in de Annales Regni Francorum bezocht Karel de Grote in het voorjaar van 777 achtereenvolgens Haristallio (vermoedelijk Herstal), Niumaga en Paderborn.
In latere schriftelijke bronnen wordt afwisselend een palacium of villa vermeld, waarmee hetzelfde bouwwerk moet zijn bedoeld.
Een andere vroege vermelding van de palts is afkomstig van Karel de Grotes persoonlijke biograaf, Einhard. Hij schrijft in zijn Vita Karoli Magni:
De palts wordt ruim een eeuw later beschreven en geroemd door onder meer Regino van Prüm ("een geweldig groot en uitzonderlijk gebouw"), in diens kroniek uit 908. In 1080 wordt de palts opnieuw genoemd door Lambert van Hersfeld ("uitzonderlijk, zonder weerga").
8e-9e eeuw Gebruik De eerste verwoesting in 881 (prent vervaardigd door Reinier Vinkeles, naar een portret van Jacob Buys|200px|thumb Muurschildering van Theophanu bij de Veerpoorttrappen in Nijmegen|200px|thumb De palts diende voornamelijk als adellijke residentie en tot op zekere hoogte als bestuurscentrum (villa regia). Er moeten aparte bijgebouwen zijn geweest voor het hofpersoneel en hier gelegerde militairen. Er zou plaats moeten zijn geweest voor enkele honderden personen. Uit beschrijvingen van Godfried van Viterbo blijkt dat er een gaanderij (aula columpnata) was (net als in het paleis in Aken).
Karel de Grote moet hier in ieder geval zelf zijn geweest in het voorjaar van 777, tijdens de viering van Pasen.Calendarium Noviomagus 50 v Chr. - 1500, noviomagus.nl In de Frankische annalen wordt dit bezoek vermeld meteen na dat van Kerstmis 776; het registreren van de bezoeken lijkt dus erg selectief te zijn gedaan. Vanaf 804 zou hij (inmiddels keizer) de palts wat vaker hebben bezocht, voornamelijk rond de Paastijd. Hij was er driemaal tijdens de laatste tien jaar van zijn leven en er – volgens de vermeldingen – daarvoor alleen in 777. Dit lijkt een mogelijke aanwijzing dat de palts pas vanaf 804 min of meer voltooid was. In 806 liet Karel de Grote er de verdeling van zijn rijk tussen zijn drie zonen Karel, Lodewijk en Pepijn bezweren. In 808 zou hij nog een keer aan het Valkhof zijn geweest. Het was volgens kroniekschrijvers hoe dan ook "Karel de Grotes meest geliefkoosde verblijfplaats, na Aken". Er is ook nog een verband gesuggereerd tussen Karel de Grotes bezoeken aan het Valkhof en de kerstening van de Friezen..Karolingisch Nijmegen: de palts en zijn omgeving - Jaarboek Numaga 2014, A.den Braven, p.23-24
Eardwulf werd in 806 afgezet als koning van Northumbria en is daarna naar het Europese vasteland gereisd richting Rome. Onderweg bezocht hij daarbij de palts in Noviomagus, volgens een vermelding hierover in de Annales Regni Francorum.
Lodewijk de Vrome zou hier in 815 de Vastentijd hebben doorgebracht. Enkele bronnen vermelden dat een houten zuilengang van de palts het begaf op een Witte Donderdag terwijl Lodewijk de Vrome aanwezig was. Ook zou hij er in totaal zes keer een landdag gehad hebben. In 827 voerde hij hier bovendien vredesbesprekingen met de Deense koning Horik I; blijkbaar met weinig succes, want elf jaar later volgde een aanval door Deense Vikingen. De Annales Bertiniani melden dat er in de herfst van 830 een grootschalig beraad werd gehouden, bijeengeroepen door Lodewijk de Vrome, om te proberen een revolutie tegen de keizer en diens vrouw te bezweren. Bij deze vergadering, waarbij veel bisschoppen, abten en graven aanwezig waren, werd tevens besloten dat Judith van Beieren – die door haar man Lodewijk in een klooster was opgesloten – weer mocht terugkeren naar het hof.
De Annales Xantenses maken reeds melding van een Noviomagum-Castrum in 846. Deze versterking valt echter niet logisch in verband te brengen met de plunderingen door de Noormannen, die enkele decennia later zijn begonnen.
Eerste verwoesting (881) In 870 sloot keizer Karel de Kale nog een verdrag met Rorik. De Vikingen namen echter rond 880 – of misschien al iets eerder – de palts in, nadat ze eerst een plundertocht langs de Rijn hadden gehouden. Vermoedelijk stonden ze toen onder leiding van Rorik en/of Godfried Haraldson junior.De Noormannen, Mijn Gelderland Ze gebruikten de palts hierna zelf als winterverblijfplaats tijdens een belegering door Lodewijk de Jongere, waarbij ze zelf een extra wal aanlegden en misschien ook een of meer grachten van het Romeinse castellum opnieuw uitgroeven en het terrein met houten palissades afschermden. Ze hielden een jonge Saks als gijzelaar. Bij hun vertrek het jaar daarop (in ruil voor losgeld) staken de Noormannen de palts in brand. De schade aan het bouwwerk lijkt toen beperkt te zijn gebleven en de palts moet niet lang daarna zijn herbouwd, nu veel meer als een echte vesting.Vondsten uit de bunker in het Valkhofpark, p. 38
Aan de oostelijke Waalkade, ten noorden van de laat-Romeinse keermuur, zijn brandsporen teruggevonden die (zonder volledige zekerheid) zijn toegeschreven aan de brandstichting door de Noormannen. Het hier in de nabijheid gevonden aardewerk lijkt eveneens laat-Karolingisch. Een ijzeren zwaard met het opschrift ADALFRIID dat naar verluidt in de Waal is gevonden is gedateerd in de tweede van de 9e eeuw en toegeschreven aan Noormannen, en zou in dat geval vermoedelijk ook met deze gebeurtenissen verband houden.Vermeend Vikingzwaard, Valkhof Museum
10e - 11e eeuw De herbouwde palts bleef een belangrijke rol spelen tijdens de Ottoonse en de Salische tijd. De keizers die in deze tijd over het Duitse rijk regeerden – zoals Otto I, Otto III, Hendrik II, Koenraad II en Hendrik III – verbleven hier regelmatig voor hun regeringsdaden. Koninklijke en keizerlijke hofdagen vonden dan ook vaak hier plaats.Zie De strategische ligging van de plek vanaf de tweede helft van de 9e eeuw, als grensplaats ten opzichte van andere delen van het rijk, was hierbij mogelijk een meespelende factor. Over de bestuurlijke zaken die er in deze tijd werden geregeld zijn weinig precieze details bekend; van de bewaard gebleven oorkonden was ongeveer de helft bedoeld voor ontvangende partijen (personen of instellingen) in het hertogdom Lotharingen of andere gebieden. Ook in 949 moet hier een Rijksdag zijn geweest.
Wellicht in juli 956 toog een groep geestelijken van het klooster in Sint-Omaars – de abt hiervan, samen met een groep monniken en kanunniken – naar de palts, waar toen Otto I verbleef, die op dat moment koning was. De kloosterlingen dreigden een aantal bezittingen kwijt te raken en probeerden die nu met hulp van de koning in handen te houden. Om hun verzoek extra kracht bij te zetten namen de kloosterlingen de relieken van de heilige Audomarus mee.